Kan een bij de politie afgelegde verklaring door een niet-aangehouden verdachte, die niet is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, worden gebezigd in de ontnemingszaak?

Gerechtshof Leeuwarden 20 december 2012, LJN BY6910 Vordering

De officier van justitie heeft gevorderd de ontneming van veroordeelde van een bedrag van € 280.274.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op datzelfde bedrag en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Salduz-verweer

Door de raadsman is ter zitting van het hof gesteld, dat de verklaringen van veroordeelde, afgelegd bij de politie, niet kunnen worden gebruikt bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat hoewel veroordeelde niet was aangehouden, hij zich ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevond. Veroordeelde is voorafgaand aan de verhoren niet gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Wanneer veroordeelde wel een advocaat had gesproken, dan had hij zich hoogstwaarschijnlijk op zijn zwijgrecht beroepen en had hij deze verklaringen niet afgelegd. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Nu er voor het overige niets is waar de soortgelijke feiten als die in de bewezenverklaring aannemelijk mee gemaakt kunnen worden, dient de vordering in zijn geheel te worden afgewezen, aldus de raadsman.

Beoordeling Hof

Het hof stelt met betrekking tot de feiten het volgende vast.

Op 2 september 2010 omstreeks 14:00 uur bevindt verbalisant zich op het perceel van veroordeelde ter controle van bepalingen in de Opiumwet. Veroordeelde is op dat moment niet thuis. De verbalisant neemt telefonisch contact op met veroordeelde en deelt hem mede dat hij ter controle een schuur op het perceel van veroordeelde wil controleren. Veroordeelde deelt telefonisch mede hoe de deur van de schuur kan worden geopend en ook deelt veroordeelde mede dat verbalisant daar ongeveer 500 stuks hennepplanten zal aantreffen. Tevens geeft veroordeelde aan dat hij ergens in Twente aan het werk is maar dat hij naar verbalisant toe zal komen. Om 15:40 uur komt veroordeelde ter plaatse. Kort daarna verleent hij de verbalisanten toegang tot zijn woonhuis. Ook daar worden hennepplanten aangetroffen. Na overleg wordt veroordeelde nog in de gelegenheid gesteld om te douchen waarna veroordeelde met de verbalisant mee naar het politiebureau gaat, om als verdachte te worden gehoord. Diezelfde dag nog legt veroordeelde op het politiebureau twee verklaringen af, die kort gezegd inhouden dat veroordeelde gedurende een aantal jaren hennep heeft geteeld.

Het hof stelt vast dat veroordeelde niet de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste noch tweede verhoor aangaande zijn betrokkenheid bij de hennepplantages een advocaat te raadplegen. Voorts stelt het hof vast dat veroordeelde niet was aangehouden.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of veroordeelde zich bij het afleggen van de verklaringen in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond.

In casu was er sprake van een betrapping op heterdaad. Veroordeelde, die op dat moment reeds werd aangemerkt als verdachte, is evenwel niet aangehouden in de zin van art. 53 Sv. Wanneer in een geval van betrapping op heterdaad de politie ervoor kiest om een verdachte niet aan te houden maar de verdachte wel aan een verhoor te onderwerpen op het politiebureau, dient de politie zich er van te vergewissen dat het voor die verdachte duidelijk is dat er op dat moment geen sprake is van een zodanige (dreigende) vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking dat het voor verdachte niet mogelijk is om zich aan het verhoor te onttrekken. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat veroordeelde op de hoogte was of kon zijn van de omstandigheid dat hij zich desgewenst aan het verhoor had kunnen onttrekken juist nu er sprake was van een betrapping op heterdaad en de verdachte in de veronderstelling mocht verkeren dat er niets anders opzat dan mee te gaan naar het politiebureau voor verhoor, hetzij vrijwillig hetzij daartoe gedwongen na te zijn aangehouden. Het hof houdt het er dan ook voor dat veroordeelde verontschuldigbaar in het ongewisse was van zijn specifieke strafprocessuele positie als niet-aangehouden verdachte. Dit maakt dat veroordeelde zich onder deze omstandigheden bij het afleggen van zijn verklaringen in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond. Veroordeelde had in dit geval op die grond derhalve gewezen moeten worden op zijn recht om een advocaat te raadplegen.

Indien een aangehouden verdachte niet wordt gewezen op zijn recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor een advocaat te raadplegen, levert dat een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv dat, na een daartoe strekkend verweer in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van die bewuste verhoren. Nu veroordeelde zich in een met een aanhouding te vergelijken situatie bevond, zal het hof de verklaringen van veroordeelde, afgelegd ten overstaan van de politie op 2 september 2010 dan ook uitsluiten voor het bewijs.

Voor het overige is uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen noch uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wederrechtelijk verkregen voordeel door onder meer ambtelijke omkoping

Gerechtshof 's-Gravenhage 17 december 2012, LJN BY6877 Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage is de veroordeelde, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd en medeplegen van valsheid in geschrift, veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het OM heeft in eerste aanleg de ontneming gevorderd van een bedrag van € 101.107,21.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft deze vordering toegewezen en het te ontnemen bedrag gesteld op € 101.107,21.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 101.106,91.

Het hof ziet echter – anders dan de advocaat-generaal - in het feit dat sprake is van navorderingsaanslagen die tegen een hoger tarief zijn belast dan zij op het moment van terugbetaling van het wederrechtelijk voordeel, wanneer de veroordeelde een lager inkomen zal hebben, kunnen worden teruggevorderd, aanleiding het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen.

Ook de overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding tot matiging.

Het hof legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nederland hoeft drie Congolese getuigen niet van Internationaal Strafhof over te nemen

Het gerechtshof in Den Haag heeft vandaag bepaald dat de Staat drie Congolezen, die in detentie zitten bij het Internationaal Strafhof, niet hoeft over te nemen in Nederlandse vreemdelingenbewaring. Dit is de uitkomst van het kort geding dat de Congolezen tegen de Staat hadden aangespannen. Drie personen, onderdanen van de Democratische Republiek Congo, zitten vanaf maart 2011 als getuigen gedetineerd bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Daarvóór zaten zij gedetineerd in Congo op verdenking van (oorlogs)misdrijven. Nadat de getuigenverhoren voor het ICC waren afgelopen, hebben de drie in Nederland asiel aangevraagd. Op twee van de drie asielaanvragen is inmiddels een afwijzende beslissing genomen. In afwachting van een definitieve beslissing op hun asielaanvragen wil het ICC hen niet naar Congo terugsturen.

De drie getuigen hebben in kort geding gevorderd (kort gezegd) om de Staat te veroordelen hen over te nemen, zodat zij niet langer bij het ICC vast zitten maar in Nederlandse vreemdelingenbewaring komen. Volgens de drie zitten zij thans in een uitzichtloze positie. De voorzieningenrechter heeft in eerste aanleg deze vordering toegewezen. De Staat was het met deze beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof.

Het gerechtshof is mede op basis van een recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tot een andere beslissing gekomen. Het hof oordeelt dat de drie getuigen hun detentie niet voor de Nederlandse rechter kunnen aanvechten, omdat zij niet onder de rechtsmacht van Nederland vallen. Het feit dat zij thans in detentie verkeren is het gevolg van het feit dat zij in Congo gedetineerd waren. De Nederlandse rechter kan niet beslissen over de rechtmatigheid van die detentie. Volgens het hof is ook geen sprake van een uitzichtloze situatie. Naar verwachting zal aan hun detentie door het ICC een einde komen nadat definitief over hun asielaanvragen is beslist.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen vervolging Staat inzake asbestschip Otapan

Het Gerechtshof Den Haag heeft gisteren in een artikel 12 SV-procedure besloten dat er geen strafvervolging zal worden ingesteld tegen de Staat en zijn ambtenaren inzake het asbestschip Otapan. Milieuorganisatie Greenpeace had hiertoe een verzoek ingediend. Het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat en de bij het dossier 'Otapan' betrokken ambtenaren verwijtbaar onjuist hebben gehandeld bij de vergunningverlening tot uitvoer van het (asbest)schip. Zij zijn op goede gronden aangemerkt als verdachten van het (mede-) plegen van de misdrijven sluikhandel en valsheid in geschrift. Het verzoek van Greenpeace om de Staat en die ambtenaren strafrechtelijk te vervolgen wijst het hof evenwel af.

Het hof geeft in zijn beslissing aan dat volgens geldend recht in Nederland de Staat voor strafvervolging immuun is. Ook internationale verdragen en verordeningen schrijven niet dwingend voor dat tot strafvervolging moet worden overgegaan. Die immuniteit geldt ook voor de onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris bij het dossier betrokken ambtenaren.

De buitenlandse (voormalige) eigenaren van de Otapan zijn eerder strafrechtelijk vervolgd voor het illegaal verwijderen van asbest op het schip. Door de civiele rechter zijn ze veroordeeld tot betaling van  de kosten die de Staat  heeft moeten maken voor  de verwijdering van het nog aanwezige asbest op het schip. De gevraagde vervolging van de voormalig eigenaar van het schip en diens vertegenwoordiger acht het hof nu niet meer aangewezen.

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Handelen in strijd met vergunningsvoorwaarden door opslag van gevaarlijke stoffen tijdens werkzaamheden aan opslaghal op buitenterrein

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 december 2012, LJN BY5309 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij art. 18.18 van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Met dien verstande dat zij: in de periode 5 tot en met 12 februari 2010, terwijl aan haar door Burgemeester en Wethouders van de gemeente bij besluit van 01 april 2008 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op het perceel, veranderen en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers werden binnen de inrichting aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 3 en 8 - niet zijnde een noodzakelijke werkvoorraad - niet opgeslagen overeenkomstig voorschrift 3.1.1 van hoofdstuk 3.1 van de PGS 15 d.d. 28 juni 2005 in een daarvoor bestemde opslagvoorziening.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat er geen bewijs bestaat voor het onderdeel van de tenlastelegging dat inhoudt dat binnen de inrichting aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen niet werden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening en daarmee voor het overtreden van de vergunningsvoorschriften. Voorts is aangevoerd dat, zo er al sprake is geweest van het overtreden van de vergunningsvoorschriften, dit niet opzettelijk is geschied.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting overweegt het hof als volgt.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Op 25 juli 2006 is door de burgemeester en wethouders van de gemeente aan verdachte een oprichtingsvergunning ingevolge de Wet Milieubeheer verleend (hierna:‘de oprichtingsvergunning’). De oprichtingsvergunning is blijkens het dictum verleend ‘overeenkomstig de aanvraag en de daarbij overgelegde stukken, welke bij dit besluit behoren’. Uit de aanvraag van de oprichtingsvergunning maakt het hof op dat de het verpakte eindproduct zou worden opgeslagen in de op dat moment nog op de locatie met nummer 9 op de plattegrond van het bedrijf op te richten Hal E.

Op 1 april 2008 is door de burgemeester en wethouders van de gemeente aan verdachte een veranderingsvergunning ingevolge de Wet Milieubeheer verleend (hierna:‘de veranderingsvergunning’). Ook de veranderingsvergunning is blijkens het dictum verleend ‘overeenkomstig de aanvraag en de daarbij overgelegde stukken, welke (…) bij dit besluit behoren’, met uitzondering van voor de beoordeling van onderhavige zaak niet relevante onderdelen.

De aanvraag van de veranderingsvergunning zag, zoals weergegeven onder het kopje‘Aanleiding’ in de samenvatting die deel uitmaakt van de aanvraag, op uitbreiding van de bestaande activiteiten van verdachte. Opnieuw afgaande op genoemde paragraaf van de samenvatting had de uitbreiding, voor zover hier relevant, ‘betrekking op op- en overslagactiviteiten van tankcontainers (vrachtwagens en trein), evenals het afvullen van (gevaarlijke) vloeistoffen in verpakkingen (IBC’s, drums en polycans) incl. verzenden/aflevering’, waarbij IBC’s staat voor ‘intermediate bulk containers’.

Deze afvulactiviteitern worden in genoemde samenvatting nader toegelicht onder ‘Procesbeschrijvingen’: ‘De uitbreiding met afvulactiviteiten heeft tevens een uitbreiding van de opslag tot gevolg. De opslag betreft de inpandige opslag van gevulde IBC’s, drums en polycans en de uitpandige opslag van tankcontainers.’

Uit tabel 10.1 van de aanvraag van de veranderingsvergunning blijkt dat de beoogde opslaglocatie van de afgevulde IBC’s, drums en polycans de inmiddels opgerichte hal E was.

Het hof is van oordeel dat de aan verdachte verleende vergunning dient te worden uitgelegd in samenhang met de aanvraag van die vergunning en niet louter aan de hand van de tekst van de vergunning zelf. Uit hetgeen hiervoor omtrent devergunning en de onderliggende aanvraag is overwogen maakt het hof op dat aan verdachte enkel vergunning is verleend om, voor zover hier relevant, afgevulde gevaarlijke stoffen op te slaan in hal E. De opslaglocatie op het buitenterrein vormt geen voor de opslag van afgevulde gevaarlijke stoffen bestemde opslagvoorziening. Dat de letterlijke bewoordingen van de vergunningsvoorschriften mogelijk ruimte zouden laten voor een andere interpretatie, doordat het begrip‘Opslagplaats’ ruim wordt gedefinieerd en doordat in (de titel van) hoofdstuk 6 sprake zou zijn opslag van gevaarlijke stoffen in ‘(tank)containers’ op het buitenterrein, kan aan dit oordeel niet afdoen, nu die interpretatieruimte wordt ingeperkt door de vergunningsaanvraag, welke voor een interpretatie als voorgestaan door de verdediging geen ruimte laat.

Ook de overige door de verdediging aangedragen argumenten brengen het hof niet tot een andere uitleg van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften.

Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van opzettelijke overtreding van de vergunningsvoorschriften. Het standpunt van de verdediging dat in het onderhavige geval het opzet van verdachte ook dient te zijn gericht, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het overtreden van de vergunningsvoorschriften, deelt het hof niet. Anders dan in het door de verdediging in voetnoot 3 van de pleitnota aangehaalde arrest, gaat het in de onderhavige casus niet om het medeplegen van opzettelijke overtreding van de voorschriften van een aan de medepleger verleende vergunning. In het thans te berechten geval dient slechts sprake te zijn van opzet op het handelen waardoor de vergunningsvoorschriften zijn overtreden. Dat is - kort gezegd - het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen op het buitenterrein.

Het hof is van oordeel dat verdachte welbewust en aldus opzettelijk daartoe is overgegaan als tijdelijke oplossing gedurende de werkzaamheden aan hal E, waarvan de capaciteit werd uitgebreid. Dit is door de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting ook erkend.

Het hof verwerpt ook dit onderdeel van het verweer.

Overigens is het hof van oordeel dat het op de weg van verdachte zou hebben gelegen om bij enige twijfel omtrent de vraag of de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen op het buitenterrein advies in te winnen, bij de vergunningverlener dan wel bij bijvoorbeeld het adviesbureau dat de aanvraag van beide eerder aangehaalde vergunningen heeft voorbereid. Van het inwinnen van een dergelijk advies is niet gebleken.

Verontschuldigbare rechtsdwaling?

De verdediging heeft bepleit dat verdachte, in geval van een bewezenverklaring, zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu sprake zou zijn van verontschuldigbare rechtsdwaling.

Hof: Van een geslaagd beroep op rechtsdwaling kan sprakezijn indien aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Naar het oordeel van het hof mag van een verdachte als de onderhavige, een professionele speler in het veld van de opslag en behandeling van gevaarlijke stoffen, aan wie na uitgebreid advies omtrent allerlei veiligheidsaspecten op zijn aanvraag een vergunning is verleend, worden verwacht dat hij zich bij enig handelen dat mogelijk in strijd ismet de aan die vergunning verbonden voorschriften ervan vergewist of er al dan niet van een dergelijke strijd sprake is.

Met het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen op het buitenterrein week verdachte af van de gebruikelijke bedrijfsvoering vanwege werkzaamheden aan hal E, de gebruikelijke opslaglocatie. Het is in een dergelijk geval aan de verdachte om advies in te winnen over de geoorloofdheid van die afwijking, zelfs indien verdachte, zoals gesteld, meende dat het handelen conform de vergunningsvoorschriften zou zijn.

Het hof heeft overwogen dat van het inwinnen van een dergelijk advies niet is gebleken. Eventuele rechtsdwaling is, naar het oordeel van het hof, in een dergelijk geval niet verontschuldigbaar. Daarbij laat het hof in het midden of verdachte zich daadwerkelijk niet bewust is geweest van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafoplegging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot betaling van een geldboete van € 40.000,-, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 15.000.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor o.a. feitelijk leidinggeven aan onjuiste MOT-meldingen in geldwisselkantoor en (gewoonte)witwassen

Gerechtshof Arnhem 23 november 2012, LJN BY5187 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. 

De raadslieden van verdachte hebben aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, om de volgende redenen:

Ten aanzien van alle feiten a. Het openbaar ministerie heeft het hof en de verdediging misleid door te doen alsof het onderzoek naar de handel van drugs onder de naam Nagel-onderzoek naar de handel in drugs en het onderhavige Kalium-onderzoek naar het witwassen van de gelden voortvloeiende uit de handel van drugs van het Nagel-onderzoek twee op zichzelf staande onderzoeken waren. Uit de verklaringen van de betrokken opsporingsambtenaren blijkt dat er al verdenkingen waren tegen verdachte alvorens het Kalium-onderzoek werd gestart. De zaken zijn anders voorgesteld dan het was. Ondanks diverse verzoeken hiertoe heeft de verdediging geen inzage gehad in het Nagel-dossier. Hierdoor is er sprake van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 b. Door het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met artikel 12 van de Wet Melding ongebruikelijke transacties;

Ten aanzien van feiten 3 en 4 c. bedrijf 1 wordt vervolgd voor de MOT-meldingen zonder dat zij ooit een waarschuwing, laat staan een bestuursrechtelijke sanctie heeft gehad van de toezichthouder.

Beoordeling Hof

Ad a. De stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie het hof en de verdediging heeft misleid, mist feitelijke grondslag. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat er sprake was van twee onderzoeken waarbij het ene onderzoek voortvloeide uit het andere onderzoek. Met toepassing van de artikelen 126cc en 126 dd van het Wetboek van Strafvordering is de informatie uit het Nagel-onderzoek ingebracht in het Kalium-onderzoek middels het overdrachtsproces-verbaal AH021. Van enige misleiding om iets te verhullen is het hof niet gebleken. Ook uit de nadien bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van gehoorde verbalisanten blijkt niets dat het hof reden geeft tot twijfel aan hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd in het overdrachtsproces-verbaal. Het verweer wordt verworpen.

Ad b. Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie handelt in strijd met artikel 12 van de Wet MOT. De verdediging heeft hiertoe gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde transacties zijn gemeld conform artikel 9 van de Wet MOT en dat derhalve gelet op artikel 12 van de Wet MOT deze meldingen niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een telastelegging wegens witwassen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Aan het pleidooi van de raadslieden lijkt de opvatting ten grondslag te liggen dat met het melden an sich, ongeacht de wijze waarop is gemeld, aan de meldplicht van de Wet MOT zou zijn voldaan en dat strafvervolging ter zake van gemelde wisseltransacties derhalve niet zou zijn toegelaten. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond is alleen van toepassing op situaties waarin transacties op de juiste wijze zijn gemeld. Uit het gegeven dat verdachte zijn meldplichten heeft verzaakt, volgt al dat hij de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 12 Wet MOT niet kan inroepen.

Ad c. Het hof passeert dit verweer nu het feitelijke onderbouwing mist. Van de verdediging mag worden verwachte dat bij een verweer op een zo ingrijpende sanctie als het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging, aangeeft welke norm is geschonden, waaruit de ernst van het verzuim bestaat en aangeeft wat het nadeel is dat daardoor voor verdachte is veroorzaakt. Door de verdediging is op geen enkele wijze invulling aan deze in de jurisprudentie ontwikkelde criteria gegeven.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten bestuursrechtelijk gehandhaafd hadden moeten worden, volgt het hof de verdediging niet in dit verweer. Bestuursrechtelijke handhaving is beoogd om de minder zware overtredingen bestuursrechtelijk af te doen. Bij zware, ingrijpende of de rechtsorde schokkende overtredingen blijft de mogelijkheid bestaan om de zaak strafrechtelijk af te doen.

Daar waar het in de onderhavige zaken gaat om het opzettelijk valselijk melden van geldwisseltransacties heeft het openbaar ministerie begrijpelijkerwijs er voor kunnen kiezen om deze zaken strafrechtelijk af te doen.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat geen sprake is geweest van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De door de verdediging aangevoerde elementen kunnen naar het oordeel van het hof noch zelfstandig, noch tezamen en in onderlinge samenhang leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het vonnis waarvan beroep

  • Feitelijk leidinggeven

Het hof acht bewezen dat de verdachte in het algemeen wist dat er bij de uitvoering van wisseltransacties de hand werd gelicht met voorschriften omtrent het melden van ongebruikelijke transacties, dat formulieren vals werden opgemaakt en dat er sprake was van gelden met een misdadige herkomst. Het personeel handelde in een patroon dat binnen het bedrijf gebruikelijk was en op basis van instructies van de verdachte. Op de verdachte rustte echter, als degene die feitelijk de scepter zwaaide in het bedrijf, en na de komst van betrokkene 2 via de bedrijf 2 de bestuurder was van bedrijf 1 BV, de verplichting om te waken voor het naleven van de wettelijke voorschriften omtrent het uitvoeren van wisseltransacties. De verdachte was dus gehouden en ook bevoegd om maatregelen te treffen ter voorkoming van het plegen van strafbare feiten door de rechtspersoon. Hierin ligt besloten dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de in de tenlastelegging onder 1 t/m 4 genoemde feiten.

Voor het bewijs van het voor feitelijke leiding geven vereiste voorwaardelijk opzet hoeft niet te worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van ieder concreet strafbaar feit en van de personen die bij die feiten op strafbare wijze waren betrokken. Uit de bekendheid met strafbare praktijken en het niet ingrijpen ter beëindiging daarvan volgt dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de voortzetting van die praktijken.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de handelingen van de medewerkers van bedrijf 1 niet toe te rekenen vallen aan verdachte omdat bij hem de wetenschap over het strafrechtelijke handelen heeft ontbroken, verwerpt het hof dit verweer.

De strafbare activiteiten van bedrijf 1 vonden ook plaats in 2004, het jaar waarin verdachte de leiding van het bedrijf nog niet had overgedragen en als enige de leiding had en aan die verboden gedragingen geen einde had gemaakt. Verdachte had dus weet van de strafrechtelijke gedragingen. Dat hij als bestuurder na 1 januari 2005 heeft nagelaten te controleren of deze gedragingen nog steeds plaats vonden en geen actie heeft ondernomen om de gedragingen te beëindigen, kan hem worden toegerekend.

Daarnaast hebben de strafbare gedragingen van de werknemers plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon bedrijf 1 BV, zodat de strafbare feiten aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De rechtspersoon heeft dan ook te gelden als zelfstandig dader van de verschillende strafbare feiten en die strafbare feiten kunnen de rechtspersoon worden toegerekend.

  • "afkomstig uit enig misdrijf'
De verdediging heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat, gelet op de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis, bewezen dient te worden dat de betreffende gewisselde gelden van enig misdrijf afkomstig waren. Bij de bewijsvoering kan niet worden volstaan met verwijzing naar aanwezige typologieën van witwassen. Dit bewijs en het bewijs dat verdachte daar weet van zou hebben gehad is, aldus de verdediging, niet aanwezig.
Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de desbetreffende geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.
  • Vervolginsuitsluitingsgrond artikel 12 Wet MOT

Door de verdediging is betoogd dat deze feiten niet bewezen kunnen worden omdat het openbaar ministerie handelt in strijd met artikel 12 van de Wet MOT. De verdediging stelt hiertoe dat de in de tenlastelegging genoemde transacties zijn gemeld conform artikel 9 van de Wet MOT.

Het hof verwerpt dit verweer op de gronden als hiervoor onder ad b bij de overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen.

  • Criminele organisatie

Aangenomen kan worden dat onder meer bedrijf 1 BV, verdachte, betrokkene 2, betrokkene 4, betrokkene 5, betrokkene 3 en betrokkene 6 hebben deelgenomen aan de criminele organisatie en dat het vereiste onvoorwaardelijke opzet bij hen aanwezig was. Zij hoorden immers tot het samenwerkingsverband en hadden een aandeel in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Bewezenverklaring

  • feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
  • feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd.
  • feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd.
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor niet voldoen aan een art. 14 Communautair Douane Wetboek opgelegde verplichting, door niet te antwoorden op vragen van douane-ambtenaren in het kader van een 100%-controle

Gerechtshof Amsterdam 29 november 2012, LJN BY4952 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 

Door de raadsman is tijdens de terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, nu het proces-verbaal in strijd met het bepaalde in de Algemene Douanewet niet naar de inspecteur der belastingen is ingezonden, maar naar de officier van justitie. Aldus zijn vormen verzuimd en dient niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te volgen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Hof: De vervolging van de verdachte heeft – tot aan de tweede terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2012 – louter betrekking gehad op het bepaalde in art. 184 Sr. Aldus was de basis van de vervolging ten tijde van de inzending van het dossier niet een bij de ADW of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit, maar een zogeheten commuun delict uit het Wetboek van Strafrecht. Derhalve diende de zaak te worden gezonden naar het openbaar ministerie en zijn geen vormen verzuimd.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk zijn vervolging.

Ten overvloede overweegt het hof dat, ook indien het proces-verbaal naar de inspecteur had moeten worden gezonden en er derhalve in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een vormverzuim (quod non), niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur een dergelijk proces-verbaal niet ter vervolging aan de officier van justitie zou hebben doen toekomen. Van belang is immers dat in hoofdstuk 9 van de ADW, dat de bestuurlijke boeten en beboetbare feiten vermeldt, niet is genoemd het niet voldoen aan de inlichtingenplicht van art. 14 van de Communautaire Douanewet (CDW). Een afdoening van deze kwestie langs bestuurs-fiscaalrechtelijke weg is derhalve niet mogelijk.

Zelfs al zou er derhalve sprake zijn geweest van een vormverzuim, dan valt niet in te zien op welke wijze de verdachte in zijn belangen zou zijn geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof overweegt dat art. 14 CDW niet inhoudt dat de douaneautoriteiten bevoegd zijn tot het geven van een bevel of het doen van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr.

Op grond van art. 14 CDW en art. 10:6 ADW was de verdachte verplicht op verzoek van de douaneautoriteiten de inlichtingen te verstrekken die van hem werden gevraagd. Nu hij dat, blijkens het proces-verbaal van bevinding en overdracht en zijn eigen verklaring bij de Koninklijke Marechaussee, niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan de overtreding als bedoeld in art. 10:6 ADW.

De raadsman van de verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een verzoek om inlichtingen niet hoeft te worden ingewilligd in de situatie waarin nog in het geheel niet duidelijk is dat er sprake is van in- of uitvoer van goederen als bedoeld in de douanewetgeving, hetgeen in casu het geval was. Met andere woorden, het verzoek tot het verstrekken van inlichtingen aan de verdachte is prematuur gedaan en er rustte op de verdachte derhalve geen verplichting om aan dat verzoek te voldoen.

In de CDW jo. de ADW is aan de douane een aantal controlebevoegdheden verleend en/of is aan personen een aantal verplichtingen opgelegd.

  • Art. 1:1, vijfde lid, juncto bijlage 1, ADW bepaalt dat de bepalingen van de ADW mede strekken ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen van toepassing zijn bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Europese Gemeenschap, waaronder de verboden of beperkingen als opgenomen in de Opiumwet.
  • Art. 14 CDW behelst een verplichting tot het verstrekken van onder meer inlichtingen aan de douaneautoriteiten door een persoon die, direct of indirect, bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht is betrokken.

In het onderhavige geval was er sprake van een 100%-controle op risicolanden op het gebied van verdovende middelen, waarbij de douaneambtenaren onder meer waren belast met het bezien of de zogenoemde “slikkerscriteria” al dan niet van toepassing waren op daartoe geselecteerde passagiers, onder wie de verdachte. In dit verband werden aan de verdachte vragen gesteld (volgens de verdachte: of hij werk had, hoe hij zijn ticket had betaald, hoe hij zijn ticket had gekocht). De verdachte heeft tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij heeft gezegd dat hij zijn ticket had gekocht van het geld van een schadevergoeding die hij had ontvangen, maar dat hij toen hem de vraag werd gesteld hoeveel die schadevergoeding bedroeg, geen antwoord meer heeft willen geven omdat dat privé was en vervolgens gezegd heeft: “Ik vertel niets meer”.

Het hof constateert dat de desbetreffende douane-ambtenaren, gelet op het bepaalde in CDW en ADW, bevoegd waren om in het kader van de controle op (het voorkomen van) de invoer van verdovende middelen de vragen waar het hier om gaat aan de verdachte te stellen en dat de verdachte verplicht was daarop te antwoorden. Daartoe hoeft niet eerst duidelijk te zijn dát er sprake is van de invoer van al dan niet verboden goederen, aangezien de controlebevoegdheden nu juist mede strekken tot het vaststellen of wel of niet van zodanige invoer sprake is. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 juni 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, niet heeft voldaan aan een hem bij of krachtens art. 14 Communautair Douane Wetboek opgelegde verplichting, namelijk heeft verdachte toen en daar, nadat ambtenaar 1 en 2, ambtenaren van de Belastingdienst en bevoegd inzake de Douane en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, hem hadden verzocht de gewenste informatie te verstrekken, geen gevolg gegeven aan dit verzoek.

Strafoplegging

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 120,00, subsidiair 2 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 120,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 120,00.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Raadsman heeft geen recht op toezending akte van uitreiking, gelet op het inzagerecht is er geen sprake van onthouding

Gerechtshof Amsterdam, 4 oktober 2012, LJN BY3429 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotities op het standpunt gesteld dat onderzoek ter terechtzitting dient te worden geschorst, teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen adequaat te onderzoeken of de betekening van de oproeping rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdediging ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van het EVRM recht heeft op adequate voorbereiding en dat dit recht mede omvat de toezending van een kopie van de akte van uitreiking van de oproeping aan de verdachte, voorafgaand aan de zitting, zodat de verdediging reeds op voorhand een standpunt kan formuleren omtrent de geldigheid van de oproeping, of – indien zij op voorhand al met zekerheid kan vaststellen dat de oproeping nietig is zodat een inhoudelijke behandeling van de zaak achterwege zal blijven – een overbodige voorbereiding van de zaak kan voorkomen. Een dergelijk recht vloeit ook voort uit artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering, aldus de raadsman.

Het verweer wordt verworpen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Naar het oordeel van het hof omvat het recht als bedoeld in art. 51 Sv op het verkrijgen van processtukken en overige stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht, zoals de dagvaarding, niet mede een recht op afschriften van de bijbehorende aktes van uitreiking. Anders dan een dagvaarding of oproeping is een akte van uitreiking geen zelfstandig stuk dat op grond van de wet ter kennis van de verdachte wordt gebracht. Het betreft een standaard (invul)formulier van procedurele aard en met een accessoir karakter aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de dagvaarding op rechtsgeldige wijze ter kennis van de verdachte is gebracht, althans dat zulks is getracht.

Ook op grond van de ministeriële circulaire ‘Kennisneming door raadslieden van dossiers in strafzaken tegen verdachten’ van 22 februari 1971 komt de raadsman geen recht tot toezending van de akte van uitreiking toe, nu de daarin vervatte limitatieve opsomming niet rept van deze stukken.

Wel bestaat naar het oordeel van het hof een bevoegdheid van de raadsman tot kennisneming van de akte van uitreiking in eerste aanleg voor zover in het dossier aanwezig. Daarvoor dient hij zich echter – zoals gangbare praktijk is – bij de griffie te vervoegen om de stukken aldaar in te zien.

Ten aanzien van de gestelde schending van art. 6 EVRM overweegt het hof dat uit vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer Foucher t. France, app. no. 22209/93 en laatstelijk Leas t. Estland, 6 maart 2012, app. 59577/08) volgt dat het recht op voldoende tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging ziet op de mogelijkheid kennis te nemen van stukken die van belang zijn voor de voorbereiding van de materiële vragen van het strafproces, zoals de bewezenverklaring en de strafoplegging:

“Article 6 § 3 (b) guarantees the accused “adequate time and facilities for the preparation of his defence” and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is “necessary” to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the possibility to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings. Furthermore, the facilities which should be enjoyed by everyone charged with a criminal offence include the opportunity to acquaint himself, for the purposes of preparing his defence, with the results of investigations carried out throughout the proceedings. The issue of adequacy of time and facilities afforded to an accused must be assessed in the light of the circumstances of each particular case.” (EHRM r.o. 80, Leas t. Estland)

Thans leidt het hof uit het nationale recht en uit de jurisprudentie met betrekking tot art. 6 EVRM niet af dat een raadsman een aanspraak toekomt op toezending van bijvoorbeeld een kopie van de akte van uitreiking van de oproeping van de verdachte.

Overigens is van onthouding van de stukken geen sprake, nu de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld de aktes in te zien. Van die gelegenheid heeft de raadsman geen gebruik gemaakt. Door de raadsman is niet gesteld dat hij niet in staat zou zijn deze aktes ter zitting adequaat te bestuderen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling verzekeringsconsulente voor valsheid in geschrifte en verduistering

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 november 2012, LJN BY4565 Verdachte is in eerste aanleg voor twee gevallen van valsheid in geschrifte en drie gevallen van verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Voorts heeft de eerste rechter beslist over vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1. primair, 2., 3. subsidiair, 4. primair en 5. subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij 1 zal toewijzen tot een bedrag van € 1.707,28 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij 2 in diens vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard ten aanzien van de tenlastegelegde verduisteringen. Meer subsidiair is aangevoerd dat wegens vormverzuimen bij de doorzoeking bewijsuitsluiting zou moeten plaatsvinden. Meest subsidiair heeft de verdediging vrijspraak van feit 2, 3 en 5 bepleit.

Ten aanzien van de strafmaat heeft de verdediging verzocht om af te zien van oplegging van een gevangenisstraf die in duur het voorarrest zou overstijgen. De vordering van de benadeelde partij 2 moet volgens de verdediging niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering van benadeelde partij 1 zou ten dele kunnen worden toegewezen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit op twee gronden. De twee gronden leveren afzonderlijk dan wel gezamenlijk een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op volgens de verdediging.

In de eerste plaats stelt de verdediging dat het openbaar ministerie bij het samenstellen van het strafdossier te selectief te werk is gegaan. Uitsluitend belastende informatie is in het dossier gevoegd. Stukken die ontlastend konden zijn voor verdachte, zoals rectificaties, zijn buiten het dossier gehouden. De raadsman heeft daarbij ondermeer verwezen naar de stukken zoals deze door de verdediging ter zitting van het hof zijn overgelegd en waaruit af te leiden zou zijn. dat verzekeringsmaatschappijen ten onrechte klanten van verdachte zouden hebben geroyeerd.

Voorts zijn met betrekking tot het binnentreden aan twee processen-verbaal opgemaakt door verbalisant. In het ene proces-verbaal wordt de partner van verdachte genoemd als degene die aanwezig was en toestemming gaf voor het binnentreden. In het andere proces-verbaal wordt medeverdachte - buurman als zodanig genoemd. Het had op de weg van de politie gelegen om een nader proces-verbaal op te maken om deze ongerijmdheid toe te lichten en recht te zetten. Dit is nagelaten.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting overweegt het hof het volgende.

De administratie van verdachte is onder verdachte in beslag genomen. Kennelijk zijn sommige stukken uit die administratie toegevoegd aan het dossier en andere niet. Dat hierbij te selectief te werk is gegaan, in die zin dat bewust ontlastende stukken buiten het dossier zijn gehouden, is niet aannemelijk geworden door hetgeen door de verdediging is aangevoerd en/of door de stukken die zijn overgelegd.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie, danwel de verbalisanten onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, bij de selectie van gehanteerde documenten hebben gehandeld met grove verontachtzaming van de belangen van verdachte bij haar recht op een eerlijk proces.

Ten aanzien van het proces-verbaal van binnentreden heeft verbalisant inmiddels op verzoek van het hof per e-mail en naar het oordeel van het hof genoegzaam verduidelijkt dat het de echtgenoot van verdachte was die de rechter-commissaris en het opsporingsteam de toegang heeft verschaft tot de woning. Dit is de partner van verdachte. Hij woonde samen met verdachte op dat adres. Het proces-verbaal waarin dit correct is geverbaliseerd, maakt deel uit van het onderhavige dossier. Ook in de overige stukken met betrekking tot de doorzoeking, opgenomen vanaf pagina 384 van het dossier en in de map van het gerechtelijk vooronderzoek, is dit steeds correct weergegeven.

Het proces-verbaal waarin - volgens de hiervoor bedoelde verbalisant mogelijk door een administratieve fout - de naast de partner van verdachte woonachtige medeverdachte - buurman is vermeld als de bewoner van de woning, is door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zelf aangereikt en behoorde tot het strafdossier van een andere verdachte.

Voor de stelling dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte doordat de politie de ongerijmdheden tussen de twee processen-verbaal niet heeft toegelicht en rechtgezet, is dan ook geen grond. Naar het oordeel van het hof kan er bovendien, gelet op de overige beschikbare stukken met betrekking tot de doorzoeking, geen misverstand bestaan over de feitelijke gang van zaken bij het binnentreden van de woning.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Oordeel Hof

Verdachte kreeg van verzekerden geldbedragen onder zich uit hoofde van haar beroep als verzekeringsagente. Op grond van een overeenkomst van dienstverlening, diende verdachte deze geldbedragen over te maken naar verzekeringsmaatschappijen ter voldoening van de verzekeringspremies. Het spreekt voor zich dat dit voor de vervaldatum van de betalingstermijn diende te gebeuren.

Verdachte heeft erkend dat zij (delen van) geldbedragen die bestemd waren voor de betaling van verzekeringspremies, van de zakelijke rekening heeft onttrokken om tekorten in haar persoonlijke financiële huishouding te dekken. Premies heeft zij niet, dan wel niet tijdig, afgedragen. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft verdachte geldbedragen onttrokken aan het doel waarvoor deze bestemd waren. In plaats daarvan is verdachte als heer en meester over (een deel van de) geldbedragen gaan beschikken.

Dit levert, naar het oordeel van het hof, wederrechtelijke toe-eigening op.

De verdediging heeft zich nog op het standpunt gesteld dat verdachte verscheidene verzekeringspremies - al dan niet te laat - wel degelijk heeft betaald, zij het aan de tussenpersoon. De tussenpersoon zou vervolgens tekort zijn geschoten in de doorbetaling aan de verzekeringsmaatschappijen.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting overweegt het hof het volgende.

De stukken die de verdediging in dit kader heeft overgelegd, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende gespecificeerd om als onderbouwing te kunnen dienen. De stukken zijn op onderdelen niet met elkaar in overeenstemming. Uit de door de verdediging overgelegde bankafschriften kan weliswaar blijken dat verdachte op bepaalde data betalingen heeft verricht aan de tussenpersoon, doch daaruit kan niet worden afgeleid voor welke polissen verdachte deze betalingen zou hebben verricht. De omschrijvingen op de bankafschriften en ook de bedragen passen niet bij polissen van de in de tenlastelegging genoemde gedupeerde verzekeringsnemers.

Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte de ten laste gelegde betalingen wel middelijk of onmiddellijk tijdig zou hebben doorbetaald en dat de tussenpersoon nalatig zou zijn geweest deze bedragen door te boeken naar de verzekeringsmaatschappijen.

Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de premies voor de autoverzekering betreffende de Peugeot van benadeelde 8 door verdachte zijn doorbetaald aan de verzekeringsmaatschappij, doch dat de verzekeringsmaatschappij zich niet heeft gehouden aan toegezegde correcties op de polis. Daartoe zijn door de verdediging eveneens stukken overgelegd, waaronder een polisblad en een kopie van de polis voor de tussenpersoon.

Het hof stelt vast dat uit het dossier kan blijken dat de motorrijtuigenverzekering bij brief van 8 juni 2009 van de tussenpersoon per 20 mei 2009 is geroyeerd vanwege wanbetaling. De door de verdediging overgelegde stukken maken duidelijk dat verdachte nadien per mail van 6 september 2009 een poliswijziging doorgeeft aan tussenpersoon 2 dat per 20 mei 2009 de betreffende Peugeot verzekerd diende te zijn onder een ander polisnummer.

Het hof acht op basis van de overgelegde stukken niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van niet doorgevoerde maar wel toegezegde correcties op de polis. Er is naar het oordeel van het hof veeleer sprake van geweest dat verdachte achteraf – nadat benadeelde 8 werd geconfronteerd met een strafrechtelijke vervolging terzake van het onverzekerd zijn van diens auto – middels mutaties ervoor zorg heeft gedragen dat de auto na 20 mei 2009 alsnog als verzekerd moest worden aangemerkt.

De verweren die de verdediging op deze punten heeft gevoerd, worden door de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, weerlegd.

Strafoplegging

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

  • dat verdachte gedurende een vrij lange periode geldbedragen heeft verduisterd;
  • dat zij dat in enkele gevallen heeft proberen te verhullen door valsheid in geschrifte te plegen;
  • dat zij haar cliënten heeft blootgesteld aan het risico dat zij onverzekerd raakten, met alle financiële gevolgen van dien;
  • dat zij daardoor het vertrouwen dat verzekeringsnemers in haar mochten stellen als verzekeringsagente ernstig heeft beschaamd.

Ter terechtzitting is het hof gebleken dat verdachte nog immer de schuld buiten zichzelf legt en onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor haar daden.

Bij de straftoemeting weegt het hof voorts het onder 5 ad informandum gevoegde feit mee. Het gaat daarbij om oplichting die verdachte in het kader van haar werkzaamheden als verzekeringsagente heeft gepleegd.

Het hof houdt rekening met de conclusie uit het pro justitia rapport van 14 januari 2011, inhoudende dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Alle omstandigheden in ogenschouw genomen, acht het hof een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

TBS met dwangverpleging en 744 dagen gevangenisstraf voor oplichting

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 november 2012, BY3755 De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat - nu enkel de mogelijkheid bestaat dat verdachte vermogensdelicten zal plegen - niet is voldaan aan het in art. 37a, eerste lid, sub 2 Sr juncto art. 37b, eerste lid Sr opgenomen criterium, te weten dat de algemene veiligheid van personen of goederen de maatregel vereist.

Naar het oordeel van het hof valt onder de algemene veiligheid van goederen niet alleen de algemene veiligheid van goederen tegen fysieke aantasting, doch ook het belang van het ongestoorde bezit van goederen van willekeurige derden.

Voorzover de verdediging heeft betoogd dat de algemene veiligheid van goederen niet in het geding is aangezien verdachte, na in vrijheid te zijn gesteld, zich na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg niet meer schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en zij in die periode in staat is gebleken haar leven weer stap voor stap op te pakken, overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt het hof dat verdachte ook in die periode problemen voor haar omgeving schiep door niet alleen niet bereikbaar te zijn voor Justitie, maar ook opnieuw (huur)schulden te maken, waarvoor ze voor de schuldeisers eveneens onvindbaar was. Dit gedrag ligt naar het oordeel van het hof in de lijn van de diagnose van de deskundige dat alles erop wijst dat ze met plegen van strafbare feiten zal doorgaan, omdat de wens om te doen wat ze altijd heeft gedaan bij haar uitermate sterk aanwezig is.

Verdachte heeft door haar handelen stelselmatig anderen op slinkse wijze benadeeld. Met deze benadelingen waren steeds zeer grote bedragen gemoeid. Uit het strafblad van verdachte maakt het hof op dat de eerdere veroordelingen van verdachte terzake van oplichting, gelet op de daarbij opgelegde straffen, eveneens omvangrijke benadelingspraktijken betroffen.

Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldaan aan het hiervoor bedoelde vereiste.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^