Rechterlijk pardon in Leerplichtwetzaak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2093

Gelet op de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en de inhoud van het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar acht het hof ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 31 augustus 2012 tot en met 1 februari 2013, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere A niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten "Montessorischool", was ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht.

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 en strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, van diezelfde wet. Het wordt als volgt gekwalificeerd: als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd met het doel om het leerprobleem en de mede daardoor ontstane leerachterstand van de leerplichtige A aan te pakken; bovendien niet eerst nadat alternatieven niet het gewenste effect bleken te hebben en slechts één dag per week. De verdachte meent dat er sprake was van een noodtoestand.

Het hof begrijpt deze verklaring van de verdachte als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood en die geëigend is om aan die actuele concrete nood een eind te maken.

Anders dan de kantonrechter meent, is daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake geweest. Het hof onderkent dat de verdachte en zijn echtgenote in een lastige positie verkeerden toen zij werden geconfronteerd met het gebrek aan basisvaardigheden en kennis bij hun zoon A. Het hof onderkent ook dat zij zich enorm hebben ingespannen om zijn leerprobleem en leerachterstand aan te pakken. Zo hebben zij informatie vergaard en naar aanleiding daarvan aan het einde van groep 5 besloten A van de reguliere basisschool over te plaatsen naar de “Montessorischool”. Op die school hebben zij gesprekken gevoerd, als gevolg waarvan A in groep 6 extra hulp van de docente kreeg. In groep 7 merkten zij dat A nog dermate achterliep dat het voor hem beter was om te doubleren; daartoe werd beslist. Er is bijles gegeven, zowel op school als thuis, A is uitgebreid getest en er is in overleg met de school een “rugzakje” (leerlinggebonden financiering) aangevraagd. Die aanvraag werd uiteindelijk afgewezen en in groep 8 was voor de verdachte de maat vol. Hij heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Nadat de aanvraag was afgewezen, werd er vanuit de school gezegd dat zij er niet veel meer aan konden doen. (…) De motivatie van A werd steeds slechter. Hij kreeg materialen aangeboden waar hij nauwelijks iets van leerde. In groep 8 miste hij op een gegeven moment te veel kennis. Vanuit school werd er niets gedaan. Toen was ik ‘pissed’ en dacht ik: ‘Ik hou hem een dag thuis’. Wij voelden ons ernstig tekortgedaan. Die dag merkten wij een wereld van verschil. (…) Wij hebben vervolgens een gesprek gehad met de school en de leerplichtambtenaar. Daarin hebben wij gezegd dat wij individueel onderwijs wilden geven. Vanuit de school werd alleen aangeboden om dat gedurende 2 uur op school te doen. (…) Wij hebben hem toen iedere vrijdag thuis gehouden om hem daar individueel onderwijs te geven. Ons dilemma, als ouders, was dat de Citotoets eraan zat te komen. (…) Op dat moment hadden wij het risico kunnen nemen om A - in een heug en meug situatie - in de avonduren en weekenden het nodige bij te brengen. Wij hebben gedaan wat het beste was om hem op niveau te krijgen. (…) Wij zijn hiermee in februari 2013, nadat de Citotoets was afgenomen, gestopt. Hoewel wij constateerden dat het individueel onderwijs een enorm effect had gehad, vonden wij dat de situatie van nood daar was geëindigd. (…) Wij vonden individueel onderwijs nog steeds belangrijk, maar gaven dat vanaf dat moment in de avonduren, in de weekenden en op school gedurende de aan ons aangeboden 2 uur.”

Uit deze verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat andere oplossingen voor het leerprobleem en de leerachterstand van A niet verder zijn onderzocht of beproefd. De maat was voor de verdachte vol en het aanbod van school om het individuele onderwijs gedurende 2 uur op school te geven, werd door de verdachte en zijn echtgenote afgeslagen.

Daar komt bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin is gebleken dat er sprake was van een actuele concrete nood. Die nood bleek niet uit de test die van A was afgenomen. Dat de uitkomst van die test mede het advies inhield om A nader te testen en dat dit advies niet door de school was overgenomen, zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, laat onverlet dat die nadere test ook op zijn eigen initiatief had kunnen worden afgenomen. Die keuze maakt dat de nood, zo die destijds heeft bestaan, niet is aangetoond. De persoonlijke opvatting van de verdachte en zijn echtgenote is, nu nader deskundig onderzoek naar eventuele alternatieven achterwege is gebleven, daartoe onvoldoende. Opmerking verdient in dit verband nog dat uit de hierboven aangehaalde verklaring van de verdachte niet zozeer een noodsituatie spreekt, maar meer de wens van de ouders dat hun kind een goed resultaat behaalt tijdens de Citotoets. Nadat de Citotoets was afgenomen, heeft de verdachte de overtreding immers gestaakt.

Het verweer van de verdachte moet daarom worden verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Strafoplegging

De advocaat-generaal, heeft in navolging van de officier van justitie, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 100, subsidiair 2 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Met die strafeis heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij niet twijfelt aan de goede intenties van de verdachte: hij meende met het overtreden van de Leerplichtwet 1969 het belang van zijn zoon te dienen.

Daar staat tegenover dat hij zonder rechtvaardigingsgrond, zoals hiervoor is overwogen, er bewust voor heeft gekozen om A op vrijdagen niet naar school te laten gaan. Ook het hof twijfelt niet aan de goede intenties van de verdachte, maar stelt tegelijk vast dat hij in strijd met de wet heeft gehandeld. Alleen vanwege de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, ziet het hof aanleiding toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Vervolgingsuitsluitingsgrond art. 69, vierde lid, Awr is beperkt tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op art. 225, tweede lid, Sr

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en is ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur alsmede tot een geldboete van € 15.000.

Ontvankelijkheid OM

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit, dan wel vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van die feiten dient te worden verklaard omdat de verdachte niet opzettelijk zou hebben gehandeld, althans dat dat niet kan worden vastgesteld, aldus de raadsvrouwe. Op grond van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 (verder: ATV-richtlijnen) had het openbaar ministerie aldus niet tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte mogen overgaan, omdat deze vervolgingsrichtlijnen alleen betrekking hebben op de opzettelijk begane strafbare feiten.

Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde dient het openbaar ministerie volgens de verdediging eveneens niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), zou door middel van een ruime interpretatie van het toepassingsbereik daarvan ook moeten gelden ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde eerste lid van artikel 225 Sr. Immers, de verdachte wordt blijkens de tekst van de tenlastelegging verweten het valselijk opmaken van de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiften omzetbelasting, hetgeen impliceert dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van de valse aangiften, hetgeen valt onder het bereik van artikel 225, tweede lid, Sr, althans zo verstaat het hof het verweer van de raadsvrouwe. De raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739), waarbij de rechtbank overwoog dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin een vervolging op grond van het eerste lid van artikel 225 Sr in strijd is met het vierde lid van artikel 69 Awr.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. In het bijzonder staan de zogenoemde ATV-richtlijnen niet in de weg aan een vervolging van de verdachte. Onderhavige zaak valt volgens de van toepassing zijnde ATV-richtlijnen van 2010 in categorie I, feiten waarbij de verdenking (cursivering hof) was dat deze opzettelijk zijn begaan, en waarbij sprake is van een belastingnadeel van tussen € 10.000,-- (drempelbedrag voor particulieren) dan wel € 15.000,-- (drempelbedrag voor ondernemingen) en € 125.000,--. Of opzettelijk handelen ook daadwerkelijk kan worden bewezen is uiteindelijk aan de rechter. Het verweer onder A.1. treft aldus geen doel.

Het meest subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225, eerste lid, Sr, te weten het – kort gezegd – plegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken of vervalsen van aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1. Het hof overweegt voorts dat het een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, tweede lid, Sr. Het is niet aan de rechter om zulks uit te breiden.

Daarbij komt dat de uitleg die door de raadsvrouwe aan het eerder vermelde vonnis van de rechtbank is gegeven, namelijk dat ook in het onderhavige geval, waarin het ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225,eerste lid, Sr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr aan de orde kan zijn, berust op een verkeerde lezing van het vonnis. Immers, de betreffende uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant handelt over het voegen van valse facturen in de bedrijfsadministratie waarmee de facto sprake is van het voeren en voorhanden hebben van een valse bedrijfsadministratie. Omdat het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit in de aangehaalde uitspraak worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d Awr. Het is strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 Awr en om die reden is op grond van artikel 69 lid 4 Awr, vervolging op grond van artikel 225 Sr uitgesloten. Daarvan is in de onderhavige zaak echter geen sprake. Ook het verweer onder A.2. treft geen doel.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank en de procespartijen, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van feitelijk leidinggeven als bedoeld in artikel 51 Sr.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is het hof, met de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat op basis van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans met onvoldoende mate van zekerheid, kan worden vastgesteld dat sprake is van straffeloosheid van medeverdachte 1 dan wel van eigenaar medeverdachte 2, hetgeen een vereiste is voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm “doen plegen”.

Terzake de vrijspraak van het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1.

Het hof stelt voorop dat de verdachte slechts als pleger van het onjuist doen van de op naam van medeverdachte 1 gestelde aangiften omzetbelasting kan worden aangemerkt, indien de verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286). De aangiften omzetbelasting zijn uitgereikt op naam van medeverdachte 1. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

“De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds – dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen – eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.”

In de lijn met de wetsgeschiedenis volgt uit vaste jurisprudentie, dat de verdachte alleen tot het doen van aangifte was gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte (Hoge Raad 28 maart 1979, BNB 1979/170; Hoge Raad 21 oktober 1998, BNB 1999/7; Hoge Raad 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161).

Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangiften, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2341).

Voor het medeplegen acht het hof voorts onvoldoende bewijs voorhanden. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er tussen verdachte en medeverdachte 1 dan wel tussen verdachte en (een ander of) anderen, zoals medeverdachte 1 en medeverdachte 2 en/of medeverdachte 1 en medeverdachte 3 sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat dit medeplegen zou opleveren. De verklaringen van medeverdachte 2 en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar en voor een mogelijke betrokkenheid van medeverdachte 3 zoals door medeverdachte 2 is aangegeven bij de FIOD, is onvoldoende steunbewijs voorhanden.

Ten slotte overweegt het hof met betrekking tot het meest subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van valsheid in geschrift als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen kan niet worden vastgesteld dat tussen verdachte en een ander of anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Voor een bewezenverklaring van medeplegen bevat het dossier aldus onvoldoende bewijs.

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet rechtstreeks worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangiften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst. Uit het dossier kan, naar het oordeel van hof, evenmin met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld, dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De ten laste gelegde aangiften zijn, zo blijkt uit het dossier, binnengekomen met behulp van een softwarepakket op de computersystemen van de rijksbelastingdienst door tussenkomst van bedrijf verdachte. Uit het dossier volgt echter ook dat het mogelijk was om vanuit het kantoor van medeverdachte 1 in

’s-Gravenpolder in te loggen op de server van verdachte en toegang te krijgen tot het boekhoudprogramma. Volgens verdachte was het ook mogelijk om vanuit ’s-Gravenpolder het aangifteprogramma Primaccount te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen. Ook konden de aangiften, volgens verdachte, vanuit ’s-Gravenpolder op elektronische wijze bij de rijksbelastingdienst worden ingediend.

Het aangifteprogramma Primaccount is, na onderzoek door de FIOD, niet aangetroffen op de servercomputer van verdachte. Volgens verdachte is dit te verklaren doordat het programma via een externe schijf was gekoppeld aan de servercomputer en die koppeling er niet meer was ten tijde van het onderzoek door de FIOD. Ook deze stelling is door de FIOD onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen harde schijf met de server verbonden is geweest waarop het programma Primaccount heeft gestaan.

In het onderzoek is de directeur van medeverdachte 1, medeverdachte 2, aanvankelijk als getuige maar later tevens als verdachte gehoord, doch hij heeft verklaard dat hij nooit een aangifte omzetbelasting van medeverdachte 1 heeft aangepast of ingediend bij de rijksbelastingdienst.

Medeverdachte 3 toentertijd werkzaam bij medeverdachte 1, heeft aanvankelijk verklaard dat de bedragen in de aangiften omzetbelasting ten name van medeverdachte 1 door verdachte in overleg met medeverdachte 2 werden gewijzigd. Later is medeverdachte 3 op zijn verklaring teruggekomen waar het gaat om de betrokkenheid van verdachte.

Voorts neemt het hof in ogenschouw dat onduidelijk is en blijft wat het motief voor de verdachte zou zijn geweest. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat bedragen ten goede zijn gekomen aan familie van verdachte. De geldstromen tussen verdachte en medeverdachte 1 zijn echter niet (volledig) onderzocht, zodat er geen bewijs is dat de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting geheel door verdachte is genoten. Daarbij is van belang dat er geen vermogensvergelijking aan de zijde van (met name) verdachte heeft plaatsgevonden. Door het ontbreken van vermogensvergelijkingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte 3 en medeverdachte 1 ontbreekt het bewijs wie heeft geprofiteerd van de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting.

Hoewel het dossier derhalve sterke aanwijzingen bevat die duiden op een directe betrokkenheid van de verdachte bij de valsheid/vervalsing, zijn er bij het hof twijfels blijven bestaan over de precieze gang van zaken, hetgeen in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd. Alles overziende komt het hof, anders dan de rechtbank en anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, tot een integrale vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor Twentse ex-neuroloog: Opzet niet bewezen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft op 18 juni uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de Twentse ex-neuroloog Ernst J., die werd verdacht van het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen dan wel laten van negen patiënten. Ook werd hij verdacht van mishandeling, althans opzettelijke benadeling van de gezondheid van deze negen patiënten, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel en in één geval de dood. De feiten vonden plaats tussen 1997 en 2003.

Het hoger beroep is zowel door de verdediging als het openbaar ministerie beperkt ingesteld. Daarom zijn in hoger beroep alleen de hierboven genoemde feiten aan de orde. Ten aanzien van de overige feiten op de oorspronkelijke tenlastelegging (diefstal van een receptenblok, het valselijk opmaken van machtigingsformulieren en recepten en verduistering van geld) is verdachte door de rechtbank veroordeeld. Dat deel van het vonnis is door het beperkt ingestelde hoger beroep inmiddels onherroepelijk geworden.

Eerste aanleg

De rechtbank Overijssel heeft verdachte bij vonnis van 11 februari 2014 na een eis van zes jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. De rechtbank heeft vrijgesproken voor zover de feiten betrekking hadden op het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten van de patiënten. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk benadelen van de gezondheid van acht patiënten met zwaar lichamelijk letsel en in één geval de dood tot gevolg.

Hoger beroep

De advocaat-generaal achtte alle feiten bewezen en eiste opnieuw een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.
Alle aan verdachte tenlastegelegde feiten zijn opzetdelicten. De schuldvarianten zijn niet aan het hof voorgelegd: deze feiten waren verjaard. Verdachte kon daarvoor dus niet meer worden vervolgd.
De meest vergaande vraag die het hof diende te beantwoorden, is of de verdachte met opzet heeft gehandeld. Voorop dient te worden gesteld dat het begrip “opzet” in een juridische context een ruimere betekenis heeft dan in het algemeen spraakgebruik. De lichtste vorm van het juridische opzet is het zogenaamde “voorwaardelijk opzet”.
Volgens de rechtbank heeft de ex-neuroloog bij de patiënten in de bewezen verklaarde gevallen verkeerde diagnoses gesteld, heeft hij zich te lang gefixeerd op deze diagnoses en hen daardoor onjuist behandeld. Dit terwijl hij als arts wist dat bepaalde diagnoses niet gesteld konden worden op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Daarbij heeft de verdachte welbewust het risico genomen en aanvaard dat de gezondheid van de patiënten ernstig zou worden benadeeld. Hierdoor heeft verdachte zijn zorgplicht als arts op ernstige wijze geschonden.
Het hof acht deze redenering van de rechtbank (en van het openbaar ministerie) niet toereikend om voorwaardelijk opzet bewezen te kunnen achten. De wil, oftewel het welbewust op de koop toe nemen van de aanmerkelijke kans, is daarmee nog niet bewezen.
De enkele wetenschap van een aanmerkelijke kans op het schenden van zorgvuldigheidseisen, protocollen en/of richtlijnen is daarvoor niet voldoende. Met de redenering van de rechtbank (en van het openbaar ministerie) is veeleer bewezen dat verdachte (grovelijk) nalatig heeft gehandeld en verwijtbaar risico’s heeft genomen. Verdachte heeft steeds verklaard dat hij fouten heeft gemaakt, maar dat hij niet te kwader trouw heeft gehandeld en dus niet de benadeling van de gezondheid van zijn patiënten heeft gewild dan wel hen in hulpeloze toestand heeft willen brengen/laten.
Dit alles leidt het hof tot het oordeel dat opzet niet bewezen is. Het gevolg daarvan is: vrijspraak van alle aan het oordeel van het hof onderworpen feiten.

Onherroepelijke feiten

De rechtbank heeft verdachte onherroepelijk veroordeeld voor diefstal van een receptenblok, het valselijk opmaken van machtigingsformulieren en recepten en verduistering van een aanzienlijke som geld. Ingevolge artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering moet het hof bepalen welke straf de rechtbank alleen voor die feiten zou hebben opgelegd.
Daarbij is het hof verplicht om uit te gaan van de –inmiddels vaststaande- strafmotivering van de rechtbank en dus ook van het gegeven dat de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht. Het hof komt dus niet toe aan een zelfstandige beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Het hof komt ten aanzien van die door de rechtbank bewezen verklaarde feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen van OV-chipkaarten

Gerechtshof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1427 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen van OV-chipkaarten en het voorhanden hebben van apparatuur ten behoeve van dit vervalsen.

Nadere bewijsoverweging

Het begrip "geautomatiseerd werk" is gedefinieerd in artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht, luidende: "Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen."

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de OV-chipkaart een elektronische betaalpas met een Near Field Communication (NFC)-chip is, welke chip een actieve chip is die volgens haar moet worden gekwalificeerd als een geautomatiseerd werk.

Het hof is – met de advocaat-generaal - van oordeel dat de (NFC-)chip van de OV-chipkaarten waartoe de verdachte zich toegang heeft verschaft kan worden aangemerkt als een geautomatiseerd werk, nu deze chip bestemd is (en de technische mogelijkheden heeft) om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Computervredebreuk.
  • Feit 2: Opzettelijk een waardekaart bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

(Hogere) kosten nieuw geboekte vakantie komen via art. 89 Sv voor vergoeding in aanmerking

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4297 Namens verzoeker is ex art. 89 Sv verzocht om vergoeding van de (hogere) kosten van een nieuw geboekte vakantie. Door de vrijheidsbeneming heeft verzoeker de eerder geboekte de vlucht naar zijn vakantiebestemming gemist. Het hof oordeelt dat de kosten van een nieuw geboekte vakantie redelijkerwijs kunnen worden aangemerkt als schade die als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsbeneming is geleden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Evenals bij artikel 227 heeft ook bij artikel 225 Sr te gelden dat onwaarheden alleen strafbaar zijn, voor zover zij voorkomen in gegevens ten bewijze waarvan het betreffende document bestemd is

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2097 

In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 5.000 ter zake van:

  1. In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid;
  2. Opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik;
  3. Oplichting.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 13 maart 2012 heeft het hof het eerdere vonnis  vernietigd en opnieuw rechtdoende, de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.700 alsmede tot een werkstraf voor de duur van 72 uren ter zake van:

  1. In een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid (artikel 227 Sr);
  2. Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr, als ware het echt en onvervalst;
  3. Oplichting.

De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 4 maart 2014 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof d.d. 13 maart 2012 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van het hoger beroep

Door de verdediging is met betrekking tot de in feit 2 opgenomen feitelijk uitgewerkte valsheden (in totaal 6) aangevoerd dat deze los van elkaar staan en aangemerkt moeten worden als gevoegde feiten in de zin van artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering. Nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van de valsheid met betrekking tot de post voorraad, kan verdachte niet worden ontvangen in het hoger beroep ter zake van dit feit. Het is de verdediging niet bekend of het openbaar ministerie in beroep is gekomen tegen deze deelvrijspraken en zo ja, wat de grieven daartegen zijn, aldus de raadsman van de verdachte.

Het hof overweegt dat uit het dossier blijkt dat bij akte van 25 mei 2009 de officier van justitie appel heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De aanzegging hoger beroep is op 29 mei 2009 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Op dezelfde datum is een afschrift daarvan naar de raadsman van de verdachte verzonden. Het grievenformulier d.d. 28 mei 2009 is aan de akte hoger beroep gehecht. Nu het openbaar ministerie blijkens de akte rechtsmiddel ‘onbeperkt’ appel heeft ingesteld, zijn alle feiten in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.

Vrijspraak feit 1

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, overweegt het hof dat niet is gebleken dat verdachte niet zou hebben verklaard dat alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat. De notariële akte bevat derhalve de waarheid dat verdachte dat heeft verklaard en van deze waarheid moet de akte doen blijken. Ten aanzien van de vraag of alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat, overweegt het hof dat niet is gebleken dat op het moment van het sluiten van de overeenkomst tot levering van de aandelen van naam bedrijf verdachte aan bedrijf benadeelde sprake was van één of meer op naam bedrijf verdachte rustende aangifteverplichtingen waaraan niet dan wel niet tijdig was voldaan. Hierbij is niet relevant, zoals de advocaat-generaal lijkt af te leiden uit de nadien opgelegde naheffingsaanslagen, dat de ingediende aangiften weliswaar tijdig, maar (wellicht) onjuist zijn gedaan, omdat ten aanzien van de juistheid van de (tijdig) ingediende aangiften de verdachte niets heeft verklaard en dienaangaande, overeenkomstig de waarheid, dan ook in de akte niets is opgenomen.

Ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde is het hof, indachtig het arrest van de Hoge Raad d.d. 4 maart 2014, van oordeel dat de notariële akte de waarheid weergeeft dát de verdachte heeft verklaard dat hij de duidelijkheid en de getrouwheid van de balans en de verdeling van de balansposten garandeert, zodat de akte een juiste weergave is van hetgeen verdachte heeft verklaard. Of de in de notariële akte, door de verdachte afgelegde, weergegeven verklaring – de balans geeft duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weer– (inhoudelijk) waar is, is niet een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken. Indien blijkt dat de balans niet duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en/of de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft levert de akte (wel) het bewijs op dat de verdachte heeft verklaard, dat dat wel zo zou zijn. De verklaring van verdachte in de akte kan derhalve niet worden aangemerkt als een verklaring van welks waarheid die akte moet doen blijken waar het gaat om de duidelijkheid en getrouwheid van die balans zelf.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, overweegt het hof dat niet is gebleken dat verdachte niet zou hebben verklaard dat alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat. Daarmee is de notariële akte niet vals.

Ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde is het hof, anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging, van oordeel dat ook ten aanzien van het bepaalde van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht geldt, dat de notariële akte de waarheid weergeeft dát de verdachte heeft verklaard dat hij de duidelijkheid en de getrouwheid van de balans en de verdeling van de balansposten garandeert, zodat de akte een juiste weergave is van hetgeen verdachte heeft verklaard. Bij de bewijsbestemming van dit artikel gaat het immers om het bewijs van de waarheid van enig feit, namelijk het feit dat verdachte heeft verklaard zoals in het geschrift (notariële akte) is opgetekend. De strekking van het bepaalde in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht brengt niet met zich dat met door de verdachte gegeven en in het geschrift opgenomen verklaring – de balans geeft duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weer– het geschrift bestemd is als bewijs te dienen van het feit dat de balans duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft.

Evenals bij artikel 227 heeft ook bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht te gelden dat onwaarheden alleen strafbaar zijn, voor zover zij voorkomen in gegevens ten bewijze waarvan het betreffende document bestemd is. Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte die akte als verkoper heeft ondertekend, als ware de inhoud van die balans conform de werkelijkheid, doch slechts ten bewijze van de afgegeven balansgarantie zelf.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daarbij overweegt het hof dat de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde ook gevolgen heeft voor onderdelen van het ten laste gelegde onder 2 en onder 3, evenals dat de vrijspraak van onderdelen van het onder 2 ten laste gelegde gevolgen heeft voor onderdelen van het onder 3 ten laste gelegde.

Ter zake feit 2 en feit 3 overweegt het hof in het bijzonder omtrent de volgende ten laste gelegde onderdelen (van welke de verdachte wordt vrijgesproken):

  • Ten aanzien van de post voorraad is het hof niet gebleken dat deze voor een onjuist bedrag op de balans was opgenomen.
  • Ten aanzien van de post handelsdebiteuren overweegt het hof dat het de vennootschap naam bedrijf verdachte vrij stond om deze post aan de actiefzijde van de balans niet te verminderen met mogelijke oninbare vorderingen. Immers, het hof is uit ervaringsregels in het maatschappelijk verkeer ermee bekend, dat rekening wordt gehouden met oninbare debiteuren door op de passiefzijde van de balans een post op te nemen, zoals bijvoorbeeld een voorziening oninbare debiteuren, zoals de verdediging ook heeft betoogd. Voorts kon ook op andere wijze tot uitdrukking worden gebracht dat er sprake was van mogelijke oninbare vorderingen, bijvoorbeeld door middel van het opnemen van een toelichting of opmerking op de balans. Het opnemen van een voorziening oninbare debiteuren op de passiefzijde van de balans of het opnemen van een dergelijke toelichting dan wel opmerking is weliswaar door de verdachte nagelaten, hetgeen niet ten laste is gelegd, maar dat maakt nog niet dat de post handelsdebiteuren aan de actiefzijde van de balans als bezitting onjuist is.
  • Het hof overweegt voorts dat de administratie weliswaar geen juist beeld verschaft van de post crediteuren, maar dat dat niet per definitie inhoudt dat de administratie niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen en niet op correcte wijze is gevoerd. Geen enkele administratie is immers geheel foutloos. Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de administratie niet aan de eisen voldeed. Immers, het opmaken van een balans vergt een vertaalslag van hetgeen uit de administratie blijkt, zoals waarderingen van bezittingen (bijvoorbeeld beoordeling van de inbaarheid van debiteuren, van waarde van voorraden enz.) en de inschatting van potentiële verplichtingen (bijvoorbeeld door het opnemen van voorzieningen) en voorts is het gebruikelijk dat ten opzichte van de administratie diverse correcties (memoriaalboekingen) plaatsvinden.

Feit 2

Met betrekking tot de ten laste gelegde valsheid erin bestaande dat in de jaarrekeningen niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De verplichting van artikel 2:375 3e lid Burgerlijk Wetboek, inhoudende dat wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied, is niet van toepassing, nu zowel de jaarrekening van 30 november 2003 als de jaarrekening van 31 december 2003 niet kan worden aangemerkt als een jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 BW (balans- en verliesrekening met toelichting) en zoals bedoeld in de tenlastelegging.

De jaarrekening van november 2003 betreft een stuk bevattende tussentijdse cijfers, op welk stuk titel 9 van boek 2 BW niet van toepassing is, zodat deze jaarrekening niet valt onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Ook de jaarrekening van december 2003 valt niet onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Immers, aan deze jaarrekening ontbreekt de vereiste toelichting en voorts wordt dit stuk door de koper en de boekhouder naam boekhouder niet aangeduid als “jaarrekening”. De koper heeft het over “een concept jaarrekening” en naam boekhouder noemt het “een geconsolideerde balans”.

Voorts heeft bij de verdachte het opzet ontbroken, nu hij geen accountant is en geen enkele accountantskennis heeft, hetgeen ook niet van hem gevergd kan worden. Bij verdachte ontbrak het aan de wetenschap dat de stukken onjuist waren en dat een pandrecht in de jaarstukken vermeld zou moeten worden. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse stukken, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat door verdachte opzettelijk valselijk in de jaarrekeningen of balansen d.d. 30 november 2003 en d.d. 31 december 2003 niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven.

Het hof overweegt allereerst dat het feit dat de overzichten van 30 november 2003 en van 31 december 2003, die verdachte aan de koper verstrekte, geen “jaarrekeningen” in de zin van het BW zouden zijn, niet afdoet aan de omstandigheid dat het financiële overzichten betreft op grond waarvan door partijen gesprekken werden gevoerd over de koop/verkoop van aandelen en van welke overzichten de verdachte de koper heeft voorgespiegeld dat het zou gaan om de juiste financiële informatie. Het hof leest de tenlastelegging dan ook in die zin dat met de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “(geconsolideerde) jaarrekening(en) en/of balans(en) per 30 november 2003 en/of 31 december 2003 (inclusief toelichting(en)/verklaring(en))” niet de wettelijke jaarrekeningen in de zin van titel 9 van het tweede boek van het BW worden bedoeld, maar dat het geschriften zijn die moeten worden beschouwd als financiële overzichten. De naamgeving daarvan is voor de strafrechtelijke beoordeling van de tenlastelegging van ondergeschikt belang.

Voorts is het hof van oordeel dat het afgeven van een pandrecht ten bedrage van 150.000 euro voor een schuld van 49.000 euro, door verdachte opgenomen had moeten worden in een toelichting dan wel in een verklaring gevoegd bij deze financiële overzichten. Verdachte had moeten begrijpen dat dat van belang was voor de waarde van de aandelen waarover de verdachte onderhandelde met benadeelde, mede in het licht van de totale overnameprijs. De verdachte heeft echter verklaard dat hij bij die onderhandelingen de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte, door het niet opnemen van het afgegeven pandrecht in een toelichting bij de jaarstukken (zijnde de financiële overzichten), zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de aandelen van de vennootschap) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de post belastingen/premies is door de verdediging aangevoerd dat op het moment dat de balans over 2003 werd opgemaakt nog niet bekend was dat die post onjuiste cijfers bevatte. Immers, het boekenonderzoek van de belastingdienst heeft eerst op 9 april 2004 plaatsgevonden en het concept controlerapport met de bevindingen is eerst op 17 mei 2004 aangeboden. De naheffingsaanslagen die het resultaat zijn geweest van de boekencontrole zijn op 30 juni 2004 opgelegd. Dit alles maakt in de ogen van de verdediging nog niet dat de jaarrekeningen die in 2003 zijn opgemaakt vals of vervalst waren. Daarvoor ontbreekt het bewijs.

In ieder geval hebben eind maart/begin april 2004, op een tijdstip gelegen vóór 15 april 2004 (zijnde de datum van de overdracht van de aandelen), correcties in rekening-courant plaatsgevonden. Deze correcties hielden (onder meer) in dat verdachte geld stortte in de vennootschap in verband met de te verwachten correcties inzake de belastingheffing en dat hij voor dit bedrag in rekening-courant is gecrediteerd. De koper benadeelde was van deze correcties op de hoogte. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de balansen als waren die echt en onvervalst. Bovendien is bij verdachte eerst in die periode de wetenschap ontstaan dat de vergoeding aan de zaterdaghulp in de loonadministratie opgenomen had moeten worden. Er is geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte daar reeds in 2003 van op de hoogte was. Voorts kan aan het “concept-controlerapport”, zoals opgenomen in het dossier, geen zelfstandige/volledige bewijskracht worden toegekend omdat het hooguit kan gelden als een geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering. Het concept-controlerapport betreft overigens slechts een kopie en geen gewaarmerkt afschrift van het authentieke rapport.

Het hof overweegt dat uit het rapport inzake het op 9 april 2004 ingestelde boekenonderzoek loonheffing blijkt dat de verdachte als directeur tot en met het jaar 2001 een vaste vergoeding van fl. 250 kreeg uitbetaald. Vanaf het jaar 2002 werd deze vergoeding omgezet in een vaste vergoeding ad € 250, zonder nadere onderbouwing. De verdachte heeft verklaard dat hij van deze vergoeding de zaterdaghulp uitbetaalde. De betalingen aan deze zaterdaghulp waren echter niet opgenomen in de loonadministratie terwijl de arbeidsverhouding tussen deze persoon en het bedrijf van de verdachte wel als dienstbetrekking is aan te merken. De betalingen aan de zaterdaghulp hadden derhalve als loon moeten worden opgenomen in de loonadministratie. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de betalingen die aan de zaterdaghulp werden verstrekt over de jaren 2001, 2002 en 2003 niet in de loonadministratie waren opgenomen, dat hij een en ander had moeten doen maar dat hij door persoonlijke en financiële omstandigheden heeft verzuimd de betalingen in de loonadministratie op te nemen. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte reeds in 2003 (en zelfs eerder) wist dat de post belastingen/premies in de jaarrekeningen onjuist waren. Gelet op deze wetenschap acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet ook was gericht op de valsheid voortvloeiende uit de onjuiste weergave in de jaarrekeningen.

Het hof is ten slotte nog van oordeel dat het concept-controlerapport van de belastingdienst als bewijsmiddel (te weten, een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering) kan worden gebezigd. Gelet op de door het hof ten aanzien van feit 2 gebezigde bewijsmiddelen, is namelijk aan het bewijsminimum voldaan. Niet is vereist dat de inhoud van wat in dit geschrift is neergelegd ook wordt bevestigd door het andere bewijsmiddel. Het hof merkt nog op dat het bewijsminimum bovendien geldt ten aanzien van de gehele tenlastelegging en niet ten aanzien van elk onderdeel afzonderlijk.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

De raadsman van de verdachte heeft met betrekking tot de post crediteuren aangevoerd dat verdachte niet met opzet cijfers anders heeft willen voorstellen dan in werkelijkheid. Ook was er geen sprake van voorwaardelijk opzet. De verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren, levert hiervoor geen bewijs op. Immers, deze verklaring moet worden opgevat in de betekenis van het zo positief als mogelijk presenteren, in de zin van toelaatbaar. Nu opzet niet kan worden bewezen dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Uit het rapport van naam accountantskantoor d.d. 24 maart 2006 (dossierpagina 56) blijkt dat de post crediteuren niet correct is weergegeven. De verdachte heeft dat ook erkend tegenover de politie. Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren (dossierpagina 258) wel degelijk tot het bewijs van (voorwaardelijk) opzet kan worden gebezigd. Het achterliggende doel van de verdachte was immers het verkopen van aandelen in zijn vennootschap. In dat verband wilde hij de cijfers er zo goed mogelijk laten uitzien, aldus zijn verklaring bij de politie op 21 maart 2007. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte de balanspost crediteuren in de jaarrekeningen te laag heeft opgevoerd en zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de onderneming) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.

Feit 3

Uit de bewijsmiddelen (waaronder de aangifte van benadeelde) leidt het hof af dat de verdachte door het onjuist opmaken van bepaalde balansposten en het niet-vermelden van het pandrecht in die jaarrekeningen aangever benadeelde een voorstelling van zaken heeft voorgespiegeld waardoor deze benadeelde werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomst tot koop van de aandelen van naam bedrijf verdachte, waaruit een schuld voortvloeide voor de aangever (de betaling van de aandelen).

Zoals hiervoor overwogen was de verdachte zich bewust van de onjuiste vermelding van de posten belastingen en premies respectievelijk crediteuren op de balans en het niet-vermelden van het pandrecht. De verdachte wilde dat er bij de onderhandelingen over de overname van het bedrijf er een zo positief mogelijk beeld van het bedrijf zou worden verkregen, zodat de verkoop van de aandelen zou doorgaan. Hieruit vloeit, naar het oordeel van het hof, het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen voort.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
  • Feit 3: oplichting.

Strafoplegging

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraffen voor witwassen en fraude met onroerend goed. Uitgebreide motivering strafoplegging: Verdachte "spant kwetsbaren voor zijn karretje en belazert banken".

De rechtbank Den Haag heeft vorige week vijf jaar gevangenisstraf opgelegd aan de hoofdverdachte in een omvangrijk en langdurend witwas- en fraudeonderzoek. Zijn echtgenote krijgt een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Zeven verdachten, waaronder familieleden van de hoofdverdachte, zijn veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen.

Crimineel geld

De hoofdverdachte heeft op grote schaal met crimineel geld gehandeld in onroerend goed. Banken werden opgelicht en panden werden op naam van anderen gesteld om zo te verhullen dat de hoofdverdachte de werkelijke rechthebbende was. Daarbij maakte de hoofdverdachte gebruik van veelal kwetsbare personen als katvangers.

Katvangers

Een aantal van de katvangers is ook veroordeeld, omdat zij zonder vragen te stellen of onderzoek te doen hebben meegewerkt aan de praktijken van de hoofdverdachte. Ook heeft hij geprobeerd erfgenamen hun erfenis te ontfutselen met behulp van een valse schuldbekentenis van hun overleden zoon/familielid.

Bankrekeningen verbeurd verklaard

De rechtbank heeft een groot aantal panden en veel geld, dat onder andere stond op bankrekeningen in België en Luxemburg, verbeurd verklaard. Dat geld gaat naar de Staat.

Motivering strafoplegging

"Het ontbreekt verdachte aan ieder inzicht omtrent het kwalijke van zijn handelen. Noch ten opzichte van de banken noch ten opzichte van de katvangers of zakenpartners heeft verdachte hiervan doen blijken. Ter zitting heeft verdachte slechts opgemerkt dat hij ‘de ander slechts wilde helpen, maar niet vromer is dan de paus’. Het lijkt verdachte volkomen onverschillig te laten welke gevolgen anderen van zijn handelen ondervinden. Het zaken doen lijkt voor verdachte een competitie met voor alle deelnemers gelijke kansen op winst of verlies, ook als hij kwetsbare mensen voor zijn karretje spant of oplicht en banken belazert met valse gegevens. Wanneer hij – na ontvangst van geld – als winnaar uit de bus komt, is er geen aanleiding om zich om de verliezers te bekommeren. Zij waren er immers zelf bij en hadden dus ook kunnen winnen, zo lijkt verdachte te willen zeggen zonder aan de gepleegde fraude te (willen) denken. Tegelijkertijd wijst verdachte naar anderen – kennelijk om de aandacht van de gedupeerden af te leiden. Anderen hebben hem groot onrecht aangedaan zo stelt verdachte bij herhaling. In zijn beleving is hij het slachtoffer van de politie, het openbaar ministerie en de belastingdienst. Verdachte gebruikt hierbij veel – en soms grote – woorden. Dat is zijn goed recht, maar zonder enige steekhoudende onderbouwing bevestigt dit slechts de indruk dat verdachte de aanleiding van dit strafproces buiten zichzelf zoekt zonder van enig inzicht over zijn eigen bijdrage blijk te geven. Ook in de zaak [Slachtoffer 2] is dit patroon te zien. Toen [Slachtoffer 2] zich uit de onderhandelingen met verdachte terugtrok omdat zij het niet eens konden worden over de verkoopprijs van de geërfde woning, ging verdachte met [Slachtoffer 2] de strijd aan. Een ongelijke strijd, waarbij verdachte als bemiddelde en ervaren onroerend goed handelaar een voorsprong had en die trachtte uit te buiten met een vervalste schuldbekentenis. Een en ander heeft verdachte er niet van weerhouden ter terechtzitting op te merken dat [Slachtoffer 2] uit was op het bloedgeld van zijn zoon.

Ook in het witwasdossier lijkt verdachte zich af te vragen wat hem te verwijten valt. Ter zitting heeft verdachte onverschillig opgemerkt dat als ‘dit witwassen is, hij al 25 jaar aan het witwassen is’ en dat hij slechts met panden schuift. Hij miskent volledig dat hij hiermee verhult dat deze panden (deels) met misdrijfgeld zijn gekocht. Verdachte lijkt evenmin in te zien dat hij anderen met grote schulden achterlaat als hij hun bezit ontneemt. Als voorbeeld haalt de rechtbank de koop van Zacharius Jansenstraat [B] door verdachte aan. Deze is betaald uit de door verdachte georganiseerde verkoop van Newtonstraat [A] van mevrouw [betrokkene 25]-[betrokkene 25], waarvoor zij jaren lang rente en aflossing had betaald en waar nog een relatief lage hypotheekschuld resteerde. Dit restant is afgelost, maar de rest van de verkoopopbrengst is haar door toedoen van verdachte ontglipt. Intussen beroept verdachte zich onbeschaamd op de jarenlange vriendschap met mevrouw [betrokkene 25]-[betrokkene 25] en haar man [medeverdachte 7].

Verdachtes familie, onder wie zijn echtgenote, een zoon, broer, neef en aangetrouwde familieleden, kan in zekere zin als slachtoffer worden beschouwd. Hij presenteert zich als pater familias die het beste met hen voorheeft. Tegelijkertijd brengt hij hen in gevaar. Hij schakelt zijn familie in voor allerlei transacties waardoor zij strafbare feiten plegen, soms als medepleger dan weer als medeplichtige. Sommigen stellen zich daarbij actief op, anderen verrichten slechts hand en spandiensten. De rode draad is echter dat zij niet kunnen – in enkele gevallen willen – weigeren. Verdachte treedt vaak dwingend op. Hij is een meer dan geslaagde zakenman en zal toch wel weten wat goed voor anderen is. Door bovendien de rol van de ander niet al te groot te laten lijken (ga even mee naar de notaris, we moeten even langs de bank, ik heb alleen een handtekening nodig, het pand staat maar korte tijd op je naam, zeg dat tegen een getuige etc.) stemt men eerder in. De ene keer uit loyaliteit, de andere keer omdat men voor eten en woonruimte afhankelijk is van verdachte. Zij realiseren zich dan niet altijd dat zij zich aan strafbare feiten schuldig maakt, zeker wanneer deze hand en spandiensten een structureel karakter krijgen – en dat hebben zij in een aantal gevallen gekregen. Enkele familieleden hebben verklaard wel te hebben vermoed dat een en ander niet helemaal in de haak was, maar toch meegewerkt te hebben. Intussen heeft verdachte die diensten alleen maar nodig omdat zijn transacties onzichtbaar moeten blijven. Met andere woorden: trouwe familieleden worden in het zicht van bijvoorbeeld politie en justitie gebracht omdat verdachte – veroordeeld in 2001 en verdachte in het omvangrijke AMFI onderzoek uit 2004 – uit zicht wil blijven. Ook hier ziet de rechtbank een patroon waarin verdachte zich nauwelijks bekommert om het lot van anderen – naaste familieleden incluis – en zelf transactiewinsten boekt, zij het – uiteraard – geregistreerd op naam van een aan hem loyale of afhankelijke derde."

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft over een langere periode opzettelijk onjuiste bedragen aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Geen oplegging straf of maatregel: Sprake van schending artt. 5 en 6 EVRM, termijnoverschrijding en toepassen voorlopige hechtenis zonder geldige titel.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2073 Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en tot een geldboete van € 74.000, waarvan € 24.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Standpunt verdediging & OM

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is partieel vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde pleegperiode (vanaf januari 2004), alsmede ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde opzet. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel hof

Ten aanzien van feit 1 is door de verdediging aangevoerd, dat de ten laste gelegde periode te lang is, dat enkel kwartalen over 2002 en 2003 in de tenlastelegging zijn uitgewerkt en dat uit het dossier blijkt dat door verdachte over het 1e kwartaal 2004 volledig aangifte is gedaan.

Het hof overweegt dat verdachte het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2004 niet ten laste is gelegd, maar enkel het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2002 en 2003, laatstelijk de aangifte over het vierde kwartaal 2003. Deze aangifte is gedaan op 2 februari 2004. Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof het onjuist doen van deze laatste aangifte bewezen. Het hof zal derhalve de ten laste gelegde periode beperken tot en met 1 maart 2004.

Ten aanzien van feit 2 is door de verdediging aangevoerd dat bij verdachte bij het niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen geen sprake is geweest van opzet. De verdachte heeft desgevraagd de administratie aan de rijksbelastingdienst overhandigd. De rijksbelastingdienst heeft hierop een tweetal rappelbrieven gestuurd naar de verdachte omdat de administratie niet compleet zou zijn. Over het jaar 2002 bleken stukken te ontbreken. Het is echter de vraag of de verdachte deze rappelbrieven heeft ontvangen. De verdachte stelt dat hij van zijn broer heeft vernomen dat bepaalde stukken uit 2002 niet meer voorhanden waren. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst heeft ontvangen, kan niet worden bewezen dat de verdachte (delen van) de administratie over 2002 opzettelijk niet ter beschikking heeft gesteld aan de rijksbelastingdienst.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens het dossier (pag. 62) heeft de verdachte op de vraag van de verbalisanten of hij, op het moment dat hij de administratie van 2002 en 2003 bij de rijksbelastingdienst ging brengen (het hof begrijpt: in de periode na 11 mei 2004 en vóór 4 juni 2004), wist dat deze niet volledig was, het volgende geantwoord:

“Ja, ik wist dat de administratie die ik naar de inspecteur ging brengen over het jaar 2002 niet compleet was wat hij had gevraagd. Ik heb niet specifiek gecontroleerd of alle facturen aanwezig waren. Als u mij vraagt waarom ik niet in de computer had gekeken naar een overzicht van alle overzichtfacturen, moet ik u het antwoord schuldig blijven. Ik heb niet meer zoveel moeite meer willen doen om aan het verzoek van de inspecteur te voldoen, dus ik ben slordig geweest.

Uit deze verklaring leidt het hof af dat de verdachte willens en wetens de administratie betreffende het jaar 2002 aan de rijksbelastingdienst heeft overhandigd, terwijl hij wist dat deze niet compleet was. Ook nadien heeft hij op geen enkele wijze nog een poging ondernomen om de ontbrekende stukken boven water te krijgen. Hiermee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging aan de rijksbelastingdienst beschikbaar te stellen. Dat de verdachte mogelijk de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst niet heeft gezien dan wel niet heeft gelezen, maakt dat niet anders, te meer omdat verdachte heeft verklaard dat hij vermoedt dat de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst wel zijn aangekomen, aangezien het adres juist is vermeld, maar dat het kan zijn dat hij ze niet heeft gelezen omdat hij dikwijls de neiging had om brieven van de rijksbelastingdienst niet open te maken.

Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van schending van artikel 6 en 5 EVRM en dat dit gevolgen dient te hebben voor de op te leggen straf in het voordeel van verdachte.

Schending redelijke termijn

De raadsvrouwe heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een forse schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM nu door het OM niet de nodige voortvarendheid is betracht bij het betekenen van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv. Bovendien is de totale duur van het geding – vanaf het eerste verhoor, te weten 21 december 2004, tot heden – zodanig lang dat gesproken kan worden van schending van de redelijke termijn.

Schending art. 5 EVRM

Daarnaast is sprake van schending van artikel 5 EVRM aangezien het openbaar ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door de verdachte in de onderhavige zaak 100 dagen ten onrechte in hechtenis te houden. De uitspraak was nog niet onherroepelijk en voorts was verdachte niet veroordeeld tot een gevangenisstraf maar tot een taakstraf. Voor zover deze zou zijn omgezet, waarvan overigens ieder bewijs ontbreekt, is de omzetting onjuist toegepast aangezien verdachte was veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, aldus de raadsvrouwe.

Voorts dient in het voordeel van de verdachte rekening te worden gehouden met een kortere pleegperiode bij feit 1, alsmede met de omstandigheden dat de verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en een volledige bekentenis heeft afgelegd, dat de medepleger (de broer van de verdachte) een mildere straf opgelegd heeft gekregen en dat de verdachte sinds de onderhavige zaak niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan financiële draagkracht.

De raadsvrouwe heeft primair bepleit te volstaan met het opleggen van een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke detentie. Subsidiair is – in voorwaardelijke zin – een verzoek gedaan tot aanhouding teneinde met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte recente informatie op te vragen bij de reclassering en/of gemeente. Meer subsidiair is verzocht om de door de verdachte in hechtenis doorgebrachte periode van 100 dagen in mindering te brengen op een op te leggen geldboete of gevangenisstraf.

Het hof overweegt in dit verband nog dat de verdachte niet éénmalig maar over een langere periode opzettelijk onjuiste bedragen aan verschuldigde omzetbelasting heeft opgegeven. Verdachte heeft – kennelijk gedreven door de mogelijkheid van financieel gewin, vooral ook omdat naar verdachtes eigen zeggen zijn onderneming (internationale houthandel) niet goed liep – in die periode van 2 jaren telkens ieder kwartaal er opnieuw voor gekozen geen of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, terwijl een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting afhankelijk is van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Indien aangiften worden gedaan waarop een onjuist bedrag aan te betalen omzetbelasting staat vermeld, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Bij de heffing van belastingen dient de rijksbelastingdienst erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze misbruikt en van dit stelsel op grove wijze geprofiteerd. Daarmee heeft hij de Staat der Nederlanden benadeeld.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder (in 2003) ter zake een strafbaar feit onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld; tevens blijkt daaruit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten als de onderhavige;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken; het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de verdachte volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de FIOD en dat hij momenteel niet over enige bron van inkomsten beschikt.

Het hof acht zich, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende voorgelicht omtrent de persoon van de verdachte zodat het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen.

Met betrekking tot de door de verdediging gestelde schending van artikel 6 EVRM overweegt het hof als volgt.

Op 21 december 2004 is de verdachte door de FIOD in de onderhavige zaak als verdachte gehoord. Op 19 juni 2006 is de verdachte bij verstek door de politierechter veroordeeld. Op 8 mei 2007 is deze uitspraak aan de verdachte medegedeeld en op 9 mei 2007 is de verdachte in hoger beroep gekomen tegen dat vonnis. Het hof heeft bij arrest van 27 mei 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8749) het vonnis van 19 juni 2006 vernietigd en heeft de zaak – aangezien door de politierechter de wettelijke betekeningstermijn en de Algemene Termijnenwet niet in acht waren genomen – teruggewezen naar de rechtbank om op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan. Vervolgens is door de politierechter opnieuw bij verstek een veroordelend vonnis gewezen op 1 april 2009. Tot op deze datum is de termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht, weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang.

Echter, de verdachte is eerst op de hoogte gekomen van voornoemd vonnis, toen hij op 27 oktober 2014 in hechtenis werd genomen. Op laatstgenoemde datum is het vonnis hem in persoon uitgereikt. De verdachte heeft vervolgens tijdig hoger beroep ingesteld op 4 november 2014.

Het hof heeft moeten vaststellen dat uit de stukken op geen enkele wijze blijkt dat het openbaar ministerie een poging heeft ondernomen om in de periode van ruim 5 jaar na datum vonnis d.d. 1 april 2009, voornoemd vonnis aan de verdachte uit te reiken. Het hof acht dit kwalijk, te meer omdat uit de stukken blijkt dat het adres van de verdachte in [land], zijnde zijn toenmalige GBA-adres, bij justitie bekend was en ook in Nederland adressen bekend waren via welke de verdachte had kunnen worden bereikt, zoals het adres van zijn vader of broer. Desondanks heeft het openbaar ministerie nagelaten te trachten de mededeling uitspraak aan verdachte uit te reiken. Dit levert naar het oordeel van het hof een schending op van artikel 6 EVRM.

Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 5 EVRM overweegt het hof dat uit de door de raadsvrouwe aan het dossier toegevoegde stukken volgt dat de verdachte in detentie heeft gezeten van 27 oktober 2014 tot en met 4 februari 2015 op grond van een vonnis d.d. 19 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 01-994010-05. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van deze informatie navraag laten doen en heeft vervolgens op 18 mei 2015 het hof per e-mail bericht dat is gebleken dat het arrondissementsparket ten onrechte het CJIB heeft gemeld dat er een vonnis lag van 19 juni 2007, onherroepelijk geworden op 6 juli 2007. Er was namelijk, zoals hiervoor vastgesteld, sprake van een vonnis van 19 juni 2006, welk vonnis niet onherroepelijk was. De verdachte was immers in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis en het hof heeft dit vonnis vernietigd bij arrest van 27 mei 2008 en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank, hetgeen geresulteerd heeft in het vonnis d.d. 1 april 2009, waarvan thans hoger beroep. De bij vonnis van 19 juni 2006 opgelegde werkstraf van 200 uur is echter uiteindelijk omgezet in 100 dagen hechtenis omdat men geen contact kon krijgen met de verdachte.

Gelet op de toelichting van de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat hier sprake is van een grove schending van de belangen van de verdachte. De verdachte is zonder geldige titel in hechtenis gezet en heeft ten onrechte 100 dagen vastgezeten.

Alles overziende acht het hof het raadzaam te bepalen dat in verband met voornoemde schendingen van het EVRM de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van valse vrijwaringsbewijzen

Gerechtshof Den Haag 21 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1426 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van valse vrijwaringsbewijzen. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van autoverkopers door valse vrijwaringsbewijzen af te geven. 

Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak en veroordeling voor oplichting met spaargeld

Het gerechtshof Den Haag heeft op 10 juni 2015 uitspraak gedaan in de zaken tegen twee bestuurders die van oplichting met spaargeld verdacht werden. Een bestuurder is vrijgesproken. Het hof heeft de andere bestuurder veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf.

De twee verdachten waren bestuurders van een bedrijf dat mensen zou hebben geïnteresseerd in het storten van geld op een spaarrekening. In werkelijkheid werd dit geld risicovol belegd in bedrijven. Het hof heeft een van de twee mannen vrijgesproken van de oplichting, omdat niet is bewezen dat hij wist dat aan de inleggers werd voorgehouden dat het geld op een spaarrekening zou worden gestort.
De andere man is veroordeeld tot 23 maanden celstraf. Hij is degene die het beleggingsproduct verkocht alsof het een spaarproduct was. De advocaat-generaal van het Openbaar Ministerie had tegen hem 4 jaar cel geëist. Het hof vond deze straf te zwaar, gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en omdat deze verdachte nooit eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en voorts gelet op de redelijke termijn voor de berechting.

 

Print Friendly and PDF ^