Inzet stealth-sms valt niet onder stelselmatige observatie, opnemen van communicatie of verstrekking van gegevens van communicatiedienst

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5849

De politie kan door het verzenden van een zogenaamde stealth-sms bepalen door welke zendmast de telefoon waarnaar het sms-bericht is verstuurd, wordt aangestraald. Als de telefoon wordt getapt, wordt hierdoor bekend in het bereik van welke zendmast zich de telefoon bevindt zodat het mogelijk wordt de persoon die geobserveerd moet worden binnen een bepaald gebied - doch niet exact - te traceren. De gebruiker van de telefoon merkt niets van de stealth-sms.

De raadsman heeft in eerste aanleg gesteld dat een stealth-sms is ingezet, zijnde een technisch hulpmiddel, voor de inzet waarvan artikel 2 Politiewet (oud) geen wettelijke grondslag biedt. Voorts is niet voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, nu met de getapte telefoons in het tijdsbestek voorafgaand aan de observatie veelvuldig werd gebeld, zodat de inzet van de stealth-sms niet nodig was.

De rechtbank heeft overwogen dat artikel 2 Pw kan gelden als grondslag voor optreden van de politie ter handhaving van de openbare orde of ter hulpverlening van die dat behoeven. Die situatie doet zich in onderhavig geval niet voor en de rechtbank is van oordeel dat de stealth-smsen zijn verzonden zonder wettelijke grondslag. Er is sprake van een verzuim, er is inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Nu de telefoon reeds middels een machtiging van de rechter-commissaris werd afgeluisterd en het feit dat er ook een bevel stelselmatige observatie is afgegeven, maken dat de inzet van de stealth-sms onder deze omstandigheden slechts een zeer beperkte extra inbreuk op de privacy maakt. Het inzetten van de stealth-sms was ook proportioneel. De rechtbank verbindt geen gevolgen van dit vormverzuim.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat artikel 2 Pw voldoende wettelijke basis biedt voor het inzetten van een stealth-sms, nu sprake is van een geringere inbreuk op de privacy dan de inzet van een IMSI-catcher. Hij heeft daarbij aansluiting gezocht bij meerdere uitspraken van verschillende rechtbanken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de inzet van stealth-sms een technisch hulpmiddel is in de zin van het besluit technische hulpmiddelen, waardoor zonder wettelijke basis is gehandeld. Door de inzet van stealth-sms is vrij exact te lokaliseren waar de verdachte zich bevindt en derhalve is een inbreuk gemaakt op zijn privacy. De onder verdachte aangetroffen kilo cocaïne dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu dat een vrucht is van de inzet van de stealth-sms.

Het hof is van oordeel dat de inzet van stealth-sms niet valt onder toepassing van artikel 126g, 126m of 126n van het Wetboek van Strafvordering (respectievelijk stelselmatige observatie, opnemen van communicatie en verstrekking van gegevens van communicatiedienst) en dus ook niet aan de voorwaarden van deze artikelen behoeft te voldoen, zoals het Gerechtshof Den Bosch (LJN BX1357) reeds eerder heeft overwogen. Het hof sluit zich aan bij de motivering zoals die door het Gerechtshof Den Bosch is gebezigd. Evenmin kan de inzet worden opgevat als de inzet van een technisch hulpmiddel in de zin van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering. Er is immers geen sprake van een technisch hulpmiddel als bedoeld in de voorschriften, genoemd in artikel 126ee aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof is van oordeel dat, in combinatie met de reeds toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheden, door het versturen van twee stealth-smsen geen of slechts in zeer geringe mate een extra inbreuk op de privacy wordt gemaakt. Het gebruik van de zogenaamde stealth-smsberichten in de onderhavige zaak is daarmee gerechtvaardigd op grond van art, 2 Pw en de artt. 141 en 142 Sv alsmede artt. 126g, 126m en 126n Sv.

Het verweer van de raadsman met betrekking tot bewijsuitsluiting wordt daarom verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak: Opzetwitwassen niet ten laste gelegd en schuldwitwassen niet bewezen

Gerechtshof Amsterdam 30 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2339

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 14 oktober 2011, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten bankbiljetten (met een waarde van ongeveer 39.520 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat:

  1. De staandehouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu op geen enkele objectieve wijze kan worden vastgesteld dat de verdachte voldeed aan het signalement van een gezocht persoon, dat de verbalisanten hadden gekregen bij een eerder op die dag, 14 oktober 2011, gehouden briefing. De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat als gevolg van en vervolg op de onrechtmatige staandehouding verbalisanten in de tas van de verdachte hebben gekeken en hebben geconstateerd dat zich daarin een aanzienlijk geldbedrag bevond. De raadsman is van mening dat nu het aantreffen van het geldbedrag een direct gevolg is van de onrechtmatige staandehouding als ‘fruit of the poisonous tree’ van het bewijs uitgesloten dient te worden;
  2. de verdachte niet op een effectieve wijze gebruik heeft kunnen maken van zijn recht, voorafgaand aan het verhoor op 15 oktober 2011 een advocaat te raadplegen, hetgeen ertoe dient te leiden dat de door hem afgelegde verklaring van 15 oktober 2011 van het bewijs uitgesloten dient te worden;
  3. onder verwijzing naar een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van [datum] het verifieerbaar en niet onaannemelijk is dat het geld, zoals door de verdachte is verklaard, afkomstig is van legaal zaken doen en in het bijzonder van het verkopen van kleding.

Beoordeling hof

Ad 1: Het hof is van oordeel dat de gang van zaken zoals die door de verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd voldoende grond opleverde voor zowel de staandehouding als de daaropvolgende aanhouding van de verdachte.

Ad 2: Het hof is van oordeel dat de door de verdachte afgelegde verklaringen niet voldoen aan de eisen die in de zogeheten Salduz-jurisprudentie zijn vastgelegd. Het verweer treft in zoverre doel.

Ad 3: Het aantreffen van een geldbedrag van € 39.520,00 euro in een plastic boodschappentas en het aantreffen van de vermelding van precies dit geldbedrag op een geel papiertje dat door verbalisant 2 tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte op de zool van de sandaal van de verdachte is aangetroffen leveren op zichzelf een gerechtvaardigd vermoeden van (opzet)witwassen op.

Gelet daarop mocht van de verdachte verlangd worden dat hij een aannemelijke verklaring gaf voor de herkomst van het geld. Weliswaar kan de verdachte niet worden aangerekend dat hij een dergelijke verklaring niet op het politiebureau heeft afgelegd, omdat hij daar geen adequate bijstand van een advocaat heeft gekregen, maar de verdachte was daartoe wel in de gelegenheid tijdens de behandeling in eerste aanleg én in hoger beroep. Ook daar is echter door of namens de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld gegeven. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het geld afkomstig zou kunnen zijn van zaken en in het bijzonder van de verkoop van kleding, ontbreekt het begin van onderbouwing daarvan. Weliswaar is door de verdediging een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit is gebleken dat de verdachte sinds[datum]bedrijfsactiviteiten heeft in Nederland, maar dat de daarin vermelde datum van eerste inschrijving van de éénmanszaak van de verdachte dateert van ná de ten laste gelegde datum.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het hier aan de orde zijnde geld een legale herkomst heeft, zodat het niet anders kan dan dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig is, zodat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen.

Opzetwitwassen is echter niet ten laste gelegd.

Met betrekking tot de vraag of het dossier voldoende bewijs bevat om op grond daarvan vast te kunnen stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wel ten laste gelegde ‘schuldwitwassen’, oordeelt het hof als volgt.

Voor de bewezenverklaring van schuldwitwassen dient bij de pleger sprake te zijn geweest van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ ten aanzien van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn gepleegd. Het hof is van oordeel dat uit het enkele aantreffen van een groot geldbedrag in een plastic boodschappentas en van een papiertje op de zool van de sandaal van de verdachte met daarop een aantekening van dat geldbedrag, niet valt af te leiden dat bij de verdachte sprake is geweest van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ ten opzichte van de herkomst van dat geld, terwijl voorts de verklaringen van de verdachte om de hiervoor weergegeven redenen van het bewijs worden uitgesloten, zodat ook daaruit geen bewijs voor ‘schuldwitwassen’ kan worden geput.

Het hof komt daarmee tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De verdachte heeft als bestuurder van een in staat van faillissement verkerende rechtspersoon niet voldaan aan zijn wettelijke administratieplicht

Gerechtshof Den Haag 30 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2932

De verdachte heeft als bestuurder van een in staat van faillissement verkerende rechtspersoon niet voldaan aan zijn wettelijke plicht tot het voeren en bewaren van de administratie van die rechtspersoon en heeft deze administratie niet aan de curator kunnen overleggen. De verdachte heeft aldus geen openheid van zaken gegeven omtrent de financiële situatie van de rechtspersoon en zodoende verwijtbaar nalatig gehandeld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000 en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met ene proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens verduistering van geldbedragen & oplichting

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3408

Verdachte heeft als organisator van een voetbalkamp voor kinderen aanbetalingen voor de reis ontvangen van de ouders. Op enig moment is de verdachte deze geldbedragen voor zichzelf gaan gebruiken. Dat heeft ertoe geleid dat het voetbalkamp uiteindelijk geen doorgang kon vinden en de betaalde geldbedragen waren verdwenen. Voorts heeft de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels een bank bewogen tot afgifte van grote geldbedragen en heeft verdachte een geldbedrag dat aan de verdachte was overgemaakt ten behoeve van een kinderkrant verduisterd. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het Hof wijst vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in Heineken-zaak af

Gerechtshof Den Haag 20 juni 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2621

Beslissing strafzaak

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te 's-Gravenhage van 29 augustus 2008 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straf.

Vordering OM

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 2.334.584,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten.

De vordering van de advocaat-generaal strekt tot afwijzing van de vordering, en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2013 is gebleken dat de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht, op 9 november 2011 een vonnis bij verstek heeft gewezen. In die zaak trad Heineken Nederland B.V., mede handelend als lasthebber van de besloten vennootschap Heineken Beer Systems B.V., op als eiseres en was de veroordeelde de gedaagde. In dit vonnis wordt de gedaagde veroordeeld om een bedrag van € 2.557.205,04, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, aan Heineken te betalen. Uit het exploit van betekening blijkt dat dit vonnis op 29 november 2012 door de deurwaarder aan de veroordeelde is betekend en dat dit vonnis, blijkens een e-mailbericht van Heineken d.d. 5 juni 2013, inmiddels onherroepelijk is geworden. Dit is ter terechtzitting niet betwist door de veroordeelde en ook anderszins is niet gebleken dat de veroordeelde tijdig hoger beroep zou hebben ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient het civiel toegewezen bedrag dan ook in mindering te worden gebracht op de ontnemingsvordering. Nu het civiel toegewezen bedrag een hoger bedrag bedraagt dan de ontnemingsvordering dient de vordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, te worden afgewezen.

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verzoek schadevergoeding ex art. 89 Sv: Betekenis en waardering van de proceshouding van de gewezen verdachte in de strafzaak bij de beoordeling van het al dan niet bestaan van gronden van billijkheid

Gerechtshof Amsterdam 12 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2062

Verzoeker is op 21 juni 2010 in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de artt. 48, 310 en 312 Sr. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van verzoeker bevolen op 24 juni 2010. Verzoeker is op 4 april 2012 in vrijheid gesteld.

Ter beoordeling ligt het verzoek van de gewezen verdachte om vergoeding van de schade die hij heeft geleden tengevolge van ondergane verzekering of voorlopige hechtenis voor.

De verzoeker is ter zake van de in de onderliggende strafzaak tegen hem ingebrachte beschuldigingen onherroepelijk vrijgesproken.

Hof: Daarmee is evenwel niet gegeven dat de verzoeker een vergoeding toekomt voor de schade die hij tengevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden. Het Hof haalt allereerst art. 89 lid 1 Sv en art. 90 lid 1 Sv aan. Vervolgens leidt het Hof uit de relevante wetsgeschiedenis af dat bij de beantwoording van de vraag of de gronden van billijkheid aanwezig zijn objectieve maatstaven dienen te worden gehanteerd. Daarbij dienen bovendien alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

Het hof kent in dit verband betekenis toe onder meer aan de door de verzoeker in diens hoedanigheid van verdachte in de loop van het strafgeding gekozen proceshouding. Aangenomen moet worden dat de verzoeker in de hoedanigheid van preventief gehechte verdachte met zijn in het strafgeding herhaald gedane beroep op het hem toekomende zwijgrecht heeft bijgedragen aan het voortduren van de tegen hem toegepaste verzekering en voorlopige hechtenis en - in het verlengde daarvan - aan het ontstaan en vergroten van de schade waarvan hij thans om vergoeding verzoekt. Ten aanzien van het beroep op dat zwijgrecht is meer in het bijzonder het volgende gebleken.

De verzoeker is op 21 juni 2010 als verdachte aangehouden nadat tegen hem de ernstige verdenking was ontstaan dat hij zich had schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten. Uit de stukken in het strafdossier blijkt dat de verzoeker zich tijdens het vooronderzoek alsook ter terechtzitting in eerste aanleg nagenoeg geheel op zijn zwijgrecht heeft beroepen ten aanzien van vragen over diens betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde feiten. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2012 heeft de verzoeker een verklaring afgelegd, zij het zeer summier en in algemene zin. De verzoeker zou niets te maken hebben gehad met de hem ten laste gelegde feiten en de personen die als getuige zijn gehoord zouden allen onbetrouwbaar hebben verklaard. Nadat de verzoeker naar aanleiding van die summiere verklaring stukken zijn voorgehouden en aan hem door het hof vragen zijn gesteld, heeft hij zich op die terechtzitting wederom beroepen op zijn zwijgrecht.

Gelet op het voorgaande is het voortduren van de preventieve hechtenis van de verzoeker, ook na de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2012, dan ook mede te wijten aan de proceshouding van de verzoeker.

Bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer heeft de verzoeker in het bestek van het onderzoek naar schadebeperking aan de zijde van de verzoeker geen verklaring kunnen of willen afleggen voor het feit dat hij zich telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen gedurende het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting in de onderliggende strafzaak, anders dan dat zijn advocaat hem dat destijds zou hebben geadviseerd.

Naar het oordeel van het hof is de verzoeker in het bestek van de onderhavige procedure er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd het ontstaan van die schade te voorkomen althans de omvang daarvan te beperken, bijvoorbeeld door de beantwoording van in de loop van het strafgeding aan hem gestelde vragen. In zoverre dient de tegen verzoeker bevolen verzekering en voorlopige hechtenis als een aan de door hem gekozen proceshouding verbonden gevolg te worden aangemerkt, welk gevolg voor zijn rekening en risico behoort te blijven.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat het verzoek tot toekenning van schadevergoeding dient te worden afgewezen op de grond dat gronden van billijkheid ontbreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geen auteursrecht op ‘achterbankgesprekken’ van Endstra

Met de publicatie van de zogenoemde achterbankgesprekken in het boek ‘De Endstra-tapes’ is geen inbreuk gemaakt op auteursrecht. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag vadaag bepaald.

De zaak over de Endstra-tapes ging over de vraag of er auteursrecht rust op de gesprekken die Willem Endstra, in de maanden voordat hij werd doodgeschoten, met rechercheurs van de CIE heeft gevoerd op de achterbank van een rondrijdende auto. Deze ‘achterbankgesprekken’ zijn door twee journalisten letterlijk weergegeven in het boek ‘De Endstra-tapes’. Erfgenamen van Willem Endstra hebben een verbod tot uitgave van het boek gevorderd, omdat daarmee in hun visie inbreuk werd gemaakt op het auteursrecht dat Willem Endstra had op de achterbankgesprekken.

De Hoge Raad had al eerder geoordeeld dat om auteursrecht op deze gesprekken aan te kunnen nemen, niet de eis mocht worden gesteld dat Endstra bewust een werk heeft willen scheppen dat een coherente creatie vormt. Het Haagse hof heeft overwogen dat de in het boek opgenomen letterlijke weergaven van de achterbankgesprekken nauwelijks leesbaar zijn, in de zin dat het vrijwel niet mogelijk is om er de aandacht bij te houden. Dit komt doordat de door Endstra uitgesproken tekst, net als de meeste gewone gesprekken, uit een eindeloze reeks onafgemaakte, slecht lopende en ronduit kromme zinnen bestaat. Daarom rust op de achterbankgesprekken - en gewone gesprekken in het algemeen - geen auteursrecht, aldus het gerechtshof in Den Haag. Het hof wijst erop dat dit anders is bij bijvoorbeeld mondelinge voordrachten, dagboekaantekeningen en jazz-improvisaties. Daarin is namelijk wel een duidelijke en het triviale overstijgende vormgeving te onderkennen.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Hof veroordeelt verdachte ter zake van het opzettelijk onjuist doen van aangiftes voor de omzetbelasting en valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2970

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden wegens het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (feit 1), en valsheid in geschrift (feit 2).

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1) ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat de aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan. Daartoe is aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte denkfouten heeft gemaakt waardoor hij onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, onvoldoende bewijs oplevert om opzet te kunnen bewijzen.

Het hof stelt voorop dat het doen van aangiftes voor de omzetbelasting de nodige kennis vraagt, gelet in het bijzonder op de complexiteit van de regelgeving. Om die reden wordt het doen van aangiftes voor de omzetbelasting door bedrijven veelal uitbesteed. Naar het oordeel van het hof mag dan ook van een ondernemer die zelf de aangiftes voor de omzetbelasting doet, worden verlangd dat hij zich goed en terdege laat informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

Verdachte heeft tegenover de verbalisanten verklaard dat hij de aangiftes gewoon had geschat. ‘Het is allemaal wel een heel globale schatting. Ik kon dat niet staven aan de hand van de administratie omdat deze niet bij was.’

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard over de wijze waarop hij de aangiftes voor de omzetbelasting heeft gedaan, dat hem dat ‘zo is uitgelegd’. Gelet op deze vage bewoordingen is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte zich goed en terdege heeft laten informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

Door zulks na te laten en te volstaan met een globale schatting heeft verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangiftes voor de omzetbelasting onjuist zou doen.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 2) ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat:

  • verdachte de facturen niet opzettelijk heeft vervalst, omdat het geen facturen zijn, maar concepten, en ze niet vervalst zijn;
  • verdachte niet het oogmerk had om de concepten als echte facturen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. 

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte facturen gemaakt ter zake van projecten waarvoor [bedrijf 1] werkzaamheden zou hebben verricht, terwijl [bedrijf 1] in werkelijkheid geen werkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht en deze facturen niet inhielden dat het concepten waren. Verdachte heeft deze facturen in de administratie van [bedrijf 1] opgenomen, terwijl hij wist dat de inhoud niet overeenstemde met de werkelijkheid. Aldus heeft verdachte naar het oordeel van het hof de administratie van [bedrijf 1] opzettelijk valselijk opgemaakt door het daarin opnemen van de facturen.

In aanmerking genomen voorts dat een administratie – naar algemeen bekend is – is voorgeschreven juist om tot bewijs te kunnen dienen van het daarin vermelde, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte de bedoeling had en het dus een noodzakelijk en door hem gewild gevolg was de administratie van [bedrijf 1], en dus ook de daarin opgenomen valse facturen, als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor acht oplichtingen en twee pogingen tot oplichting van filialen van ING bank middels identiteitsfraude

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2647

In nagenoeg alle gevallen is sprake geweest van (een poging tot) het opnemen van het maximale bedrag van 500 euro bij een filiaal van de ING bank met behulp van een proces-verbaal waarin aangifte is gedaan van vermissing van een identiteitsbewijs en een of meer bankpassen, terwijl de houder van het identiteitsbewijs en de bankpas(sen) deze in werkelijkheid niet kwijt is.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in geval van dagvaarden na uitvaardigen strafbeschikking

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2617

Het gaat hier om een zaak waarin door de officier van justitie een strafbeschikking is uitgevaardigd, waartegen door de verdachte geen verzet is gedaan, waarin door het CJIB middels aanschrijvingen van de verdachte is getracht de geldboete te incasseren, waarop echter geen betaling is gevolgd, waarin het CJIB vervolgens de zaak heeft overgedragen aan het openbaar ministerie wegens “dwangmiddelen uitgeput” zonder dat is getracht de geldboete te verhalen op aan de verdachte toebehorende voorwerpen en onder dat de gijzelingsprocedure is toegepast, waarna het openbaar ministerie de zaak door middel van dagvaarding heeft voorgelegd aan de strafrechter.

De politierechter heeft in de onderhavige strafzaak vastgesteld dat voor ieder ten laste gelegd feit een strafbeschikking is uitgevaardigd, dat de verdachte hiertegen geen verzet heeft aangetekend en dat de strafbeschikkingen derhalve voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn.

De politierechter heeft vervolgens onder verwijzing naar de artikelen 255a, 354a, 561, 572 en 573 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis van de Wet OM-afdoening en de Aanwijzing OM-Afdoening inzake onder andere de incasso van strafbeschikkingen waarbij geldboetes zijn opgelegd, geoordeeld dat niet is gebleken van door het openbaar ministerie redelijkerwijs te vergen inspanningen om de bij de strafbeschikkingen opgelegde geldboetes te executeren waardoor de beslissing van het openbaar ministerie om thans te dagvaarden voor die feiten, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De politierechter heeft het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De advocaat-generaal heeft tegen deze beslissing primair aangevoerd dat de executie van de strafbeschikking behoort tot het domein van het openbaar ministerie en dat het derhalve een exclusieve bevoegdheid van het openbaar ministerie is om te beoordelen of nog nadere executiemaatregelen, waaronder dwangmiddelen, dienen te worden toegepast, dan wel dat tot dagvaarden dient te worden overgegaan.

De advocaat-generaal is dan ook van oordeel dat de beslissing van de politierechter moet worden vernietigd, mede omdat de verdachte in eerste aanleg geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze gang van zaken en evenmin valt in te zien in welk belang de verdachte met dagvaarden zou zijn getroffen.

Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat in de onderhavige strafzaak is afgezien van verhaal omdat het adres dan wel de persoon van verdachte bij het CJIB bekend stond als “oninbaar” en dat is afgezien van gijzeling omdat niet vast stond dat de strafbeschikkingen onherroepelijk waren geworden nu niet was gebleken dat de verdachte persoonlijk op de hoogte was van de strafbeschikkingen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte ter zake van de onderhavige strafbare feiten alsnog te dagvaarden voor de politierechter nadat daarvoor eerst een strafbeschikking was uitgevaardigd, door de rechter kan worden getoetst aan de wet en aan beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Bij de toetsing aan de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht is het uitgangspunt dat het openbaar ministerie een grote mate van beleidsvrijheid heeft.

In artikel 257a Sv wordt de officier van justitie de bevoegdheid verleend om in bepaalde gevallen - waaronder ook de onderhavige zaken - een strafbeschikking uit te vaardigen. Dit wil zeggen dat de officier van justitie op eigen gezag buiten de strafrechter om aan de verdachte bepaalde straffen en maatregelen kan opleggen en bepaalde aanwijzingen aan de verdachte kan geven.

Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig ten uitvoer is gelegd, kan hij in beginsel ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechte worden betrokken (artikel 255a, eerste lid Sr). Hieruit volgt dat de verdachte tegen wie een strafbeschikking is uitgevaardigd voor de strafrechter kan worden gedagvaard indien de strafbeschikking niet volledig ten uitvoer is gelegd.

De tenuitvoerlegging van bij strafbeschikking opgelegde geldboetes is geregeld in de artikelen 564 en volgende van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie is ingevolge artikel 572, eerste lid Sv met de uitvoering hiervan belast. Het CJIB is de uitvoeringsinstantie die in opdracht van het openbaar ministerie feitelijk de tenuitvoerlegging verzorgt.

De wijze waarop de tenuitvoerlegging geschiedt, wordt in de eerste plaats bepaald door de wet. In dit verband wijst het hof op artikel 573, tweede lid Sv, bepalende dat het openbaar ministerie kan afzien van het nemen van verhaal. Voorts heeft het College van procureurs-generaal de wijze waarop de tenuitvoerlegging geschiedt nader omschreven in de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling d.d. 23 juni 2010 (Stc. 2010, 9605, vanaf 1 maart 2013 geldt de Aanwijzing executie 2013, Stc. 2013, 5107). De (discretionaire) bevoegdheid van het openbaar ministerie wordt nader ingevuld in de genoemde Aanwijzing.

Onder 4.1.2. van de Aanwijzing wordt bepaald: ”Van toepassing van verhaal kan worden afgezien indien er voldoende aanwijzingen zijn die aannemelijk maken dat dit niet zal leiden tot afdoening van de zaak.”

Voorts wordt hier bepaald: “In het geval van een strafbeschikking kan, indien sprake is van een geldboete, een vordering gijzeling ex artikel 578b WvSv worden ingediend. Als van gijzeling wordt afgezien, de vordering wordt afgewezen of als gijzeling geen betaling oplevert wordt beoordeeld of overdacht van de zaak aan het OM zal plaatsvinden.”

In de Aanwijzing OM-Afdoening van het College van procureurs-generaal (vanaf 1 mei 2013 geldt de Aanwijzing OM-Afdoening 2013, Stc. 2013, 11374), wordt bepaald onder ‘Executie. 2. Tenuitvoerlegging’: “Als geen volledig verhaal van een strafbeschikking inhoudende een geldboete heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter (…) verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen. Dit middel mag niet worden ingezet bij bestraften van wie bekend is dat zij niet kunnen betalen.”

Het hof is van oordeel dat uit de wet noch uit de systematiek van de Wet OM-afdoening, zoals geïncorporeerd in het Wetboek van Strafvordering, voortvloeit dat het openbaar ministerie slechts tot dagvaarding voor de strafrechter mag overgaan nadat vergeefs gebruik is gemaakt van alle incassomogelijkheden die door het Wetboek van Strafvordering worden geboden. De wijze waarop getracht wordt de bij strafbeschikking opgelegde geldboete te incasseren is ter bepaling aan het openbaar ministerie.

Voorts is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie zich in de genoemde Aanwijzingen niet heeft verplicht alle wettelijke incassomogelijkheden te benutten alvorens te dagvaarden. In tegendeel, er wordt gewezen op de mogelijkheid om geen verhaal te nemen op voorwerpen van de verdachte c.q. af te zien van de gijzelingsprocedure.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat volgens het CJIB in de onderhavige zaak sprake was van een oninbare vordering omdat het adres dan wel de persoon van de verdachte bij het CJIB als oninbaar bekend stond en dat is afgezien van de gijzelingsprocedure omdat niet vast stond dat de verdachte persoonlijk op de hoogte was van de strafbeschikkingen.

Naar het oordeel van het hof kon het CJIB in redelijkheid oordelen dat pogingen om verhaal te nemen of om te gijzelen niet opportuun waren en dat de zaak wegens uitputting van dwangmiddelen aan het OM kon worden overgedragen.

Met de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte vervolgens voor de onderhavige strafbare feiten te dagvaarden voor de politierechter, heeft het openbaar ministerie gehandeld conform de regels die de wet (artikel 573 lid 2 Sv), de Aanwijzing Executie en de Aanwijzing OM-Afdoening daarvoor hebben gesteld. Van handelen in strijd met de wet of met enig beginsel van behoorlijk strafprocesrecht is geen sprake.

Het hof is dan ook van oordeel de politierechter het openbaar ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging.

Gelet op het voorgaande en aangezien de verdachte terugwijzing van de zaak heeft verlangd, zal het hof op de voet van artikel 423, tweede lid Sv de beslissing van de politierechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^