Vrijspraak voor Twentse ex-neuroloog: Opzet niet bewezen
/Eerste aanleg
Hoger beroep
Onherroepelijke feiten
Gerechtshof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1427 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk, het vervalsen van OV-chipkaarten en het voorhanden hebben van apparatuur ten behoeve van dit vervalsen.
Nadere bewijsoverweging
Het begrip "geautomatiseerd werk" is gedefinieerd in artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht, luidende: "Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen."
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de OV-chipkaart een elektronische betaalpas met een Near Field Communication (NFC)-chip is, welke chip een actieve chip is die volgens haar moet worden gekwalificeerd als een geautomatiseerd werk.
Het hof is – met de advocaat-generaal - van oordeel dat de (NFC-)chip van de OV-chipkaarten waartoe de verdachte zich toegang heeft verschaft kan worden aangemerkt als een geautomatiseerd werk, nu deze chip bestemd is (en de technische mogelijkheden heeft) om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.
Bewezenverklaring
Strafoplegging
Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 uren.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4297 Namens verzoeker is ex art. 89 Sv verzocht om vergoeding van de (hogere) kosten van een nieuw geboekte vakantie. Door de vrijheidsbeneming heeft verzoeker de eerder geboekte de vlucht naar zijn vakantiebestemming gemist. Het hof oordeelt dat de kosten van een nieuw geboekte vakantie redelijkerwijs kunnen worden aangemerkt als schade die als gevolg van de onrechtmatige vrijheidsbeneming is geleden.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2097
In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 5.000 ter zake van:
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 13 maart 2012 heeft het hof het eerdere vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende, de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.700 alsmede tot een werkstraf voor de duur van 72 uren ter zake van:
De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 4 maart 2014 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof d.d. 13 maart 2012 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Omvang van het hoger beroep
Door de verdediging is met betrekking tot de in feit 2 opgenomen feitelijk uitgewerkte valsheden (in totaal 6) aangevoerd dat deze los van elkaar staan en aangemerkt moeten worden als gevoegde feiten in de zin van artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering. Nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van de valsheid met betrekking tot de post voorraad, kan verdachte niet worden ontvangen in het hoger beroep ter zake van dit feit. Het is de verdediging niet bekend of het openbaar ministerie in beroep is gekomen tegen deze deelvrijspraken en zo ja, wat de grieven daartegen zijn, aldus de raadsman van de verdachte.
Het hof overweegt dat uit het dossier blijkt dat bij akte van 25 mei 2009 de officier van justitie appel heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De aanzegging hoger beroep is op 29 mei 2009 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Op dezelfde datum is een afschrift daarvan naar de raadsman van de verdachte verzonden. Het grievenformulier d.d. 28 mei 2009 is aan de akte hoger beroep gehecht. Nu het openbaar ministerie blijkens de akte rechtsmiddel ‘onbeperkt’ appel heeft ingesteld, zijn alle feiten in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.
Vrijspraak feit 1
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, overweegt het hof dat niet is gebleken dat verdachte niet zou hebben verklaard dat alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat. De notariële akte bevat derhalve de waarheid dat verdachte dat heeft verklaard en van deze waarheid moet de akte doen blijken. Ten aanzien van de vraag of alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat, overweegt het hof dat niet is gebleken dat op het moment van het sluiten van de overeenkomst tot levering van de aandelen van naam bedrijf verdachte aan bedrijf benadeelde sprake was van één of meer op naam bedrijf verdachte rustende aangifteverplichtingen waaraan niet dan wel niet tijdig was voldaan. Hierbij is niet relevant, zoals de advocaat-generaal lijkt af te leiden uit de nadien opgelegde naheffingsaanslagen, dat de ingediende aangiften weliswaar tijdig, maar (wellicht) onjuist zijn gedaan, omdat ten aanzien van de juistheid van de (tijdig) ingediende aangiften de verdachte niets heeft verklaard en dienaangaande, overeenkomstig de waarheid, dan ook in de akte niets is opgenomen.
Ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde is het hof, indachtig het arrest van de Hoge Raad d.d. 4 maart 2014, van oordeel dat de notariële akte de waarheid weergeeft dát de verdachte heeft verklaard dat hij de duidelijkheid en de getrouwheid van de balans en de verdeling van de balansposten garandeert, zodat de akte een juiste weergave is van hetgeen verdachte heeft verklaard. Of de in de notariële akte, door de verdachte afgelegde, weergegeven verklaring – de balans geeft duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weer– (inhoudelijk) waar is, is niet een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken. Indien blijkt dat de balans niet duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en/of de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft levert de akte (wel) het bewijs op dat de verdachte heeft verklaard, dat dat wel zo zou zijn. De verklaring van verdachte in de akte kan derhalve niet worden aangemerkt als een verklaring van welks waarheid die akte moet doen blijken waar het gaat om de duidelijkheid en getrouwheid van die balans zelf.
Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, overweegt het hof dat niet is gebleken dat verdachte niet zou hebben verklaard dat alle relevante belastingaangiften steeds tijdig zijn geschied en dat er dienaangaande geen achterstand bestaat. Daarmee is de notariële akte niet vals.
Ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde is het hof, anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging, van oordeel dat ook ten aanzien van het bepaalde van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht geldt, dat de notariële akte de waarheid weergeeft dát de verdachte heeft verklaard dat hij de duidelijkheid en de getrouwheid van de balans en de verdeling van de balansposten garandeert, zodat de akte een juiste weergave is van hetgeen verdachte heeft verklaard. Bij de bewijsbestemming van dit artikel gaat het immers om het bewijs van de waarheid van enig feit, namelijk het feit dat verdachte heeft verklaard zoals in het geschrift (notariële akte) is opgetekend. De strekking van het bepaalde in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht brengt niet met zich dat met door de verdachte gegeven en in het geschrift opgenomen verklaring – de balans geeft duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weer– het geschrift bestemd is als bewijs te dienen van het feit dat de balans duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft.
Evenals bij artikel 227 heeft ook bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht te gelden dat onwaarheden alleen strafbaar zijn, voor zover zij voorkomen in gegevens ten bewijze waarvan het betreffende document bestemd is. Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte die akte als verkoper heeft ondertekend, als ware de inhoud van die balans conform de werkelijkheid, doch slechts ten bewijze van de afgegeven balansgarantie zelf.
Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Daarbij overweegt het hof dat de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde ook gevolgen heeft voor onderdelen van het ten laste gelegde onder 2 en onder 3, evenals dat de vrijspraak van onderdelen van het onder 2 ten laste gelegde gevolgen heeft voor onderdelen van het onder 3 ten laste gelegde.
Ter zake feit 2 en feit 3 overweegt het hof in het bijzonder omtrent de volgende ten laste gelegde onderdelen (van welke de verdachte wordt vrijgesproken):
Feit 2
Met betrekking tot de ten laste gelegde valsheid erin bestaande dat in de jaarrekeningen niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
De verplichting van artikel 2:375 3e lid Burgerlijk Wetboek, inhoudende dat wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied, is niet van toepassing, nu zowel de jaarrekening van 30 november 2003 als de jaarrekening van 31 december 2003 niet kan worden aangemerkt als een jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 BW (balans- en verliesrekening met toelichting) en zoals bedoeld in de tenlastelegging.
De jaarrekening van november 2003 betreft een stuk bevattende tussentijdse cijfers, op welk stuk titel 9 van boek 2 BW niet van toepassing is, zodat deze jaarrekening niet valt onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Ook de jaarrekening van december 2003 valt niet onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Immers, aan deze jaarrekening ontbreekt de vereiste toelichting en voorts wordt dit stuk door de koper en de boekhouder naam boekhouder niet aangeduid als “jaarrekening”. De koper heeft het over “een concept jaarrekening” en naam boekhouder noemt het “een geconsolideerde balans”.
Voorts heeft bij de verdachte het opzet ontbroken, nu hij geen accountant is en geen enkele accountantskennis heeft, hetgeen ook niet van hem gevergd kan worden. Bij verdachte ontbrak het aan de wetenschap dat de stukken onjuist waren en dat een pandrecht in de jaarstukken vermeld zou moeten worden. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse stukken, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Het hof acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat door verdachte opzettelijk valselijk in de jaarrekeningen of balansen d.d. 30 november 2003 en d.d. 31 december 2003 niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven.
Het hof overweegt allereerst dat het feit dat de overzichten van 30 november 2003 en van 31 december 2003, die verdachte aan de koper verstrekte, geen “jaarrekeningen” in de zin van het BW zouden zijn, niet afdoet aan de omstandigheid dat het financiële overzichten betreft op grond waarvan door partijen gesprekken werden gevoerd over de koop/verkoop van aandelen en van welke overzichten de verdachte de koper heeft voorgespiegeld dat het zou gaan om de juiste financiële informatie. Het hof leest de tenlastelegging dan ook in die zin dat met de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “(geconsolideerde) jaarrekening(en) en/of balans(en) per 30 november 2003 en/of 31 december 2003 (inclusief toelichting(en)/verklaring(en))” niet de wettelijke jaarrekeningen in de zin van titel 9 van het tweede boek van het BW worden bedoeld, maar dat het geschriften zijn die moeten worden beschouwd als financiële overzichten. De naamgeving daarvan is voor de strafrechtelijke beoordeling van de tenlastelegging van ondergeschikt belang.
Voorts is het hof van oordeel dat het afgeven van een pandrecht ten bedrage van 150.000 euro voor een schuld van 49.000 euro, door verdachte opgenomen had moeten worden in een toelichting dan wel in een verklaring gevoegd bij deze financiële overzichten. Verdachte had moeten begrijpen dat dat van belang was voor de waarde van de aandelen waarover de verdachte onderhandelde met benadeelde, mede in het licht van de totale overnameprijs. De verdachte heeft echter verklaard dat hij bij die onderhandelingen de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte, door het niet opnemen van het afgegeven pandrecht in een toelichting bij de jaarstukken (zijnde de financiële overzichten), zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de aandelen van de vennootschap) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van de post belastingen/premies is door de verdediging aangevoerd dat op het moment dat de balans over 2003 werd opgemaakt nog niet bekend was dat die post onjuiste cijfers bevatte. Immers, het boekenonderzoek van de belastingdienst heeft eerst op 9 april 2004 plaatsgevonden en het concept controlerapport met de bevindingen is eerst op 17 mei 2004 aangeboden. De naheffingsaanslagen die het resultaat zijn geweest van de boekencontrole zijn op 30 juni 2004 opgelegd. Dit alles maakt in de ogen van de verdediging nog niet dat de jaarrekeningen die in 2003 zijn opgemaakt vals of vervalst waren. Daarvoor ontbreekt het bewijs.
In ieder geval hebben eind maart/begin april 2004, op een tijdstip gelegen vóór 15 april 2004 (zijnde de datum van de overdracht van de aandelen), correcties in rekening-courant plaatsgevonden. Deze correcties hielden (onder meer) in dat verdachte geld stortte in de vennootschap in verband met de te verwachten correcties inzake de belastingheffing en dat hij voor dit bedrag in rekening-courant is gecrediteerd. De koper benadeelde was van deze correcties op de hoogte. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de balansen als waren die echt en onvervalst. Bovendien is bij verdachte eerst in die periode de wetenschap ontstaan dat de vergoeding aan de zaterdaghulp in de loonadministratie opgenomen had moeten worden. Er is geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte daar reeds in 2003 van op de hoogte was. Voorts kan aan het “concept-controlerapport”, zoals opgenomen in het dossier, geen zelfstandige/volledige bewijskracht worden toegekend omdat het hooguit kan gelden als een geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering. Het concept-controlerapport betreft overigens slechts een kopie en geen gewaarmerkt afschrift van het authentieke rapport.
Het hof overweegt dat uit het rapport inzake het op 9 april 2004 ingestelde boekenonderzoek loonheffing blijkt dat de verdachte als directeur tot en met het jaar 2001 een vaste vergoeding van fl. 250 kreeg uitbetaald. Vanaf het jaar 2002 werd deze vergoeding omgezet in een vaste vergoeding ad € 250, zonder nadere onderbouwing. De verdachte heeft verklaard dat hij van deze vergoeding de zaterdaghulp uitbetaalde. De betalingen aan deze zaterdaghulp waren echter niet opgenomen in de loonadministratie terwijl de arbeidsverhouding tussen deze persoon en het bedrijf van de verdachte wel als dienstbetrekking is aan te merken. De betalingen aan de zaterdaghulp hadden derhalve als loon moeten worden opgenomen in de loonadministratie. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de betalingen die aan de zaterdaghulp werden verstrekt over de jaren 2001, 2002 en 2003 niet in de loonadministratie waren opgenomen, dat hij een en ander had moeten doen maar dat hij door persoonlijke en financiële omstandigheden heeft verzuimd de betalingen in de loonadministratie op te nemen. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte reeds in 2003 (en zelfs eerder) wist dat de post belastingen/premies in de jaarrekeningen onjuist waren. Gelet op deze wetenschap acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes opzet ook was gericht op de valsheid voortvloeiende uit de onjuiste weergave in de jaarrekeningen.
Het hof is ten slotte nog van oordeel dat het concept-controlerapport van de belastingdienst als bewijsmiddel (te weten, een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering) kan worden gebezigd. Gelet op de door het hof ten aanzien van feit 2 gebezigde bewijsmiddelen, is namelijk aan het bewijsminimum voldaan. Niet is vereist dat de inhoud van wat in dit geschrift is neergelegd ook wordt bevestigd door het andere bewijsmiddel. Het hof merkt nog op dat het bewijsminimum bovendien geldt ten aanzien van de gehele tenlastelegging en niet ten aanzien van elk onderdeel afzonderlijk.
Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.
De raadsman van de verdachte heeft met betrekking tot de post crediteuren aangevoerd dat verdachte niet met opzet cijfers anders heeft willen voorstellen dan in werkelijkheid. Ook was er geen sprake van voorwaardelijk opzet. De verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren, levert hiervoor geen bewijs op. Immers, deze verklaring moet worden opgevat in de betekenis van het zo positief als mogelijk presenteren, in de zin van toelaatbaar. Nu opzet niet kan worden bewezen dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.
Uit het rapport van naam accountantskantoor d.d. 24 maart 2006 (dossierpagina 56) blijkt dat de post crediteuren niet correct is weergegeven. De verdachte heeft dat ook erkend tegenover de politie. Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren (dossierpagina 258) wel degelijk tot het bewijs van (voorwaardelijk) opzet kan worden gebezigd. Het achterliggende doel van de verdachte was immers het verkopen van aandelen in zijn vennootschap. In dat verband wilde hij de cijfers er zo goed mogelijk laten uitzien, aldus zijn verklaring bij de politie op 21 maart 2007. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte de balanspost crediteuren in de jaarrekeningen te laag heeft opgevoerd en zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de onderneming) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.
Feit 3
Uit de bewijsmiddelen (waaronder de aangifte van benadeelde) leidt het hof af dat de verdachte door het onjuist opmaken van bepaalde balansposten en het niet-vermelden van het pandrecht in die jaarrekeningen aangever benadeelde een voorstelling van zaken heeft voorgespiegeld waardoor deze benadeelde werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomst tot koop van de aandelen van naam bedrijf verdachte, waaruit een schuld voortvloeide voor de aangever (de betaling van de aandelen).
Zoals hiervoor overwogen was de verdachte zich bewust van de onjuiste vermelding van de posten belastingen en premies respectievelijk crediteuren op de balans en het niet-vermelden van het pandrecht. De verdachte wilde dat er bij de onderhandelingen over de overname van het bedrijf er een zo positief mogelijk beeld van het bedrijf zou worden verkregen, zodat de verkoop van de aandelen zou doorgaan. Hieruit vloeit, naar het oordeel van het hof, het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen voort.
Bewezenverklaring
Strafoplegging
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Lees hier de volledige uitspraak.
De rechtbank Den Haag heeft vorige week vijf jaar gevangenisstraf opgelegd aan de hoofdverdachte in een omvangrijk en langdurend witwas- en fraudeonderzoek. Zijn echtgenote krijgt een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Zeven verdachten, waaronder familieleden van de hoofdverdachte, zijn veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen.
De hoofdverdachte heeft op grote schaal met crimineel geld gehandeld in onroerend goed. Banken werden opgelicht en panden werden op naam van anderen gesteld om zo te verhullen dat de hoofdverdachte de werkelijke rechthebbende was. Daarbij maakte de hoofdverdachte gebruik van veelal kwetsbare personen als katvangers.
Een aantal van de katvangers is ook veroordeeld, omdat zij zonder vragen te stellen of onderzoek te doen hebben meegewerkt aan de praktijken van de hoofdverdachte. Ook heeft hij geprobeerd erfgenamen hun erfenis te ontfutselen met behulp van een valse schuldbekentenis van hun overleden zoon/familielid.
De rechtbank heeft een groot aantal panden en veel geld, dat onder andere stond op bankrekeningen in België en Luxemburg, verbeurd verklaard. Dat geld gaat naar de Staat.
"Het ontbreekt verdachte aan ieder inzicht omtrent het kwalijke van zijn handelen. Noch ten opzichte van de banken noch ten opzichte van de katvangers of zakenpartners heeft verdachte hiervan doen blijken. Ter zitting heeft verdachte slechts opgemerkt dat hij ‘de ander slechts wilde helpen, maar niet vromer is dan de paus’. Het lijkt verdachte volkomen onverschillig te laten welke gevolgen anderen van zijn handelen ondervinden. Het zaken doen lijkt voor verdachte een competitie met voor alle deelnemers gelijke kansen op winst of verlies, ook als hij kwetsbare mensen voor zijn karretje spant of oplicht en banken belazert met valse gegevens. Wanneer hij – na ontvangst van geld – als winnaar uit de bus komt, is er geen aanleiding om zich om de verliezers te bekommeren. Zij waren er immers zelf bij en hadden dus ook kunnen winnen, zo lijkt verdachte te willen zeggen zonder aan de gepleegde fraude te (willen) denken. Tegelijkertijd wijst verdachte naar anderen – kennelijk om de aandacht van de gedupeerden af te leiden. Anderen hebben hem groot onrecht aangedaan zo stelt verdachte bij herhaling. In zijn beleving is hij het slachtoffer van de politie, het openbaar ministerie en de belastingdienst. Verdachte gebruikt hierbij veel – en soms grote – woorden. Dat is zijn goed recht, maar zonder enige steekhoudende onderbouwing bevestigt dit slechts de indruk dat verdachte de aanleiding van dit strafproces buiten zichzelf zoekt zonder van enig inzicht over zijn eigen bijdrage blijk te geven. Ook in de zaak [Slachtoffer 2] is dit patroon te zien. Toen [Slachtoffer 2] zich uit de onderhandelingen met verdachte terugtrok omdat zij het niet eens konden worden over de verkoopprijs van de geërfde woning, ging verdachte met [Slachtoffer 2] de strijd aan. Een ongelijke strijd, waarbij verdachte als bemiddelde en ervaren onroerend goed handelaar een voorsprong had en die trachtte uit te buiten met een vervalste schuldbekentenis. Een en ander heeft verdachte er niet van weerhouden ter terechtzitting op te merken dat [Slachtoffer 2] uit was op het bloedgeld van zijn zoon.
Ook in het witwasdossier lijkt verdachte zich af te vragen wat hem te verwijten valt. Ter zitting heeft verdachte onverschillig opgemerkt dat als ‘dit witwassen is, hij al 25 jaar aan het witwassen is’ en dat hij slechts met panden schuift. Hij miskent volledig dat hij hiermee verhult dat deze panden (deels) met misdrijfgeld zijn gekocht. Verdachte lijkt evenmin in te zien dat hij anderen met grote schulden achterlaat als hij hun bezit ontneemt. Als voorbeeld haalt de rechtbank de koop van Zacharius Jansenstraat [B] door verdachte aan. Deze is betaald uit de door verdachte georganiseerde verkoop van Newtonstraat [A] van mevrouw [betrokkene 25]-[betrokkene 25], waarvoor zij jaren lang rente en aflossing had betaald en waar nog een relatief lage hypotheekschuld resteerde. Dit restant is afgelost, maar de rest van de verkoopopbrengst is haar door toedoen van verdachte ontglipt. Intussen beroept verdachte zich onbeschaamd op de jarenlange vriendschap met mevrouw [betrokkene 25]-[betrokkene 25] en haar man [medeverdachte 7].
Verdachtes familie, onder wie zijn echtgenote, een zoon, broer, neef en aangetrouwde familieleden, kan in zekere zin als slachtoffer worden beschouwd. Hij presenteert zich als pater familias die het beste met hen voorheeft. Tegelijkertijd brengt hij hen in gevaar. Hij schakelt zijn familie in voor allerlei transacties waardoor zij strafbare feiten plegen, soms als medepleger dan weer als medeplichtige. Sommigen stellen zich daarbij actief op, anderen verrichten slechts hand en spandiensten. De rode draad is echter dat zij niet kunnen – in enkele gevallen willen – weigeren. Verdachte treedt vaak dwingend op. Hij is een meer dan geslaagde zakenman en zal toch wel weten wat goed voor anderen is. Door bovendien de rol van de ander niet al te groot te laten lijken (ga even mee naar de notaris, we moeten even langs de bank, ik heb alleen een handtekening nodig, het pand staat maar korte tijd op je naam, zeg dat tegen een getuige etc.) stemt men eerder in. De ene keer uit loyaliteit, de andere keer omdat men voor eten en woonruimte afhankelijk is van verdachte. Zij realiseren zich dan niet altijd dat zij zich aan strafbare feiten schuldig maakt, zeker wanneer deze hand en spandiensten een structureel karakter krijgen – en dat hebben zij in een aantal gevallen gekregen. Enkele familieleden hebben verklaard wel te hebben vermoed dat een en ander niet helemaal in de haak was, maar toch meegewerkt te hebben. Intussen heeft verdachte die diensten alleen maar nodig omdat zijn transacties onzichtbaar moeten blijven. Met andere woorden: trouwe familieleden worden in het zicht van bijvoorbeeld politie en justitie gebracht omdat verdachte – veroordeeld in 2001 en verdachte in het omvangrijke AMFI onderzoek uit 2004 – uit zicht wil blijven. Ook hier ziet de rechtbank een patroon waarin verdachte zich nauwelijks bekommert om het lot van anderen – naaste familieleden incluis – en zelf transactiewinsten boekt, zij het – uiteraard – geregistreerd op naam van een aan hem loyale of afhankelijke derde."
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2073 Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en tot een geldboete van € 74.000, waarvan € 24.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:
Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
Feit 2: opzettelijk het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Standpunt verdediging & OM
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens verdachte is partieel vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde pleegperiode (vanaf januari 2004), alsmede ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde opzet. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel hof
Ten aanzien van feit 1 is door de verdediging aangevoerd, dat de ten laste gelegde periode te lang is, dat enkel kwartalen over 2002 en 2003 in de tenlastelegging zijn uitgewerkt en dat uit het dossier blijkt dat door verdachte over het 1e kwartaal 2004 volledig aangifte is gedaan.
Het hof overweegt dat verdachte het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2004 niet ten laste is gelegd, maar enkel het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2002 en 2003, laatstelijk de aangifte over het vierde kwartaal 2003. Deze aangifte is gedaan op 2 februari 2004. Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof het onjuist doen van deze laatste aangifte bewezen. Het hof zal derhalve de ten laste gelegde periode beperken tot en met 1 maart 2004.
Ten aanzien van feit 2 is door de verdediging aangevoerd dat bij verdachte bij het niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen geen sprake is geweest van opzet. De verdachte heeft desgevraagd de administratie aan de rijksbelastingdienst overhandigd. De rijksbelastingdienst heeft hierop een tweetal rappelbrieven gestuurd naar de verdachte omdat de administratie niet compleet zou zijn. Over het jaar 2002 bleken stukken te ontbreken. Het is echter de vraag of de verdachte deze rappelbrieven heeft ontvangen. De verdachte stelt dat hij van zijn broer heeft vernomen dat bepaalde stukken uit 2002 niet meer voorhanden waren. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst heeft ontvangen, kan niet worden bewezen dat de verdachte (delen van) de administratie over 2002 opzettelijk niet ter beschikking heeft gesteld aan de rijksbelastingdienst.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens het dossier (pag. 62) heeft de verdachte op de vraag van de verbalisanten of hij, op het moment dat hij de administratie van 2002 en 2003 bij de rijksbelastingdienst ging brengen (het hof begrijpt: in de periode na 11 mei 2004 en vóór 4 juni 2004), wist dat deze niet volledig was, het volgende geantwoord:
“Ja, ik wist dat de administratie die ik naar de inspecteur ging brengen over het jaar 2002 niet compleet was wat hij had gevraagd. Ik heb niet specifiek gecontroleerd of alle facturen aanwezig waren. Als u mij vraagt waarom ik niet in de computer had gekeken naar een overzicht van alle overzichtfacturen, moet ik u het antwoord schuldig blijven. Ik heb niet meer zoveel moeite meer willen doen om aan het verzoek van de inspecteur te voldoen, dus ik ben slordig geweest.
Uit deze verklaring leidt het hof af dat de verdachte willens en wetens de administratie betreffende het jaar 2002 aan de rijksbelastingdienst heeft overhandigd, terwijl hij wist dat deze niet compleet was. Ook nadien heeft hij op geen enkele wijze nog een poging ondernomen om de ontbrekende stukken boven water te krijgen. Hiermee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging aan de rijksbelastingdienst beschikbaar te stellen. Dat de verdachte mogelijk de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst niet heeft gezien dan wel niet heeft gelezen, maakt dat niet anders, te meer omdat verdachte heeft verklaard dat hij vermoedt dat de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst wel zijn aangekomen, aangezien het adres juist is vermeld, maar dat het kan zijn dat hij ze niet heeft gelezen omdat hij dikwijls de neiging had om brieven van de rijksbelastingdienst niet open te maken.
Het verweer wordt verworpen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Strafoplegging
De verdediging heeft betoogd dat sprake is van schending van artikel 6 en 5 EVRM en dat dit gevolgen dient te hebben voor de op te leggen straf in het voordeel van verdachte.
Schending redelijke termijn
De raadsvrouwe heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een forse schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM nu door het OM niet de nodige voortvarendheid is betracht bij het betekenen van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv. Bovendien is de totale duur van het geding – vanaf het eerste verhoor, te weten 21 december 2004, tot heden – zodanig lang dat gesproken kan worden van schending van de redelijke termijn.
Schending art. 5 EVRM
Daarnaast is sprake van schending van artikel 5 EVRM aangezien het openbaar ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door de verdachte in de onderhavige zaak 100 dagen ten onrechte in hechtenis te houden. De uitspraak was nog niet onherroepelijk en voorts was verdachte niet veroordeeld tot een gevangenisstraf maar tot een taakstraf. Voor zover deze zou zijn omgezet, waarvan overigens ieder bewijs ontbreekt, is de omzetting onjuist toegepast aangezien verdachte was veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, aldus de raadsvrouwe.
Voorts dient in het voordeel van de verdachte rekening te worden gehouden met een kortere pleegperiode bij feit 1, alsmede met de omstandigheden dat de verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en een volledige bekentenis heeft afgelegd, dat de medepleger (de broer van de verdachte) een mildere straf opgelegd heeft gekregen en dat de verdachte sinds de onderhavige zaak niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan financiële draagkracht.
De raadsvrouwe heeft primair bepleit te volstaan met het opleggen van een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke detentie. Subsidiair is – in voorwaardelijke zin – een verzoek gedaan tot aanhouding teneinde met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte recente informatie op te vragen bij de reclassering en/of gemeente. Meer subsidiair is verzocht om de door de verdachte in hechtenis doorgebrachte periode van 100 dagen in mindering te brengen op een op te leggen geldboete of gevangenisstraf.
Het hof overweegt in dit verband nog dat de verdachte niet éénmalig maar over een langere periode opzettelijk onjuiste bedragen aan verschuldigde omzetbelasting heeft opgegeven. Verdachte heeft – kennelijk gedreven door de mogelijkheid van financieel gewin, vooral ook omdat naar verdachtes eigen zeggen zijn onderneming (internationale houthandel) niet goed liep – in die periode van 2 jaren telkens ieder kwartaal er opnieuw voor gekozen geen of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, terwijl een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting afhankelijk is van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Indien aangiften worden gedaan waarop een onjuist bedrag aan te betalen omzetbelasting staat vermeld, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Bij de heffing van belastingen dient de rijksbelastingdienst erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze misbruikt en van dit stelsel op grove wijze geprofiteerd. Daarmee heeft hij de Staat der Nederlanden benadeeld.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:
- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder (in 2003) ter zake een strafbaar feit onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld; tevens blijkt daaruit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten als de onderhavige;
- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken; het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de verdachte volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de FIOD en dat hij momenteel niet over enige bron van inkomsten beschikt.
Het hof acht zich, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende voorgelicht omtrent de persoon van de verdachte zodat het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen.
Met betrekking tot de door de verdediging gestelde schending van artikel 6 EVRM overweegt het hof als volgt.
Op 21 december 2004 is de verdachte door de FIOD in de onderhavige zaak als verdachte gehoord. Op 19 juni 2006 is de verdachte bij verstek door de politierechter veroordeeld. Op 8 mei 2007 is deze uitspraak aan de verdachte medegedeeld en op 9 mei 2007 is de verdachte in hoger beroep gekomen tegen dat vonnis. Het hof heeft bij arrest van 27 mei 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8749) het vonnis van 19 juni 2006 vernietigd en heeft de zaak – aangezien door de politierechter de wettelijke betekeningstermijn en de Algemene Termijnenwet niet in acht waren genomen – teruggewezen naar de rechtbank om op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan. Vervolgens is door de politierechter opnieuw bij verstek een veroordelend vonnis gewezen op 1 april 2009. Tot op deze datum is de termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht, weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang.
Echter, de verdachte is eerst op de hoogte gekomen van voornoemd vonnis, toen hij op 27 oktober 2014 in hechtenis werd genomen. Op laatstgenoemde datum is het vonnis hem in persoon uitgereikt. De verdachte heeft vervolgens tijdig hoger beroep ingesteld op 4 november 2014.
Het hof heeft moeten vaststellen dat uit de stukken op geen enkele wijze blijkt dat het openbaar ministerie een poging heeft ondernomen om in de periode van ruim 5 jaar na datum vonnis d.d. 1 april 2009, voornoemd vonnis aan de verdachte uit te reiken. Het hof acht dit kwalijk, te meer omdat uit de stukken blijkt dat het adres van de verdachte in [land], zijnde zijn toenmalige GBA-adres, bij justitie bekend was en ook in Nederland adressen bekend waren via welke de verdachte had kunnen worden bereikt, zoals het adres van zijn vader of broer. Desondanks heeft het openbaar ministerie nagelaten te trachten de mededeling uitspraak aan verdachte uit te reiken. Dit levert naar het oordeel van het hof een schending op van artikel 6 EVRM.
Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 5 EVRM overweegt het hof dat uit de door de raadsvrouwe aan het dossier toegevoegde stukken volgt dat de verdachte in detentie heeft gezeten van 27 oktober 2014 tot en met 4 februari 2015 op grond van een vonnis d.d. 19 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 01-994010-05. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van deze informatie navraag laten doen en heeft vervolgens op 18 mei 2015 het hof per e-mail bericht dat is gebleken dat het arrondissementsparket ten onrechte het CJIB heeft gemeld dat er een vonnis lag van 19 juni 2007, onherroepelijk geworden op 6 juli 2007. Er was namelijk, zoals hiervoor vastgesteld, sprake van een vonnis van 19 juni 2006, welk vonnis niet onherroepelijk was. De verdachte was immers in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis en het hof heeft dit vonnis vernietigd bij arrest van 27 mei 2008 en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank, hetgeen geresulteerd heeft in het vonnis d.d. 1 april 2009, waarvan thans hoger beroep. De bij vonnis van 19 juni 2006 opgelegde werkstraf van 200 uur is echter uiteindelijk omgezet in 100 dagen hechtenis omdat men geen contact kon krijgen met de verdachte.
Gelet op de toelichting van de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat hier sprake is van een grove schending van de belangen van de verdachte. De verdachte is zonder geldige titel in hechtenis gezet en heeft ten onrechte 100 dagen vastgezeten.
Alles overziende acht het hof het raadzaam te bepalen dat in verband met voornoemde schendingen van het EVRM de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerechtshof Den Haag 21 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1426 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van valse vrijwaringsbewijzen. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van autoverkopers door valse vrijwaringsbewijzen af te geven.
Het hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.
Lees hier de volledige uitspraak.
Het gerechtshof Den Haag heeft op 10 juni 2015 uitspraak gedaan in de zaken tegen twee bestuurders die van oplichting met spaargeld verdacht werden. Een bestuurder is vrijgesproken. Het hof heeft de andere bestuurder veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2029
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 11 februari 2013 te Gennep tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op en/of in de omgeving van een gebied gelegen aan de Siebengewaldseweg, al dan niet opzettelijk, een putter, althans een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of bemachtigd.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.
Het hof overweegt als volgt.
Ad 1. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verbalisant (BOA) gehoord over zijn waarnemingen en over de identificatie van de verdachte.
Hij heeft onder meer verklaard dat:
Uit deze verklaring volgt dat verbalisant op basis van eigen waarneming verdachte zowel tijdens het politieverhoor als ter terechtzitting in hoger beroep heeft herkend als één van de betrokkenen bij het vangen van de putter. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van deze waarnemingen. Deze waarnemingen bevestigen de herkenning van verdachte door de gebiedsbrigadier en de BOA-coördinator op de foto’s tijdens de briefing na de tweede postdag. Uit het onderzoek is het hof niet gebleken dat de foto’s zodanig onduidelijk zijn geweest dat een herkenning van onder meer de verdachte op die foto’s niet mogelijk zou zijn.
Ad. 2 Zonder nadere onderbouwing, valt niet in te zien waarom de als bewijs gebezigde verklaring van de verbalisant waarin hij uiteenzet waarom hij tot de conclusie komt dat de gevangen vogel een putter is (blz 3 van het proces-verbaal van 25 april 2013), als bewijs voor dit onderdeel onvoldoende zou zijn. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de waarneming van de verbalisant te twijfelen.
Ad 3. De vrijspraak van de broer van verdachte door de economische politierechter te Roermond d.d. 18 september 2014 voor (kennelijk) het onderhavige feit, maakt het oordeel van het hof niet anders.
Het hof verwerpt de verweren.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000.
Het hof heeft bij de straftoemeting enerzijds in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte een beschermde inheemse vogel heeft gevangen waardoor deze vogel uit zijn natuurlijke leefomgeving is gehaald.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3582 De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij gesteld dat de als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie dient te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EG-verordening Overbrenging Van Afvalstoffen en dat voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan „illegale overbrenging” in de zin van artikel 2 onder 35 van die verordening irrelevant is of op haar in dit geval de verplichting rustte om van de overbrenging van deze afvalstof kennis te geven aan de betrokken bevoegde autoriteit dan wel voor de vereiste toestemming te zorgen. Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI: BX5023, waaruit volgens hem volgt dat het verbod op overbrenging zonder kennisgeving dan wel toestemming geldt voor eenieder en niet alleen voor de vervoerder of kennisgever. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gesteld dat verdachte had moeten nagaan of de vereiste omgevingsvergunning aanwezig was. De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten opzettelijk heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij het volgende aangevoerd. De als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie is geen afvalstof in de zin van de EVOA, maar een dierlijk bijproduct. Op de overbrenging van dierlijke bijproducten is de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing, zodat er geen kennisgevingsplicht of toestemmingsvereiste geldt. In elk geval mocht verdachte erop vertrouwen dat de betreffende substantie geen afvalstof was, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Bovendien heeft verdachte, die enkel transporteur was van de betreffende substantie, niet te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA. Verdachte was dus niet gehouden om kennis te geven en toestemming te krijgen, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen. Hierbij merkte de raadsman op dat het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012 in dezen geen betekenis toekomt omdat het betrekking heeft op de oude EVOA. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat betrokkene een milieuvergunning had die de mogelijkheid kende om dierlijke bijproducten op te slaan. Dat is wat verdachte bij betrokkene heeft gedaan. Van het oprichten of veranderen van de inrichting is dan ook geen sprake.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof -grotendeels met de rechtbank- als volgt.
De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.
Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt de definitie van het begrip afvalstoffen zoals deze is opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ingevolge dit artikel wordt onder afvalstoffen verstaan: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moest ontdoen”. Deze definitie komt overeen met het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) (zie considerans 10). De vraag of er sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn, over de vraag wanneer (niet langer) sprake is van een afvalstof, enkele criteria opgenomen. Ingevolge artikel 5 van voornoemde Kaderrichtlijn is een voorwerp of stof een productresidu of een (dierlijk) bijproduct en derhalve geen afvalstof, als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat houder bedrijf B.V. zich van de betreffende substantie, die voor haar een negatieve waarde had, wilde ontdoen. Daarmee is volgens het hof sprake van een afvalstof (vgl. Hof EU 18 april 2002 Palin Granit ECLI:EU:2002:232). Bovendien stelt het hof vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden 2 en 3 gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het zuiveringsslib of de bruine eimix waarom het in dit geval gaat, is immers niet een integraal onderdeel van de productie van eieren zoals die bij bedrijf B.V. plaatsvindt, maar het resultaat van een zuiveringsproces van (al) het water dat vrijkomt bij de bedrijfsprocessen van bedrijf en dat hiertoe in een zuiveringsinstallatie wordt gevoerd. In deze installatie wordt het water behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, teneinde de organische fractie uit het water te scheiden dan wel te verminderen. Hiermee is deze substantie volgens het hof ook niet te vergelijken met het separatorslib uit de melkverwerking, bedoeld in artikel 10, onder e, of de bijproducten van eieren, met inbegrip van eierschalen, bedoeld in artikel 10, onder k sub ii, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten, waarnaar de raadsman in zijn pleidooi heeft verwezen.
Voor zover de raadsman heeft gesteld dat er eveneens geen sprake is van een afvalstof nu er sprake is van een nuttige toepassing, is het hof van oordeel dat daarmee wordt miskend dat zelfs wanneer een stof een volledige nuttige toepassing krijgt, zij toch als afvalstof kan worden beschouwd wanneer de houder zich ervan ontdoet of het voornemen of de verplichting heeft zich ervan te ontdoen. Van ontdoen door bedrijf was in dit geval sprake. Naar het oordeel van het hof dient de betreffende substantie te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EVOA, zodat voor de overbrenging van deze stof van Nederland naar Duitsland kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde autoriteit noodzakelijk was.
De (meer) subsidiaire stelling van de raadsman dat verdachte enkel transporteur was van de betreffende substantie en niet heeft te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA, zodat niet kan worden bewezen dat zij geen kennis heeft gegeven aan dan wel geen toestemming heeft verkregen van de betrokken autoriteiten, faalt om de volgende redenen.
Volgens de Hoge Raad in zijn door de advocaat-generaal aangehaalde arrest van 30 oktober 2012 richt het in artikel 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met artikel 26 EVOA-oud vervatte verbod zich niet exclusief op "de kennisgever". Volgens de Hoge Raad houden die artikelen in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Deze uitleg strookt volgens de Hoge Raad niet alleen met de bewoordingen van artikel 26 EVOA-oud maar ook met de strekking van die bepaling. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat deze uitleg ook gelding heeft voor het begrip illegale overbrenging in artikel 2 onder 35 van de huidige EVOA. Bij vergelijking van de boven aangehaalde definities van respectievelijk sluikhandel en illegale overbrenging en ook overigens blijkt uit niets dat de Europese wetgever het verbod van illegale overbrenging heeft willen beperken tot een kleinere groep van normadressaten dan onder de oude EVOA het geval was. Dit zou immers afbreuk doen aan de effectiviteit van het verbod.1 Aan het woordje ‘elke’ in art. 26 EVOA-oud moet volgens het hof in dezen geen bijzondere betekenis worden gehecht. Voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde is dus irrelevant of zij in dezen als “kennisgever” is aan te merken.
Geen medeplegen
Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt, dat van medeplegen kan worden gesproken. In zoverre zal de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Opzet
De volgende vraag is of de feiten al dan niet opzettelijk zijn gepleegd. In dat kader acht het hof het volgende van belang.
Verdachte drijft een onderneming die zich al jaren op een bedrijfsmatige wijze bezighoudt met de handel in en het transport van stoffen uit de agrarische industrie, waaronder de door haar zo genoemde “bruine eimix”. Op een gegeven moment werd duidelijk dat deze substantie niet meer kon worden afgezet in de diervoedingsindustrie. Verdachte wist dat bedrijf B.V. zich ervan wilde ontdoen en bereid was om voor de afvoer ervan te betalen. Gezien deze omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen en rustte op haar de plicht om op dat moment na te (doen) gaan of het een afvalstof in de zin van de EVOA betrof. Door ieder onderzoek na te laten, heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door haar vervoerde substantie een afvalstof in de zin van de EVOA betrof, voor de overbrenging waarvan kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteit was vereist. Dat die kans aanmerkelijk was, blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.
Feit 4
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een dierlijk bijproduct maar van een bedrijfsafvalstof. Voor het opslaan en overslaan daarvan was ingevolge het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist. Vaststaat dat verdachte de “bruine eimix” bij betrokkene opsloeg en dat zij niet over een omgevingsvergunning beschikte. Op verdachte rustte bij de gegeven stand van zaken de plicht na te gaan of de betrokken substantie, die niet meer als diervoeder bruikbaar was, (inmiddels) moest worden aangemerkt als afval en of de opslag ervan een vergunningplichtige activiteit betrof. Door ieder onderzoek na te laten en mede gelet op haar positie als professioneel handelaar en transporteur in agrarische stoffen, heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het een vergunningplichtige activiteit betrof. Dat die kans aanmerkelijk was blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.
Bewezenverklaring
Strafoplegging
De rechtbank heeft verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.
Lees hier de volledige uitspraak.