Uitspraak in zaak Vidgen van het verwijzingshof na geslaagde klacht bij EHRM en herziening Hoge Raad

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4354 De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 5 september 2003 de verdachte vrijgesproken ter zake van deelneming aan een criminele organisatie (feit 1) en veroordeeld ter zake van medeplegen van de uitvoer van XTC (feit 2) en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij arrest van 13 december 2004 de verdachte ter zake feit 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juni 2006 het cassatieberoep verworpen en daarbij wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting gedurende het cassatieberoep de door het gerechtshof opgelegde gevangenisstraf verminderd tot vier jaren en drie maanden.

De verdachte heeft een klacht ingediend tegen Nederland bij het EHRM. Het EHRM heeft bij uitspraak van 10 juli 2012 geoordeeld dat de verdachte in Nederland geen eerlijk proces heeft gehad, omdat zijn recht om zelf een belastende getuige te kunnen ondervragen is geschonden.

Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM heeft verdachte een verzoek tot herziening ingediend.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juni 2013 de aanvraag tot herziening gegrond verklaard, het arrest van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, vernietigd en de zaak op de voet van artikel 472, eerste lid, in verbinding met artikel 471 Sv verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Ingevolge art. 476, vijfde lid, Sv doet het verwijzingshof opnieuw recht ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken.

Beoordeling hof

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het de bedoeling was dat de motoronderdelen waarin de XTC is aangetroffen vanuit Duitsland zouden worden verscheept naar Australië, naar het adres van bedrijf X. Verdachte, die woonachtig was in Australië, heeft begin 2001 gesproken met getuige S over het gebruik van een deel van diens fabriekshal voor het op te richten bedrijf, bedrijf X. Vanaf medio juli 2001 tot medio oktober 2001 is verdachte naar Europa gekomen en in die periode heeft hij ook bij zijn vader in Amsterdam verbleven. Gedurende de periode in Nederland heeft hij in ieder geval contact gehad met medeverdachte A en medeverdachte M en is hij aanwezig geweest bij gesprekken tussen medeverdachte M, medeverdachte A en zijn vader. Ook heeft hij het adres van de fabriekshal van getuige S, zijnde het adres waarheen de motorblokken werden verzonden, telefonisch opgevraagd op verzoek van zijn vader, die nauw betrokken was bij het transport. Na zijn terugkomst in Australië op 18 oktober 2001 heeft verdachte, met geld dat hij van zijn vader had gekregen, contant enkele maanden huur aan getuige S betaald en deze ruimte daadwerkelijk in gebruik genomen. Aldus heeft hij de afzetlocatie voor de motorblokken geregeld. Medeverdachte M heeft verklaard dat verdachte zou meedelen in de opbrengst van de pillen.

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien volgt, naar het oordeel van het hof, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde.

De verweren

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

I Invoer in Australië niet ten laste gelegd

Het voorbereiden van doorvoer naar of invoer in Australië door het oprichten van een bedrijf of het beschikbaar houden van een plaats in Australië om de XTC in te voeren is niet begrepen onder de daaraan in tijd en plaats voorafgaande uitvoer uit Nederland naar Duitsland, zelfs wanneer ten laste gelegd is uitvoer als bedoeld in art. 1 lid 5 van de Opiumwet. Het gaat om twee duidelijk (ook in de zin van art 68 Sr) te onderscheiden feiten. Voor het medeplegen van de uitvoer uit Nederland naar Duitsland zoals ten laste gelegd ontbreekt ieder bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het plan was om XTC-tabletten vanuit Nederland via Duitsland verstopt in motorblokken te verschepen naar Australië. Het hof begrijpt, gelet op de bewijsmiddelen, de tenlastelegging aldus dat sprake was van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de XTC-pillen met tussenbestemming Duitsland (waar de motorblokken ter verscheping in een container zouden worden verpakt) en eindbestemming Australië. Ten laste gelegd is het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen; niet is ten laste gelegd het uitvoeren naar Duitsland.

Het hof verwerpt het verweer.

II Geen bewuste en nauwe samenwerking

Door de raadsman is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte actief betrokken is geweest hij het plannen en uitvoeren van het ten laste gelegde feit of dusdanig betrokken is geweest bij zowel de planning als de uitvoering daarvan dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het plan was dat de motorblokken gevuld met XTC-tabletten naar Australië zouden worden verscheept. Voor zover uit de bewijsmiddelen en ook overigens uit het dossier blijkt, was verdachte de enige persoon in Australië die van dit transport (van de XTC-pillen) op de hoogte was. Weliswaar heeft verdachte niet aan de feitelijke uitvoer uit Nederland naar Duitsland deelgenomen, maar hij heeft wel geregeld dat er een opslagruimte in Australië beschikbaar was. Het regelen van een adres in Australië waarheen de motorblokken met daarin de XTC tabletten konden worden verzonden was een essentiële voorwaarde voor het doen uitvoeren van het (totale voorgenomen) transport. Immers zonder afleveradres in Australië konden de XTC-pillen niet worden afgezet op de kennelijk beoogde Australische markt van gebruikers. Verdachte heeft zulks geregeld en heeft zijn vader op de hoogte gebracht van het adres. Vervolgens is hij teruggekeerd naar Australië en heeft de huur van het desbetreffende pand geregeld en betaald. Medeverdachte M heeft verklaard dat de zoon van opa (zijnde verdachte) weet waar hij de spullen moet afhalen en verdachte en zijn vader samenwerken. Uit de verklaringen van medeverdachte M leidt het hof af dat verdachte wist dat er XTC-tabletten in de motorblokken werden verstopt. Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte een aanzienlijk bedrag (AUD 2.000,00 per maand) aan huur heeft betaald voor de loods. Dit bedrag staat niet in verhouding tot de opslag van slechts een handjevol motorblokken. Ook dit duidt erop dat de verdachte wist dat het om iets anders dan de motorblokken ging.

Voorts is gebleken dat verdachte samen met zijn vader een ontmoeting heeft gehad met medeverdachte M. De verklaring van verdachte dat hij weliswaar bij gesprekken aanwezig is geweest, maar niets daarvan heeft kunnen horen, acht het hof niet geloofwaardig. Voorts blijkt uit de verklaring van medeverdachte M dat verdachte, indien de export zou slagen, zou delen in de opbrengst van de XTC en wel in een mate (FL 1,50 per pil) die vergelijkbaar is met de medeplegers medeverdachte V (vader verdachte) (FL 1,- per pil) en medeverdachte A (FL 2,- per pil).

Gelet op bovenstaande heeft verdachte een zodanig belangrijke rol gehad in de taakverdeling rondom het ten laste gelegde transport dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Het hof verwerpt het verweer.

III Verklaring medeverdachte M uitsluiten van bewijs

Door de raadsman is aangevoerd dat de belastende verklaringen van medeverdachte M ten overstaan van de politie (2002) ook na diens verhoor door de raadsheer-commissaris op 23 april 2015 niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, terwijl bij uitsluiting van deze verklaringen het wettig en overtuigend bewijs tegen de verdachte voor de ten laste gelegde uitvoer in welke deelnemingsvorm dan ook ontbreekt. Deze verklaringen vormen immers doorslaggevend bewijs voor het opzet van verdachte en kunnen daarom alleen worden gebruikt als de verdediging deze getuige effectief heeft kunnen ondervragen. Daarvan is geen sprake, nu de getuige heeft verklaard zich niets meer te herinneren. Het is dus tijdens het verhoor niet mogelijk geweest voor de verdediging om de beschuldigende verklaring van deze getuige op enige wijze inhoudelijk aan de orde te stellen.

De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat het ondervragingsrecht ten gevolge van aan de Nederlandse autoriteiten toe te rekenen omstandigheden (tijdsverloop ten gevolge van met een eerlijk proces strijdige veroordelingen) ineffectief en in feite illusoir is geworden.

Het hof overweegt het volgende.

Medeverdachte M heeft in 2002 tegenover de politie een bekennende verklaring afgelegd en daarbij ook verklaard over de betrokkenheid en het aandeel van zijn mededaders. Later tijdens verhoren in het kader van een rogatoire commissie en ter zitting van het hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 6 augustus 2004 heeft medeverdachte M zich beroepen op zijn verschoningsrecht.

Na de verwijzing na herziening door de Hoge Raad is de getuige medeverdachte M op 23 april 2015 bij de raadsheer-commissaris gehoord in het bijzijn van de raadsman van verdachte. De getuige kon zich tijdens dat verhoor niet meer beroepen op zijn verschoningsrecht en de verdediging heeft toen de gelegenheid gehad om de getuige te ondervragen en tijdens het verhoor te observeren. De omstandigheid dat medeverdachte M op veel van de vragen heeft geantwoord dat hij zich niets meer daarover kan herinneren brengt op zich geen inbreuk mee op het ondervragingsrecht van de verdediging. Ook de omstandigheid dat deze getuige eerst na 15 jaar door de verdediging kon worden bevraagd evenmin. Het is inherent aan getuigenverklaringen dat door tijdsverloop de herinnering afzwakt, maar, het enkele tijdverloop brengt nog niet mee dat er geen inhoudelijke antwoorden op vragen hadden kunnen komen. Het is het hof niet gebleken dat de getuige weigerachtig is geweest op vragen te antwoorden en de verdediging heeft de gelegenheid gehad om de getuige te confronteren met zijn eigen eerder in het kader van deze strafzaak afgelegde verklaringen. De getuige is niet op die verklaringen terug gekomen. Het hof acht derhalve de verklaring van medeverdachte M zoals afgelegd tegenover de politie bij deze stand van zaken wel bruikbaar voor het bewijs en verwerpt het verweer. De raadsman heeft, voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat de belastende verklaring van medeverdachte M wel kan worden gebruikt, subsidiair verzocht om compensatie door middel van het horen van getuigen. Nu het hof van oordeel is dat de verdediging wel het ondervragingsrecht in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM heeft kunnen uitoefenen is het eventueel ter compensatie laten horen van getuigen zoals de verhorende ambtenaren niet aan de orde.

IV Verklaring medeverdachte M onbetrouwbaar

Door de raadsman is aangevoerd dat de belastende verklaring van medeverdachte M d.d. 20 februari 2002 - kort gezegd - niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en bovendien onbetrouwbaar is.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer van de raadsman dat de belastende verklaring van medeverdachte M onvoldoende wordt ondersteund wordt naar het oordeel van het hof verworpen door de bewijsmiddelen waaruit, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, het bewezen verklaarde volgt.

Dat de verklaring van medeverdachte M onbetrouwbaar zou zijn, omdat hij een duidelijk motief had om verdachte te beschuldigen in verband met de door hem in Duitsland genoten strafkorting, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De getuige heeft onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, ook niet verklaard dat hij eerder – om in zijn eigen strafzaak eventueel een lagere straf te bekomen – tegenover de politie onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Anders dan de raadsman stelt is medeverdachte M inhoudelijk niet teruggekomen op zijn belastende verklaring. Voorts houdt de omstandigheid dat medeverdachte M eerder is veroordeeld ter zake van meineed niet per definitie in dat aan de betrouwbaarheid van deze verklaring van medeverdachte M tegenover de politie moet worden getwijfeld.

Omtrent zijn beweegredenen om te verklaren over zijn eigen aandeel en dat van medeverdachten heeft medeverdachte M het volgende gezegd in zijn verhoor op 20 februari 2002 (EXA/V03/02 dossierpagina 62):

“Vraag: waarom vertelt u ons dit allemaal?

Antwoord: Zoals ik al heb aangegeven, heb ik al ongeveer 8 - 9 maanden geleden tegen medeverdachte A gezegd dat ik ermee wilde ophouden. Zo eenvoudig is het echter niet om ermee op te houden, omdat je natuurlijk teveel weet. Op een bepaalde manier ben ik daarom blij dat het zo is gelopen en ik een streep kan trekken onder datgene wat in feite mijn leven heeft verwoest (…) Wat vooral belangrijk is, is om het misverstand uit de weg te ruimen dit ik hier (…) zit om mijzelf schoon te spreken, ik wil de verantwoording voor wat ik heb gedaan op mij nemen (…). Van de andere kant is mij echter ook zeer duidelijk dat het zeer gevaarlijk is, wat ik hier allemaal vertel.. Ik wil daarmee natuurlijk niet het leven van mijn familie en mijn vriendin op het spel zetten. Ik weet zelf dat dit kan gebeuren, ook wanneer anderen dat niet zo serieus nemen. Ik was lang genoeg met medeverdachte A samen en weet hoe explosief hij kan zijn.”

Deze verklaring van medeverdachte M, die op het hof een authentieke indruk maakt, duidt er niet op dat medeverdachte M valse verklaringen over medeverdachten heeft afgelegd om er zelf beter van te worden.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de (bekennende) verklaringen van medeverdachte M in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de opgenomen vertrouwelijke communicatie, telefoontaps en observaties, het in de woning van medeverdachte M aangetroffen briefje met het adres in Australië waarheen de XTC-pillen moesten worden vervoerd en de verklaring van getuige S die, in afwijking van wat verdachte zelf verklaart, bevestigt dat een lading motoronderdelen naar de door verdachte van getuige S gehuurde loods in Australië zou worden getransporteerd, aanvankelijk in november 2001 en, na uitstel, later in december 2001.

Het hof heeft derhalve geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte M te twijfelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verdachte heeft meegewerkt aan het plannen van een transport van een grote hoeveelheid (ongeveer 104 kilogram) XTC-tabletten, verstopt in motorblokken met de beoogde eindbestemming Australië. De inbeslaggenomen hoeveelheid XTC-tabletten vertegenwoordigt bovendien een aanzienlijk marktwaarde. Verdachte heeft welbewust gehandeld om, naar blijkt uit de bewijsmiddelen, er financieel beter van te worden. Hij heeft daarbij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen van gezondheid en sociale veiligheid waartoe de productie van en handel in XTC leiden en voor de ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers van die tabletten.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 3 maanden.

Het hof ziet in de verstreken tijd sinds genoemd arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2006 geen reden om de straf verder te matigen, nu dit tijdsverloop inherent is aan de gevolgde procedure bij het Europese Hof. Sinds de beslissing van het EHRM op 10 juli 2012 is naar het oordeel van het hof de nodige voortvarendheid betracht in de herzienings- en verwijzingsprocedure. De Hoge Raad heeft, na indiening van de aanvraag tot herziening op 8 november 2012, binnen 7 maanden (op 4 juni 2013) op die aanvraag beslist. De verstreken tijd van 2 jaar en bijna 5 maanden voor de behandeling bij dit hof is, gelet op de door de raadsheer-commissaris gehouden verhoren, waaronder het verhoor van de verdachte middels een rogatoire commissie in Australië, niet onredelijk lang.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor het opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen in verband met een bijstandsuitkering

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4394 Het hof spreekt de verdachte vrij van het opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen in verband met een bijstandsuitkering. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde niet-opzettelijke variant ontslaat het hof de verdachte van alle rechtsvervolging nu hem daarvan geen rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt.

Achtergond

In de bewezen verklaarde periode ontving verdachte een bijstandsuitkering. Teneinde ‘uit de bijstandsuitkering te komen’ vatte verdachte het plan op om als zelfstandige te starten. Hij werd daarbij door of namens de gemeente Breda begeleid door naam 1 van instantie 1, naam 2 van de gemeente Breda, naam 3 van instantie 2 en naam 4 van de gemeente Breda.

De werkzaamheden die verdachte in dat traject zou ontplooien, bestonden onder meer uit het schrijven van boeken met als doel deze te verkopen. Daartoe had verdachte, via stichting 2 en stichting 1 een contract gesloten met uitgeverij. Het hof stelt vast dat de gemeente Breda en de achtereenvolgens bij het traject van verdachte betrokken ambtenaren of door de gemeente ingeschakelde derden hiervan op de hoogte waren. Ter illustratie hiervan kan dienen de omstandigheid dat de gemeente financieel heeft bijgedragen aan de vertaling van één van de door verdachte geschreven boeken, op rekening van stichting 2. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof steeds openheid van zaken gegeven over zijn werkzaamheden.

Het hof acht het op basis van het dossier voorts aannemelijk dat de verdachte, zoals hij consequent heeft verklaard, er met de gemeente over heeft gesproken, in de persoon van mevrouw naam 2, dat hij pas (mogelijke) inkomsten uit de verkoop van zijn boeken aan de gemeente zou opgeven, indien deze de daarmee samenhangende uitgaven zouden overstijgen. Die verklaring wordt immers ondersteund door de verklaring van naam 3 alsmede door de hiervoor gememoreerde omstandigheid dat de gemeente ervan op de hoogte was dat verdachte boeken schreef gericht op de verkoop waarbij beoogd werd dat verdachte in de toekomst geen uitkering meer nodig zou hebben. Ook overigens blijkt niet dat de gemeente, indachtig die omstandigheid, ooit bij verdachte heeft geïnformeerd of de door hem geschreven boeken (inmiddels) royalty’s genereerden.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan, naar het oordeel van het hof, aan verdachte geen rechtens relevant verwijt worden gemaakt van hetgeen is bewezen verklaard.

Het verweer slaagt derhalve, zodat het hof verdachte terzake het bewezen verklaarde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor in voorraad hebben gehad van enkele dozen met valse merkkleding

Gerechtshof Den Haag 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2833 De verdachte heeft enkele dozen met valse merkkleding in voorraad gehad. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat hij een hoeveelheid ondergoed van het merk Björn Borg in voorraad had, die voor een aanzienlijk lagere prijs dan de gebruikelijke handelsprijs zou worden verkocht, ‘om arme mensen blij mee te maken’. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze goederen valselijk van het merk Björn Borg waren voorzien, zodat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het in voorraad hebben van valse merkgoederen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor witwassen

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4358 In onderhavige zaak is sprake van verschillende geldstromen. Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen. Eerste geldstroom: geen witwassen omdat er geen sprake is van uit misdrijf verkregen geld. Tweede geldstroom: verduistering door ex-directeur van de Nederlandse importeur van Subaru, geld derhalve wel afkomstig uit misdrijf, maar geen (opzet)witwassen omdat geen sprake is van wetenschap c.q. redelijkerwijs moeten vermoeden dat geld afkomstig is van enig misdrijf, doordat in de gegeven omstandigheden een andere plausibele verklaring aanwezig was.

Procesverloop

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 februari 2010

het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte heeft tegen voornoemd arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 september 2012 voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking

Het hof is - gehoord het requisitoir van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman - en gezien de stukken van het geding van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen aan en medeplichtigheid van verduistering in dienstbetrekking.

Vrijspraak witwassen

De verdachte is directeur en enig aandeelhouder van bedrijf 1. Bedrijf 1 is vanaf 1989 bedrijf 3 dealer op grond van een dealercontract. Dagelijkse betalingen van bedrijf 1 werden in de periode die ten laste is gelegd gedaan door de verdachte alsmede door de echtgenote van de verdachte, de medeverdachte 1. Zij zorgde eveneens grotendeels voor de boekhouding van bedrijf 1.

De heer naam 1 was van 1 april 2002 tot en met 31 maart 2004 voorzitter van de raad van bestuur van N.V. bedrijf 3 Benelux. Hij werkte sedert 1980 bij bedrijf 3 Nederland B.V. Vanaf 1999

tot 1 april 2002 was hij directeur van bedrijf 3 Nederland. Hij zat tevens in de raad van bestuur van die onderneming. Als directeur was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van bedrijf 3 Nederland.

Het moederbedrijf van N.V. bedrijf 3 Benelux is bedrijf 4, de hoofdaandeelhouder. Bedrijf 4 Europe (MAE) behartigt de Europese belangen van bedrijf 4. Naam 1 was tevens general manager van MAE. Hem was gevraagd dit bedrijf te helpen oprichten. De heer medeverdachte 2 was sinds 1996 hoofd van de boekhouding en sedert 2002 directeur accountboekhouder van bedrijf 3. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken binnen bedrijf 3.

Eind/midden jaren negentig stond bedrijf 1 er financieel slecht voor. naam 1 heeft toen samen met de toenmalige accountmanager van bedrijf 3 - naam 2 - bij de bedrijf bank een regeling getroffen voor bedrijf 1. Nadat naam 2 met pensioen was gegaan is met de bedrijf overeengekomen dat medeverdachte 2 dit traject zou bewaken. medeverdachte 2 was de contactpersoon tussen de bankier, de verdachte en bedrijf 3 Benelux. Vanuit bedrijf 1 gaan in de periode van 1999 tot en met 2003 grote contante geldstromen naar bedrijf 3. Deze geldstromen kunnen op de navolgende wijze worden uitgesplitst:

Geldstroom A

Bedrijf 1 betaalt de auto’s die bedrijf 3 aan haar levert contant, waarbij opvalt dat bedrijf 1 op haar beurt grotendeels contant wordt betaald door haar afnemers. Ook als de afnemers van bedrijf 1 niet contant betalen wordt het geld niet overgemaakt, maar gedeeltelijk door de verdachte dan wel zijn echtgenote cash opgenomen bij de bank om het vervolgens cash aan medeverdachte 2 van bedrijf 3 te overhandigen.

Geldstroom B

Er wordt geld op de rekening van bedrijf 1 gestort door bedrijf 3. Dit geld wordt opgenomen door de verdachte dan wel zijn echtgenote waarna het vrijwel onmiddellijk in contante vorm wordt overhandigd aan medeverdachte 2.

Medeverdachte 2 heeft bekend vele miljoenen te hebben verduisterd. Hij heeft, aldus zijn verklaring, alles vergokt. Medeverdachte 2 is veroordeeld voor verduistering van vele miljoenen euro’s.

Geldstroom A

Over de contante betalingen door bedrijf 1 aan hem verklaart medeverdachte 2 dat het betalingsverkeer tussen bedrijf 1 en bedrijf 3 soms elektronisch, soms per verrekening en in het merendeel van de gevallen contant ging. De verdachte dan wel zijn echtgenote brachten dit geld naar hem, waarna hij dan wel de administratie het geld in ontvangst nam. Een bewijs van ontvangst werd veelal later getekend. Ze werkten veel op vertrouwen en uit de kwitanties in zijn bureau zal blijken wat hij verduisterd heeft, aldus medeverdachte 2. Deze wijze van handelen spruit voort uit problemen die bedrijf 1 in het verleden had met de bank, daarom werd alles vanaf toen cash gedaan. medeverdachte 2 verklaart voorts “Ik kreeg dit geld van bedrijf 1 omdat zij in de veronderstelling waren dat dit geld werd weggeboekt tegen openstaande facturen van bedrijf 3 aan bedrijf 1”. Deze methode is, aldus medeverdachte 2, niet bedacht om geld te kunnen verduisteren. medeverdachte 2 zag pas later de mogelijkheden hiervan.

De accountant van bedrijf 1, de heer naam 3, van bedrijf 5 Accountants te Rotterdam verklaart op de hoogte te zijn geweest van de liquiditeitsproblemen die er destijds waren. Hij was aanwezig bij de gesprekken die destijds gevoerd zijn met de bank. Ook verklaart hij dat hij al in het eerste jaar dat bedrijf 1 klant was (1998) gestuit was op contant betalingen aan de importeur bedrijf 3. Het idee was van de financieel directeur van bedrijf 3, de heer medeverdachte 2. naam 3 kreeg het idee dat de verdachte een groot vertrouwen had in bedrijf 3 Benelux en in de heer medeverdachte 2, welk vertrouwen volgens naam 3 ook wel begrijpelijk was, aangezien bedrijf 3 in de personen van naam 1 en medeverdachte 2 voor de betalingsregeling met de bank gezorgd hadden. Dat er grote sommen contant geld door bedrijf 1 naar Aalsmeer werden gebracht wist de accountant vanaf het eerste moment dat bedrijf 5 de jaarstukken samenstelde voor bedrijf 1.

Het hof is van oordeel dat aan deze contante betalingen een legale/geldige titel ten grondslag ligt. De verdachte en/of zijn medeverdachte betaalde(n) voor de producten/auto’s die aan bedrijf 1 waren geleverd. medeverdachte 2 trad daarbij op als vertegenwoordiger van bedrijf 3, bedrijf 1 ontving kwitanties, de accountant van bedrijf 1 was van dit alles op de hoogte en verwerkte een en ander in de boekhouding.

Nu deze geldstroom van bedrijf 1 naar medeverdachte 2/bedrijf 3 is gestoeld op een legale titel kan niet gezegd worden dat dat geld afkomstig is uit enig misdrijf. Van medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan verduistering is geen sprake, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van witwassen. Dat medeverdachte 2 op enig moment zich deze gelden is gaan toe-eigenen, maakt dit niet anders, dat moment ligt immers later. Dat bedrijf 1 door deze wijze van betalen mogelijk wanprestatie pleegde – gelet op de afspraken tussen bedrijf, bedrijf 3 en bedrijf 1 – ten opzichte van de bank lijkt waarschijnlijk, maar dat is strafrechtelijk irrelevant.

Geldstroom B

Het hof is van oordeel dat de verdachte ook in verband met deze geldstroom moet worden vrijgesproken van medeplegen van opzet- en schuldwitwassen. Geconcludeerd kan weliswaar worden dat de verdachte en zijn echtgenote wisten dat zij zowel de bank als het moederbedrijf van bedrijf 3 om de tuin aan het leiden waren teneinde bedrijf 1 te kunnen laten voortbestaan c.q. te laten groeien, maar dit houdt tevens in dat zij - tegen die achtergrond bezien - redelijkerwijs niet behoefden te bevroeden dat het geld dat zij ontvingen van en weer overdroegen aan medeverdachte 2/bedrijf 3 van misdrijf afkomstig was en naar medeverdachte 2 (en niet naar bedrijf 3) ging. Dit klemt temeer indien daarbij wordt betrokken dat medeverdachte 2 (en ook naam 1) binnen bedrijf 3 reeds jaren vooraanstaande posities aannamen. Dit laatste kan tevens verklaren waarom medeverdachte 2 de verdachte en zijn echtgenote - toen het niet goed voelde in oktober 2003 - toch kon overhalen het weer te doen. Ook hier kan gezegd worden dat verdachtes gedragingen civielrechtelijk wellicht niet in orde waren, maar dit levert strafrechtelijk geen witwassen op. Dit laatste geldt - naar het oordeel van het hof - ook voor overboekingen eind december 2003 en begin januari 2004 van geld van bedrijf 3 naar de Visa-rekening van medeverdachte 2. Immers, jarenlang was medeverdachte 2 in staat geweest binnen en buiten bedrijf 3 misbruik te maken van het hem geschonken vertrouwen, spelde hij een ieder van alles op de mouw, maar werd hij gezien als de ideale werknemer. Dit was het beeld dat de verdachte en zijn echtgenote van hem hadden en waardoor zij zich hebben kunnen laten overrompelen. Er is geen reden te veronderstellen dat zij deze betalingen niet ook gewoon aan de accountant van bedrijf 1 zouden hebben opgegeven (in de veronderstelling dat de betalingen aan bedrijf 3 ten goede waren gekomen) zodat van verhullen of verbergen als bedoeld in de artikel 420bis Sr geen sprake is. Dat de accountant deze betaling niet klakkeloos zou hebben geaccepteerd en dat medeverdachte 2 dan in de problemen zou zijn gekomen leidt (gezien het in de rekening-courantverhouding opnemen van het hiervoor aan de orde gekomen bedrag van € 11.500,00) naar het oordeel van het hof geen twijfel, ware het niet dat medeverdachte 2 inmiddels (al) bij bedrijf 3 was ontmaskerd.

Gedeeltelijke verjaring van het ten laste gelegde schuldwitwassen

Naar het oordeel van het hof volgt uit art. 71 Sr dat het misdrijf van schuldwitwassen zou zijn voltooid na het afgeven van de geldbedragen door de verdachte en de medeverdachte aan medeverdachte 2. Dit betekent dat alleen die bedragen buiten de verjaring vallen die zijn overgemaakt naar de credit card rekening van medeverdachte 2 op 30 december 2003 en 2 januari 2004. Voor het overige dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging voor dit ten laste gelegde feit, aangezien het recht tot strafvordering door een tijdsverloop van twaalf jaar is vervallen.

Vrijspraak schuldwitwassen

Het hof verwijst voor de bewijsoverwegingen ten aanzien van die betalingen die nog aan de orde zijn naar hetgeen daaromtrent is overwogen ter zake het witwassen.

Ook hier is de slotsom dat de verdachte moet worden vrijgesproken van schuldwitwassen.

Conclusie

Het hof verklaart het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk voor het ten laste gelegde schuldwitwassen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 19 oktober 2003 en verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling oplichting verzekeringsmaatschappij

Gerechtshof Amsterdam 20 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3782 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van een verzekeringsmaatschappij door opzettelijk in strijd met de waarheid een Apple Macbook als gestolen op te geven. De verdachte heeft in strijd met de waarheid aan de politie en de verzekeringsmaatschappij gemeld dat zij eigenaar zou zijn van een van haar gestolen goed.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hetgeen haar wordt verweten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte verzamelde haar aankoopbonnen in een schoenendoos. De neef, die de verdachte hielp met het invullen van de lijst met gestolen goederen, noemde de onderscheidenlijke aankoopbonnen stuk voor stuk op, aangezien de schrijf- en leesvaardigheid van de verdachte onvoldoende is. De verdachte gaf vervolgens aan of het goed gerelateerd aan de door hem genoemde aankoopbon al dan niet was gestolen. De neef vroeg bij het zien van de aankoopbon van het betreffende Apple Macbook of de verdachte een “Apple” had die mogelijk was gestolen. De verdachte had verscheidene Apple apparaten (en computers) en bevestigde dat er een Apple-product van haar gestolen was, niet bedoelende het betreffende Apple Macbook. Bij het invullen van de lijst met gestolen goederen was er dus reeds sprake van een misverstand.

Toen een medewerker van bedrijfsnaam langskwam om de schade vast te stellen, heeft de verdachte hem de hele schoenendoos met aankoopbonnen overhandigd. Voornoemde medewerker heeft de verdachte uitdrukkelijk meegedeeld dat kopiebonnen niet in behandeling zouden worden genomen. De verdachte ging er daarom vanuit dat de kopiebonnen in de schoenendoos niet gebruikt zouden worden en heeft daar verder niet te lang bij stilgestaan, omdat zij wist dat er reeds genoeg originele bonnen in de schoenendoos zaten om tot het maximaal uit te keren bedrag te komen. De verdachte had derhalve geen opzet de verzekeraar te bewegen of uit te lokken tot afgifte van enig goed met de (kopie) aankoopbon van het Apple Macbook, nog daargelaten dat de verzekeraar met een kopiebon (formeel) nergens toe kon worden bewogen. Voorts zou de “beweging” tot uitkeren hoe dan ook hebben plaatsgevonden, aangezien de verdachte genoeg originele bonnen had overhandigd om tot uitkering van het maximaal te vergoeden bedrag te komen. Het was voor de verdachte derhalve volstrekt onnodig om te sjoemelen met aankoopbonnen.

Achteraf is duidelijk geworden hoe de aankoopbon van de Macbook bij de verdachte in de schoenendoos terecht is gekomen. Naam 1, een vriend van de zoon van de verdachte, was bevriend met mevrouw getuige: de eigenaresse van het Apple Macbook. Het Apple Macbook van mevrouw getuige is door naam 1 getaxeerd bij de ex-man van de verdachte. Zodoende is er een kopie van de betreffende aankoopbon terecht gekomen bij de familie. Waarschijnlijk heeft de verdachte de aankoopbon in de schoenendoos gelegd en is zij er niet bewust van geworden wat voor bon het was, dan wel nam zij aan dat deze bon hoorde bij een van de computers van haar kinderen. Aldus steeds de raadsman.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De aanvullende aangifte van 21 september 2011, waarbij een goederenlijst van gestolen goederen is meegestuurd, is in samenspraak met de verdachte opgemaakt door haar neef. Op deze goederenlijst staat genoemd een Apple Macbook (laptop) met witte kleur en als bijzonderheid dat het een Intel core duo 2.4Ghz betreft.

De verdachte heeft vervolgens op 26 september 2011 bij de verzekeraar een schade-aangifte formulier ingediend met een verwijzing naar het politierapport in verband met de gegevens van de beschadigde en/of vermiste voorwerpen. Naar aanleiding hiervan is op 13 oktober 2011 een schade-expert bij de verdachte langsgekomen om de schade vast te stellen. De verzekeraar heeft in de aangifte verklaard dat tijdens het expertise-onderzoek de expert heeft gesproken met de verdachte. De verdachte heeft blijkens het rapport van de schade-expert het bezit van ontvreemde eigendommen aangetoond met aankoopnota’s, gebruiksaanwijzingen en contracten. Tevens heeft de verzekeraar in de aangifte verklaard dat de verdachte aan de expert kopieën ter hand stelde, waarmee zij het voormalig bezit van de ontvreemde goederen aantoonde. In overleg met de verdachte is vervolgens de schade ten aanzien van het Apple Macbook (wit) vastgesteld op € 999,00. Dat de verdachte een schoenendoos met aankoopnota’s aan de schade-expert zou hebben overhandigd, dan wel dat slechts originele aankoopfacturen konden worden overgelegd, volgt uit voorgaande geenszins.

Uit onderzoek is komen vast te staan dat de door de verdachte aan de schade-expert overgelegde aankoopbon van het Apple Macbook was vervalst. Op basis van het factuurnummer en de datum werd bekend dat op 8 januari 2011 het betreffende Apple MacBook was gekocht door de getuige. Op de originele aankoopbon stonden ook de n.a.w.-gegevens van de getuige, die op de door de verdachte overgelegde aankoopnota waren weggeretoucheerd. De getuige heeft verklaard de aankoopnota te herkennen en verder heeft zij het betreffende Apple MacBook nog in haar bezit.

Het hof volgt niet de lezing van de raadsman over de gang van zaken betreffende de route die de aankoopnota zou hebben gevolgd. Die lezing geeft hooguit antwoord op de vraag hoe de aankoopnota in het bezit van de verdachte is gekomen, maar verklaart in het geheel niet hoe het kan dat er een aankoopnota door de verdachte aan de schade-expert is overhandigd ter zake een door haar aangegeven gestolen voorwerp, waarbij de originele n.a.w.-gegevens zijn weggeretoucheerd en waarbij in overleg met de verdachte op grond van deze overgelegde nota de schade is vastgesteld.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat de verdachte, met het oogmerk om zich of een andere wederrechtelijk te bevoordelen, met een valse aangifte, een valse schadeclaim en een vervalste kopiefactuur de verzekeraar heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van tenminste € 999, terwijl zij daar in het geheel geen recht op had. Van enig misverstand ter zake een ander gestolen Apple product is overigens niet gebleken. De verdachte heeft immers, op de opmerking van de verbalisanten dat volgens de aangifte twee laptops en twee computers zijn weggenomen, geantwoord: “ja vier computers in totaal, waarvan twee laptops.”

Bewezenverklaring

Oplichting

Strafoplegging

Taakstraf van 25 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor sturen dreigbrief aan kantonrechter door “klokkenluider”

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4376 Mede gelet op de rapportages kunnen de gedragingen de verdachte, die al jarenlang een gevecht als “klokkenluider” tegen de overheid voert, hem slechts in verminderde mate worden toegerekend. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte geen redelijke weerstand heeft kunnen bieden aan de door hem gestelde psychische drang.

Vrijspraak?

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging op de grond dat bij de verdachte het opzet ontbrak om kantonrechter (slachtoffer) vrees aan te jagen. Het was een wanhoopsdaad van de verdachte om met de overheid, die al zoveel jaren niet naar hem wilde luisteren en hem dwarsboomde, in contact te komen. De brief van de verdachte is een onsamenhangende brij van woorden, een onbeheerste uiting van woede en onmacht van de verdachte was jegens “de overheid” in het algemeen. De dreigementen waren derhalve niet gericht tegen de persoon van [slachtoffer]. Laatstgenoemde heeft daarom aan deze brief niet de redelijke vrees kunnen ontlenen dat hij het leven zou verliezen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

In dit geval zijn de bewezenverklaarde bewoordingen van de brief van de verdachte van dien aard dat bij [slachtoffer] zonder meer de vrees kon ontstaan dat de verdachte hem naar het leven stond en uitvoering zou worden geven aan hetgeen werd aangekondigd. De onheilspellende inhoud van de brief werd kracht bijgezet doordat het verstekvonnis, dat de woede van de verdachte had opgewekt, in stukken gescheurd was bijgevoegd. Daarbij komt dat [slachtoffer] (naar mag worden aangenomen: ambtshalve) bekend was met de verdachte en dat bij de rechtbank [gemeente naam 1] – niet zonder grond – de mare ging dat de verdachte ‘Afghanistan-veteraan’ is, zodat verondersteld mocht worden dat hij vuurwapens kan hanteren.

Dat jarenlange opgebouwde frustratie bij de verdachte jegens de overheid debet is geweest aan zijn handelen, doet aan het bedreigende karakter ervan bepaald niet af.

De omstandigheid dat de verdachte met zijn schrijven de verderstrekkende bedoeling heeft gehad om met de overheid in gesprek te komen, laat onverlet dat hij de brief willens en wetens heeft geschreven en bezorgd en dat het niet anders kan dat hij zich daarbij van de dreiging die van de brief (noodzakelijker-wijs of waarschijnlijk) zou uitgaan, bewust is geweest. Bewezen kan dan ook worden dat de verdachte het opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer].

Het verweer wordt mitsdien in beide onderdelen verworpen.

Psychische overmacht

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet strafbaar is voor het ten laste gelegde feit op de grond dat sprake is van psychische overmacht. Hij heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is gesteld dat bij de verdachte, die voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit als klokkenluider al jarenlang een gevecht tegen de overheid voerde, sprake was van een latent aanwezige psychische druk, waarheidsvervorming, angststoornissen en mogelijk een posttraumatische stress-stoornis. De ontvangst van het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis is een van buiten komende omstandigheid geweest, waartegen hij zich niet heeft kunnen beheersen, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat voor aanvaarding van een beroep op psychische overmacht moet sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

In dit geval geldt dat de psychische druk die de verdachte – naar is aangevoerd – naar aanleiding van de betekening van het gewraakte verstekvonnis ervoer, niet los gezien kan worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte. Dit volgt uit de na te melden inhoud van de rapporten van gedragskundigen, maar ook al uit de stellingen van de raadsman. Van een van buiten komende drang kan dan ook niet worden gesproken, reden waarom het verweer wordt verworpen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Artikel 12 Sv-procedure: Geen vervolging voor meineed, geen bewijs dat politieagent opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4203 Na een melding in de nacht van 16 op 17 april 2013 van een aanrijding tussen een trein en een persoon werd te plaats door de politie het lichaam van de destijds vijfentwintigjarige dochter van klaagster, overledene, levenloos op het treinspoor aangetroffen. Naast het lichaam werd een handtas gevonden waarin persoonlijke bescheiden van klaagsters dochter.

Door de politie zijn diverse onderzoekshandelingen verricht. Op het lichaam van klaagsters dochter is sectie verricht; verscheidene personen zijn gehoord; camerabeelden zijn bekeken en er heeft onder andere onderzoek plaats gevonden in de woning van de overledene.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de officier van justitie tot de conclusie gekomen dat sprake was van zelfdoding.

In de nacht van 16 op 17 april 2013 was beklaagde – als brigadier van politie – met zijn collega verbalisant 1 betrokken bij het eerste onderzoek ter plaatse van de aanrijding.

Het standpunt van klaagster

Namens klaagster is op 18 november 2014 aangifte gedaan van meineed door beklaagde in een proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2014. Beklaagde heeft daarin volgens de aangifte in strijd met de waarheid geverbaliseerd dat op een in de handtas aangetroffen briefje niet alleen vertrektijden van treinen stonden vermeld, maar ook een looproute en tekst met betrekking tot een openstaand hek langs het spoor.

In dit proces-verbaal van bevindingen is vermeld:

“Ook zat er een briefje in de tas. Toen wij het briefje openvouwden zag ik dat er meerdere tijdstippen op het briefje stonden geschreven. Ik meen mij te herinneren dat op het briefje de laatste trein tijd stond. Dit was de trein vanuit plaats naar plaats. Ik weet niet meer hoe het stond geschreven, maar wel dat er een looproute vanaf het station plaats naar de bewuste plaats van het ongeval ook op het handgeschreven briefje stond. Zelf waar je het spoor het beste kon betreden. Ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven, maar ik weet nog wel dat er iets stond beschreven over een “hek”. (…)

Het tasje met de eerdergenoemde inhoud hebben wij overgedragen aan de hulpofficier van justitie van het KLPD verbalisant 2.”

Uit het feit dat klaagster een dergelijk briefje niet samen met de handtas van de politie heeft teruggekregen, maar wel een briefje met vermelding van enkel treinvertrektijden, volgt volgens klaagster dat een dergelijk briefje niet in de handtas zat en dat beklaagde derhalve daarover opzettelijk in strijd met de waarheid heeft geverbaliseerd.

De beslissing van de officier van justitie

Na onderzoek (waarover hierna meer) is de zaak geseponeerd wegens onvoldoende aanwijzingen voor het plegen van een strafbaar feit. Volgens de officier van justitie kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het door klaagster van de politie teruggekregen briefje daadwerkelijk hetzelfde briefje is, als het briefje dat in de nacht van 16 op 17 april 2013 werd aangetroffen door beklaagde en zijn collega.

De inhoud van het beklag

Klaagster kan zich hiermee niet verenigen. Volgens klaagster is er voldoende bewijs dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Zij stelt dat uit het onderzoek volgt dat sprake is geweest van slechts één briefje waarop enkel treinvertrektijden waren vermeld; de weergave van beklaagde in bedoeld proces-verbaal van 2 januari 2014 – waarin ook sprake is van een looproute – is opzettelijk foutief.

De onderzoeksbevindingen

Naar aanleiding van de aangifte van klaagster is onderzoek gedaan. Verschillende betrokken politiemensen hebben een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en beklaagde en zijn collega met wie hij samen op de plaats van de aanrijding onderzoek had gedaan, verbalisant 1, zijn gehoord.

Verbalisant 2 heeft op 22 mei 2013 geverbaliseerd dat bij het slachtoffer een handtas werd aangetroffen met daarin persoonlijke bescheiden en enkele geschriften.

Door verbalisant 2 is op 24 januari 2014 voorts geverbaliseerd dat collega’s na het spoorwegongeval een tasje onder zich hadden, kennelijk afkomstig van het slachtoffer Hij weet niet meer of het tasje met de spoorwegpolitie is meegegaan of met het lichaam van het slachtoffer in het voertuig van de begrafenisondernemer.

Volgens hun proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2014 hebben de verbalisanten 3 en 4 van het KLPD op 17 april 2013 in het mortuarium van het Medisch Centrum plaats voor het eerst een wit briefje gezien met daarop handgeschreven tijden en namen van stations. Voor zover zij zich kunnen herinneren stond daar geen looproute op. Dit briefje zat in de handtas van het slachtoffer. De handtas met daarin het briefje is overgedragen aan de politie te plaats.

In het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2014 hebben de verbalisanten 5 en 6 vermeld dat op 18 april 2013 in het werkjournaal was opgenomen dat naast twee reisbiljetten ‘in de tas tevens vel papier zat met daarop handgeschreven reisschema

21:07 Spoor 8 plaats M

21:47 plaats 4B

21:50 of 56 3 plaats

22:24 plaats 3’.

Beklaagde heeft op 9 december 2014 verklaard dat zijn collega het tasje opende. Deze pakte een briefje uit de tas, dat zij samen hebben bekeken; hij heeft maar één briefje gezien. Het ging vrij snel. Zijn collega heeft het briefje teruggedaan in het tasje en aan de mensen van de spoorwegpolitie gegeven; hij weet niet meer aan wie. Het hem getoonde briefje, dat klaagster van de politie heeft gekregen, is niet hetzelfde briefje als hij eerder heeft gezien.

Verbalisant 1 heeft op 11 december 2014 verklaard dat in het handtasje een paar papiertjes zaten. Hij zag dat meteen want het tasje was open. De witte papiertjes staken af tegen de donkere kleur van het tasje. Hij haalde de papiertjes uit de tas. Zijn collega stond achter hem en keek mee. Beiden hadden zicht op de papiertjes. Hij denkt dat er twee papiertjes waren; in elk geval meer dan één. Alles is overgedragen aan verbalisant 2 van het KLPD. Hij weet niet meer of de briefjes terug in de tas zijn gegaan of los aan het KLPD zijn gegeven. Hij herkent het hem getoonde briefje niet, hij had iets anders in zijn hoofd. Hij weet niet meer hoe het op het briefje stond, maar er stond iets over een hek dat niet op slot zat.

De beoordeling van het beklag

Het hof heeft allereerst te beoordelen of vervolging op basis van de aanwijzingen in het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou komen. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden.

Om tot een bewezenverklaring van meineed te kunnen komen dient –kort weergegeven- vast te komen staan dat beklaagde opzettelijk op ambtseed een valse verklaring in zijn proces-verbaal heeft opgenomen.

Meineed met betrekking tot een ambtsedig proces-verbaal is een ernstig feit omdat er, ook vanwege de bewijswaarde die aan dergelijke stukken wordt gehecht, op vertrouwd moet kunnen worden dat politieambtenaren in hun processen-verbaal de waarheid weergeven.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet met de zekerheid die voor een strafrechtelijke veroordeling ter zake van meineed nodig is kan worden vastgesteld dat slechts één briefje in de handtas aanwezig was.

Voorop dient te staan dat in zaken als deze, waarbij een persoon is komen te overlijden, door politie en justitie de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht en dat zo veel mogelijk feiten en omstandigheden in een zo vroeg mogelijk stadium worden vastgelegd. Op het punt van de beschrijving van de inhoud van de handtas van klaagsters dochter en de chain of custody – de weergave van hetgeen met deze voorwerpen vervolgens is gebeurd – schort het daaraan in deze zaak. Er ontbreekt een proces-verbaal waarin is vastgelegd wat in de handtas is aangetroffen; evenmin zijn foto’s gemaakt van de tas en de inhoud daarvan. Niet is vastgelegd aan wie de eigendommen zijn overgedragen en/of hoe deze in het mortuarium zijn gekomen.

Dat onvolkomenheden in het begin van het onderzoek later strafrechtelijk onderzoek kunnen bemoeilijken, behoeft geen betoog. Het is evenzeer duidelijk dat door dergelijke onvolkomenheden afbreuk wordt gedaan aan de belangen van nabestaanden die geconfronteerd werden met het overlijden van een familielid en die in verband daarmee de wens hebben zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over hetgeen gebeurd is.

Het hof moet vaststellen dat duidelijkheid over de inhoud van de handtas helaas niet meer kan worden verkregen.

Dat in deze zaak dergelijke onnauwkeurigheden zich wreken, komt naar voren in het proces-verbaal dat beklaagde van zijn waarnemingen op 2 januari 2014 - ruim acht maanden later – opmaakte. In dat proces-verbaal zijn immers enige slagen om de arm gehouden: “ik meen mij te herinneren”, “ik weet niet meer hoe het stond geschreven” en “ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven”.

Zo kon de onduidelijkheid ontstaan en in stand blijven ten aanzien van de vraag of in de handtas meer dan één handgeschreven briefje aanwezig is geweest.

Op grond hiervan en van de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaringen – in het bijzonder die van verbalisant 1 en verbalisant 2 - kan in elk geval niet worden uitgesloten dat beklaagde (ook) een ander briefje (dat daarna in het ongerede zou zijn geraakt) onder ogen is gekomen dan het briefje dat aan klaagster door de politie is overhandigd.

Aanknopingspunten voor nader onderzoek zijn er niet.

Het hof acht het daarom zo goed als uitgesloten dat het jegens beklaagde tot een veroordeling ter zake van meineed zou kunnen komen.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat onvoldoende gronden aanwezig zijn om een vervolging ter zake van meineed te bevelen.

Het hof zal het beklag dan ook afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Zaak "Passage": Strekking en reikwijdte verschoningsrecht getuige ex art. 217 Sv in gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaken.

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4303

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart bloedverwant te zijn van de verdachten zoon van getuige en neef van getuige, verklaart geen bloed- of aanverwant van de overige verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat de getuige is aangemerkt als verdachte in een strafzaak in Italië en dat in een de getuige betreffende ontnemingszaak – die ziet op feiten vanaf 1993 – cassatieberoep is ingesteld, zodat de getuige mogelijk een beroep op enkele vormen van verschoningsrecht toekomt.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht op de vraag wanneer ik in hoger beroep voor het eerst een terechtzitting heb bijgewoond.

De advocaat-generaal dringt aan op beantwoording van deze vraag. […]

Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn en beantwoording van de laatste vraag de getuige kan blootstellen aan het gevaar van een ongunstige beslissing in de ontnemingszaak.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige niet zonder meer een onverkort verschoningsrecht toekomt.

De getuige deelt desgevraagd mede dat hij zich op alle vervolgvragen zal beroepen op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal merkt op dat zij nadere vragen heeft over de periode 2014-2015.

De getuige verklaart als volgt:

[…] Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich andermaal op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige wat betreft deze vraag geen verschoningsrecht toekomt. Zij dringt aan op beantwoording van de vraag.

De voorzitter houdt de getuige een proces-verbaal van bevindingen betreffende het verhoor door de politie van de getuige op 30 april 2015 voor:

“Getuige [getuige] verklaarde ons dat hij ten overstaan van ons geen verklaring wenste af te leggen. Eventueel zou hij dat dan wel voor de rechtbank doen. Wel wil hij het volgende aan ons kwijt:

Was er maar een rechter die wel voor de waarheid ging. […] Justitie doet niet aan waarheidsvinding. […] Iedereen wordt maar gehoord. En over die moorden wil ik nog het volgende kwijt, jullie weten zelf wel wie de daders zijn, iedereen weet dat.”

De voorzitter merkt op dat deze inhoud van dit proces-verbaal zijn nieuwsgierigheid prikkelt en vraagt de getuige toe te lichten op welke moorden en daders hij doelt en nodigt de getuige uit al zijn wetenschap dienaangaande te delen met het hof.

De getuige verklaart als volgt:

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Op vragen of ik – van [kroongetuige 2] of anderen – heb gehoord over mogelijke betrokkenheid van [kroongetuige 2] bij strafbare feiten, zoals de moord op [slachtoffer], beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt, zakelijk weergegeven, het volgende op.

De intentie van de advocaat-generaal zal zijn gericht op het helpen van hun eigen zaak. U, voorzitter, vraagt mij of ik met deze laatste zinsnede doel op de door het openbaar ministerie na te streven waarheidsvinding. Dat weet ik niet. De getuige wil de rechtsgang voor zijn bloedverwanten niet compliceren. Er komt hem een verschoningsrecht toe.

Na een korte onderbreking voor beraad stelt de voorzitter de procesdeelnemers in de gelegenheid om een standpunt in te nemen met betrekking tot het beroep van de getuige op diverse vormen van verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

De onderbouwing van het beroep op het verschoningsrecht is algemeen van aard en is ontoereikend om een verschoningsrecht aan te nemen met betrekking tot de vragen die zien op de periode 2014-2015 en de contacten van de getuige met diverse andere getuigen. Met betrekking tot de overige vragen komt de getuige een verschoningsrecht toe.

Ik acht van belang om de suggestie van de advocaat van de getuige, dat onze vragen zijn gericht op het “verder helpen van [onze] eigen zaak”, te weerspreken. Het is in het kader van waarheidsvinding en met het oog op de waardering van diverse getuigenverklaringen van belang om vast te stellen of er onderlinge contacten zijn geweest. Dat is de reden dat er vragen worden gesteld.

Ik wens de getuige aanvullende vragen te stellen, onder meer over de getuige “[codenaam bedreigde getuige]”.

Mr. Janssen (raadsman van de zoon van de getuige) voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

De wetgever heeft het verschoningsrecht voor bloedverwanten in het leven geroepen vanuit de gedachte dat getuigen in een onmogelijke positie kunnen worden gebracht als zij een verklaring moeten afleggen in de strafzaak tegen bijvoorbeeld hun eigen kind. Die situatie doet zich hier voor. Een getuige kan niet altijd de portee van de te geven antwoorden overzien, zeker in een complexe zaak als de onderhavige. Zo kan het voor de getuige moeilijk zijn om te beoordelen wat de relevantie is van onderlinge contacten tussen getuigen. Dergelijke contacten kunnen in breder verband echter raken aan de betrouwbaarheid van getuigen. Vrijwel iedere vraag zal raken aan een door het hof te nemen beslissing. Mijns inziens komt de getuige daarom onverkort een verschoningsrecht toe.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat het juist is dat de getuige de gevolgen van de eventueel door hem te geven antwoorden niet geheel kan overzien.

Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.

Nadat het onderbroken onderzoek is hervat, deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige heden plaatsvindt in tien strafzaken, welke strafzaken gelijktijdig doch niet gevoegd worden behandeld. Het hof stelt voorts vast dat de getuige bloedverwant is van twee verdachten, te weten zoon van getuige en neef van getuige. In de strafzaken betreffende deze twee verdachten komt de getuige om die reden het beroep – en ook zonder dat de getuige dat beroep nader behoeft te motiveren – op het recht toe om zich (op de voet van art. 217 van het Wetboek van Strafvordering) van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen te verschonen.

Het hof stelt vervolgens vast dat er, gelet op de aan deze tien verdachten tenlastegelegde feiten en de inhoud van de strafdossiers, een sterke materiële verwevenheid bestaat tussen enerzijds in elk geval de strafzaak betreffende zoon van getuige en neef van getuige en anderzijds de acht overige aan de orde zijnde strafzaken. Het hof ziet in die verwevenheid aanleiding om te bepalen dat de getuige ook in de zaken betreffende die overige verdachten – die in zoverre weliswaar niet formeel doch in elk geval wél in materiële zin aangemerkt dienen te worden als ‘medeverdachten’ een beroep op het op basis van verwantschap toegekende en in artikel 217 Sv geregelde verschoningsrecht toekomt.

De voorzitter stelt vast dat er bij deze stand van zaken geen behoefte tot het stellen van nadere vragen bestaat en vergunt de getuige zich uit de zittingszaal te verwijderen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens handelen in strijd met Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude

Gerechtshof Amsterdam 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4284

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 25.884,04. De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 april 2014 veroordeeld ter zake van uitkeringsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 15 april 2014 het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 24.589,64 en bepaald dat het door de veroordeelde aan de Dienst Werk en Inkomen terugbetaalde bedrag van € 12.873,25 bij de betalingsverplichting in mindering moet worden gebracht. De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kort gezegd omdat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Ontneming en de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, alsmede met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde regelgeving niet aan een ontneming van het voordeel in de weg staat. De veroordeelde is tijdig medegedeeld dat een ontnemingsvordering zou worden gedaan. Bij de berekening van dit voordeel geldt de bewezenverklaarde periode in de strafzaak als uitgangspunt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Paragraaf 3.3. van de destijds geldende Aanwijzing Ontneming luidde, voor zover hier van belang:

‘In beginsel wordt het louter uit sociale zekerheidsfraude bestaande wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontnomen op grond van artikel 36e Sr omdat de Gemeentelijke Sociale Diensten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een terugvorderingsbevoegdheid hebben met betrekking tot ontvangen uitkeringen. In gevallen waarin deze terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege blijft, kan de ontnemingsvordering wel worden ingesteld.

Paragraaf 7 van de destijds geldende Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude luidde, voor zover hier van belang:

‘Ten aanzien van de mogelijkheden tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in sociale zekerheidsfraudezaken, geldt als uitgangspunt:

Geen ontneming, tenzij…..

Achterliggende gedachte hierbij is dat de uitkeringsinstanties over voldoende eigen mogelijkheden tot terugvordering, verrekening, verhaal en beslag beschikken. Het strafrecht is niet bedoeld om ten onrechte uitgekeerde gelden voor de uitkeringsinstanties terug te halen (n.b. dit kan anders zijn indien de mogelijkheden tot terugvordering voor de uitkeringsinstantie inmiddels verjaard zijn).

Andere argumenten om niet te ontnemen betreffen het gebrek aan middelen en geld bij de verdachte om te kunnen ontnemen in dit soort zaken, alsmede het gegeven dat het onwenselijk zou zijn dat personen onder het bestaansminimum terecht zouden komen.

Afwijking van het uitgangspunt van geen ontneming, tenzij…. is eerst mogelijk in o.a. de hier genoemde gevallen, welke voor de officier van justitie in een zaak aanleiding kunnen zijn om een strafrechtelijk financieel onderzoek te starten en een ontneming of ontnemingsmaatregel te vorderen.

Het betreft geen limitatieve opsomming, maar het verdient aanbeveling om slechts een ontneming te overwegen nadat een of meer van de hieronder betreffende situaties of gevallen zich gelijktijdig voordoen, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van bestaande mogelijkheden of middelen geschikt om te ontnemen, alsmede van een aanzienlijk nadeel.

Het betreft de volgende gevallen of situaties:

- Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband

- De terugvorderingsmogelijkheden van de uitkeringsinstantie zijn verjaard

- Substantieel nadeel boven hetgeen door de uitkeringsinstantie kan worden teruggevorderd

- Er is aanzienlijk vermogen aanwezig (bijv. onroerend goed)

- Eigendom van het vermogen is eenvoudig te bewijzen

- Vermogen bevindt zich in Nederland

- Aantoonbaar vermogen in het buitenland’

In de onderliggende strafzaak is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008. Zoals ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is bevestigd, is het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarop de vordering ziet, louter afkomstig uit deze sociale zekerheidsfraude.

In de bestuursrechtelijke procedure heeft DWI de onterecht verleende bijstand bij primair besluit van 26 augustus 2008 teruggevorderd over de periode 1 oktober 2005 tot en 31 maart 2008. De veroordeelde heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. DWI heeft bij beslissing op bezwaar van 12 december 2008 de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het recht van de veroordeelde op bijstand met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken. Verder heeft een herberekening plaatsgevonden over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2008. Op grond daarvan is de hoogte van de vordering vastgesteld op een bedrag van € 10.102,96. Tegen de beslissing op het bezwaar is geen beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is. Vast is komen te staan dat de veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig aan de DWI heeft terugbetaald.

Ter zitting van 15 april 2014 heeft de officier van justitie in reactie op het verweer van de verdediging ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt gesteld:

“De raadsman stelt dat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude. Ik stel daar tegenover dat in die Aanwijzing wordt gesproken over “in beginsel” en “kan”, de aanwijzing laat daarmee vrijheid aan het openbaar Ministerie (OM). Het door DWI teruggevorderde bedrag beslaat slechts een deel van het benadelingsbedrag. De uitkeringsinstantie heeft moeite gehad met de vaststelling van het bedrag. De strafrechter heeft een langere periode beoordeeld. Er is geen sprake van niet-ontvankelijkheid van het OM, dit valt onder zijn beleidsvrijheid.”

Bij conclusie heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden geacht in de ontnemingsvordering aangezien de veroordeelde tijdig op de hoogte is gesteld van de ontnemingsvordering en zij daarom kon verwachten dat een ontnemingsvordering zou volgen.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bovengenoemde beleidsregels, in het bijzonder de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, dat het openbaar ministerie, indien een ten onrechte genoten uitkering langs bestuurlijke weg wordt of is teruggevorderd, niet dient over te gaan tot het vorderen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens de opgesomde (zij het niet limitatief) gevallen.

In deze zaak heeft het openbaar ministerie geen van die gevallen, die een afwijking van genoemde hoofdregel rechtvaardigen, gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Van een ander, niet genoemd, geval, die een uitzondering zou moeten rechtvaardigen op de hoofdregel is ter zitting in hoger beroep ook niet gebleken. In dit verband wijst het hof op de gewijzigde vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op het door het DWI herberekende bedrag en dat de betalingsverplichting vervolgens op nihil zal worden gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op Donderdag 10 december 2015 naar de Cursus Ontneming.
Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor overtreding van artikel 96 lid 1 van de Wet BIG

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7562 Verdachte heeft betrokkene 5 en betrokkene 4 behandeld met ibogaïne. Betrokkene 4 heeft hierdoor een hartstilstand gekregen, welke aan de schuld van verdachte te wijten is en als gevolg waarvan hij de rest van zijn leven invalide is. Betrokkene 5 is na de behandeling met ibogaïne door verdachte naar een hotel gebracht en daar in hulpeloze toestand achtergelaten, terwijl hij aan haar zorg was toevertrouwd.

Ten behoeve van de behandelingen die verdachte aanbood met iboga(ïne), bereidde zij zelf capsules met deze stof en had een grote hoeveelheid daarvan in voorraad, hetgeen in strijd is met de wet. Ook had verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid hennep in haar bezit. Met betrekking tot de aangetroffen MDMA, methadon en morfine merkt het hof op dat het bezit daarvan strafbaar is, maar dat het hof er wel rekening mee houdt dat deze middelen in de woning van verdachte zijn achtergelaten door verslaafden die zij behandelde.

Handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg

De personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, te weten betrokkene 2, betrokkene 1, betrokkene 3, betrokkene 5 en betrokkene 4, zijn bij verdachte geweest om onder haar begeleiding iboga(ïne) in te nemen en hebben ook daadwerkelijk ibogaïne (zijnde de werkzame stof in iboga) tot zich genomen. Deze behandeling strekte ertoe dat zij door toepassing van iboga(ïne) zouden worden genezen van hun middelenverslaving. Het hof stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG. Tevens staat vast dat verdachte niet was ingeschreven in het BIG-register.

Buiten noodzaak behandelen/schade veroorzaken

Indien bewezen kan worden dat verdachte - zoals ten laste gelegd - buiten noodzaak heeft behandeld, en daarbij gezondheidsschade of de aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt, staat daarmee tevens vast dat ook die schade of de kans daarop buiten noodzaak is veroorzaakt. Onder ‘buiten noodzaak’, welk begrip is ontleend aan artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG, verstaat het hof in dit verband een situatie anders dan die waarin acute geneeskundige zorg noodzakelijk blijkt die op dat moment niet door een bevoegde behandelaar kan worden verleend.

De wetgever heeft niet omschreven welke in dit verband de betekenis is van het begrip ‘schade’. Naar het oordeel van het hof dient als ‘schade’ in de zin van artikel 96 Wet BIG in ieder geval te worden aangemerkt een benadeling van de gezondheid in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen een daadwerkelijke, al dan niet tijdelijke, verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

In het bijzonder op grond van de deskundigenrapportages kan worden vastgesteld dat gebruik van ibogaïne onder meer leidt tot een hallucinatoire fase waarin, door verminderd realiteitsbesef, sprake is van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Deze situatie ontstaat kort na de inname van ibogaïne. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijk gevolg van het gebruik van ibogaïne worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de geestelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de opzet en redactie van de tenlastelegging echter dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op deze reguliere situatie die zich in vrijwel alle gevallen voordoet (vlak) na het innemen van iboga(ïne). Beoogd is kennelijk de schade en/of de aanmerkelijke kans daarop toe te spitsen op (de) vier opgetreden, in de tenlastelegging expliciet benoemde gezondheidsschades (bij de betrokkene 2 hartritmestoornissen; bij betrokkene 3 een hallucinerende toestand waarna letsel door een sprong; bij betrokkene 5 een hallucinerende/psychotische toestand waarna dodelijk verongelukken bij oversteken van een snelweg; bij betrokkene 4 een hartstilstand), en derhalve het oog gehad op de toestand tijdens respectievelijk direct voorafgaand aan deze (bijna) fatale gebeurtenissen.

Het hof dient zich - ten einde denaturering van de tenlastelegging te voorkomen - daarom bij de beoordeling te beperken tot de in de tenlastelegging expliciet genoemde schadegevallen.

Betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 5

Ten aanzien van deze betrokkenen overweegt het hof dat zich naar zijn oordeel in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de in de tenlastelegging expliciet genoemde hartritmestoornissen bij de betrokkene 2, de toestand waarin betrokkene 3 van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge en de toestand waarin betrokkene 5 de A2 is opgelopen en is doodgereden, toe te kunnen schrijven aan de effecten van de behandeling met ibogaïne. Onder andere is in enkele van deze gevallen sprake van een zodanig tijdsverloop tussen de inname van die iboga(ïne) en het moment van het optreden van de gezondheidsschade, dat een causaal verband tussen die inname en de in de tenlastelegging specifiek genoemde opgetreden gezondheidsschade of de toestand waarin deze is ontstaan niet is vast te stellen.

Het hof spreekt verdachte derhalve in zoverre vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

Betrokkene 4

Dit is anders waar het betreft de in de tenlastelegging genoemde schade die betrokkene 4 heeft opgelopen, te weten een hartstilstand. Deze gezondheidsschade is kort na de behandeling met iboga(ïne) ontstaan, terwijl uit de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg kan worden afgeleid dat hartritmestoornissen - die kunnen leiden tot een hartstilstand - een bekende bijwerking van het gebruik van iboga(ïne) vormen. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor het bij betrokkene 4 ontstaan van die hartstilstand niet is gebleken of aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat tussen de toediening van de ibogaïne en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

De aldus opgetreden hartstilstand kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de lichamelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG. De behandeling met iboga(ïne) vond buiten noodzaak plaats en de schade is derhalve ook buiten noodzaak veroorzaakt.

Voorafgaand aan de behandeling heeft betrokkene 4 zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, en ook anderszins niet gebleken is van een gezondheidssituatie waarin de toediening van ibogaïne bij neven tot hartfalen zou kunnen leiden, kan niet worden gesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat haar handelen bij betrokkene 4 een hartstilstand of de aanmerkelijke kans daarop zou veroorzaken. Van afwezigheid van alle schuld is echter geen sprake, nu hartritmestoornissen - welke kunnen leiden tot een hartstilstand - blijkens de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg een bekende bijwerking van ibogaïne vormen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokkene 4 buiten noodzaak heeft behandeld met ibogaïne, ten gevolge waarvan betrokkene 4 een hartstilstand heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 7: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

Feit 1: voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar.

Feit 2A, 4, 5, 7 en 8: gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^