Hof van Jusitie: Sepot geldt als onherroepelijke berechting, zodat het ne bis in idem-beginsel van toepassing is en staat derhalve in de weg aan hernieuwde vervolging in een andere overeenkomstsluitende staat

Hof van Justitie 5 juni 2014, C‑398/12 (Procura della Repubblica v. M)

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Feiten & Procesverloop

Nadat zijn schoondochter Q in de eerste helft van 2004 een reeks aangiften had gedaan, is tegen M, een in België woonachtig Italiaanse onderdaan, in België een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens meermaals gepleegd seksueel geweld, althans wederrechtelijke seksuele handelingen, in België jegens zijn minderjarige kleindochter N (geboren op 29 april 1999) in de periode tussen mei 2001 en februari 2004.

De Belgische politie heeft een uitvoerig onderzoek ingesteld, waarbij over- vloedige documentatie is verzameld, een reeks personen is gehoord (onder wie N) en verschillende deskundigen verslag hebben uitgebracht over de vraag of de minderjarige N fysiek en/of psychisch sporen vertoonde van het geweld waarvan aangifte was gedaan, alsmede om te beoordelen of de persoon die aangifte had gedaan, te weten Q, een betrouwbare getuige was, en of M zelf leed aan een persoonlijkheidsstoornis op seksueel gebied.

Na afloop van dit onderzoek heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Bergen bij beschikking van 15 december 2008 besloten M niet naar de strafrechter te verwijzen, maar hem buiten vervolging te stellen wegens onvoldoende bewijs van de hem ten laste gelegde feiten.

De kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep van Bergen heeft op 21 april 2009 de beschikking van buitenvervolgingstelling bevestigd. Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 2 december 2009 de be- slissing van het Hof van Beroep bevestigd, waarmee de procedure in België definitief is geëindigd, tenzij nieuwe bezwaren opkomen (als bedoeld in de artikelen 246 en 247 Belgische WbSv).

Ondertussen was, nadat Q op 23 november 2006 aangifte had gedaan bij de Italiaanse politie, in Italië bij het Tribunale di Fermo een strafrechtelijke procedure tegen M geopend met betrekking tot dezelfde feiten als die tot het onderzoek in België hadden geleid. Er volgde een uitvoerige in- structie die in wezen dezelfde feiten betrof als tegelijkertijd in België werden onderzocht. Op 19 december 2008 (dat wil zeggen vier dagen na de beslissing van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Bergen om M buiten vervolging te stellen) heeft de rechter van het Tribunale di Fermo M verwezen naar de meervoudige kamer van het Tribunale di Fermo om zich ter terechtzitting te verantwoorden.

Ter terechtzitting van 9 december 2009 van het Tribunale di Fermo heeft M zich beroepen op het ne bis in idem-beginsel, omdat met het een week eerder (op 2 december 2009) door het Belgisch Hof van Cassatie gewezen arrest de parallelle Belgische procedure was geëindigd.

Prejudiciële vraag

Tegen deze achtergrond heeft het Tribunale di Fermo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

  • „Staat een onherroepelijk vonnis tot buitenvervolgingstelling door een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij de Schengenuit- voeringsovereenkomst, dat is gewezen na een uitvoerig onderzoek in het kader van een procedure die kan worden heropend ingeval nieuwe bewijzen aan het licht komen, in de weg aan de inleiding of behandeling van een procedure ter zake van dezelfde feiten en tegen dezelfde persoon in een andere overeenkomstsluitende staat?”

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ar- tikel 54 SUO aldus moet worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Om vast te stellen of een rechterlijke beslissing een onherroepelijk vonnis waarbij deze persoon is berecht in de zin van dat artikel is, moet worden nagegaan of deze beslissing is gegeven na een beoordeling ten gronde van de zaak (Miraglia).

Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat een beslissing van de justitiële auto- riteiten van een overeenkomstsluitende staat waardoor een verdachte onherroepelijk is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen, op een dergelijke beoordeling is gebaseerd (Van Straaten).

Vastgesteld moet dus worden dat een beschikking van buitenver- volgingstelling die is gegeven na een onderzoek waarbij uiteenlopende bewijsmiddelen zijn vergaard en onderzocht, moet worden beschouwd als een beoordeling ten gronde in de zin van het arrest Miraglia, voor zover zij een onherroepelijke beslissing inhoudt over de ontoereikendheid van deze bewijzen en elke mogelijkheid uitsluit dat de zaak wordt heropend op basis van hetzelfde geheel van aanwijzingen.

In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een persoon kan worden geacht ter zake van de hem verweten feiten „bij onherroepelijk vonnis” te zijn berecht in de zin van artikel 54 SUO indien de strafvervolging definitief is beëindigd, zodat de betrokken beslissing in deze overeenkomstsluitende staat tot bescherming uit hoofde van het beginsel ne bis in idem aanleiding geeft (Turanský).

Een beslissing die volgens het recht van de overeenkomstsluitende staat die een strafprocedure tegen een persoon heeft ingeleid, de strafvervolging op nationaal niveau niet definitief beëindigt, kan in beginsel geen procedurele belemmering zijn voor de inleiding of de voortzetting van een straf- procedure tegen deze persoon in een andere overeenkomstsluitende staat voor dezelfde feiten (Turanský).

Onderhavige casus

Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing is de beschikking van buiten- vervolgingstelling na het arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 2009 in kracht van gewijsde gegaan. Derhalve moet de strafvervolging als geëindigd worden beschouwd, zodat zij op het grondgebied van het Koninkrijk België in de weg staat aan hernieuwde strafvervolging van M wegens dezelfde feiten en op basis van hetzelfde geheel van aanwijzingen dat is onderzocht in het kader van de procedure die heeft geleid tot deze beschikking. De artikelen 246 tot en met 248 WbSv. bepalen namelijk in wezen dat de procedure enkel kan worden heropend indien nieuwe bezwaren zijn ingekomen, te weten, inzonderheid, bewijsmiddelen die nog niet zijn onderworpen aan het onderzoek van de kamer van inbeschuldigingstelling en haar beschikking van buitenvervolgingstelling kunnen wijzigen.

Overigens moet eraan worden herinnerd dat het Hof in punt 40 van zijn arrest Bourquain in verband met een verstekvonnis heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat deze strafprocedure naar Frans recht heropening van de procedure zou hebben geïmpliceerd, op zich evenwel niet uitsluit dat dat vonnis als een onherroepelijke beslissing in de zin van artikel 54 SUO wordt gekwalificeerd.

Handvest

Bovendien moet worden opgemerkt dat het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of ge- straft, eveneens is neergelegd in artikel 50 van het Handvest, zodat artikel 54 SUO in het licht daarvan moet worden uitgelegd.

In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de onherroepelijkheid van de betrokken strafrechtelijke beslissing moet worden beoordeeld krachtens het recht van de lidstaat die de beslissing heeft gegeven.

Vervolgens kan uit de toelichting bij artikel 50 van het Handvest, die voor de uitlegging ervan in aanmerking moeten worden genomen (Åkerberg Fransson), worden opgemaakt dat „[w]at de in artikel 4 van het Zevende Pro- tocol bedoelde situaties betreft, namelijk de toepassing van het beginsel binnen de rechtsmacht van dezelfde lidstaat, [...] het gewaarborgde recht dezelfde inhoud en reikwijdte [heeft] als het overeenkomstige recht van het EVRM”. Aangezien de onherroepelijkheid van een rechterlijke beslissing voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem op eventuele vervolging door een andere overeenkomstsluitende staat er volgens artikel 54 SUO van afhangt of deze beslissing onherroepelijk is in de overeenkomstsluitende staat waarin deze is gegeven, is dit punt van de toelichting in casu relevant.

Uit artikel 4 lid 2, van Protocol nr. 7 bij het EVRM vloeit immers voort dat het beginsel ne bis in idem dat is neergelegd in lid 1 van dat artikel zich niet verzet tegen de mogelijkheid van heropening van de zaak „indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten” die de uitkomst van de zaak zouden kunnen beïnvloeden.

In dat verband heeft het EHRM in Sergey Zolotukhin/Rusland geoordeeld dat artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM „relevant wordt wanneer een nieuwe strafprocedure wordt ingeleid en een eerdere vrijspraak of veroordeling reeds in kracht van gewijsde is gegaan”. Daarentegen kunnen buitengewone rechtsmiddelen niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling of de procedure definitief is afgesloten. Hoewel deze rechtsmiddelen een voort- zetting vormen van de eerste procedure, hangt de onherroepelijkheid van de beslissing niet van de uitoefening ervan af.

Onderhavige casus

In casu kan de mogelijkheid het gerechtelijk onderzoek te heropenen wegens nieuwe bezwaren, zoals vastgesteld in de artikelen 246 tot en met 248 Sv., niet afdoen aan de onherroepelijkheid van de beschikking van buitenvervolgingstelling die in het hoofdgeding aan de orde is. Deze mogelijkheid is weliswaar geen „buitengewoon rechtsmiddel” in de zin van deze rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, maar zij behelst de inleiding, bij wijze van uitzondering en op basis van andere bewijzen, van een afzonderlijke procedure en niet de zuivere voortzetting van de al afgesloten procedure. Overigens kan een eventuele nieuwe procedure die berust op een dergelijke mogelijkheid van heropening tegen dezelfde persoon en ter zake van dezelfde feiten, gezien de noodzaak na te gaan of de gegevens ingeroepen om heropening te rechtvaardigen, daadwerkelijk nieuw zijn, enkel worden ingeleid in de overeen- komstsluitende staat op het grondgebied waarvan deze beschikking is gegeven.

Conclusie

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF