Veroordeling voor niet voldoen aan een art. 14 Communautair Douane Wetboek opgelegde verplichting, door niet te antwoorden op vragen van douane-ambtenaren in het kader van een 100%-controle

Gerechtshof Amsterdam 29 november 2012, LJN BY4952 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 

Door de raadsman is tijdens de terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, nu het proces-verbaal in strijd met het bepaalde in de Algemene Douanewet niet naar de inspecteur der belastingen is ingezonden, maar naar de officier van justitie. Aldus zijn vormen verzuimd en dient niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te volgen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Hof: De vervolging van de verdachte heeft – tot aan de tweede terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2012 – louter betrekking gehad op het bepaalde in art. 184 Sr. Aldus was de basis van de vervolging ten tijde van de inzending van het dossier niet een bij de ADW of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit, maar een zogeheten commuun delict uit het Wetboek van Strafrecht. Derhalve diende de zaak te worden gezonden naar het openbaar ministerie en zijn geen vormen verzuimd.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk zijn vervolging.

Ten overvloede overweegt het hof dat, ook indien het proces-verbaal naar de inspecteur had moeten worden gezonden en er derhalve in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een vormverzuim (quod non), niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur een dergelijk proces-verbaal niet ter vervolging aan de officier van justitie zou hebben doen toekomen. Van belang is immers dat in hoofdstuk 9 van de ADW, dat de bestuurlijke boeten en beboetbare feiten vermeldt, niet is genoemd het niet voldoen aan de inlichtingenplicht van art. 14 van de Communautaire Douanewet (CDW). Een afdoening van deze kwestie langs bestuurs-fiscaalrechtelijke weg is derhalve niet mogelijk.

Zelfs al zou er derhalve sprake zijn geweest van een vormverzuim, dan valt niet in te zien op welke wijze de verdachte in zijn belangen zou zijn geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof overweegt dat art. 14 CDW niet inhoudt dat de douaneautoriteiten bevoegd zijn tot het geven van een bevel of het doen van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr.

Op grond van art. 14 CDW en art. 10:6 ADW was de verdachte verplicht op verzoek van de douaneautoriteiten de inlichtingen te verstrekken die van hem werden gevraagd. Nu hij dat, blijkens het proces-verbaal van bevinding en overdracht en zijn eigen verklaring bij de Koninklijke Marechaussee, niet heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan de overtreding als bedoeld in art. 10:6 ADW.

De raadsman van de verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een verzoek om inlichtingen niet hoeft te worden ingewilligd in de situatie waarin nog in het geheel niet duidelijk is dat er sprake is van in- of uitvoer van goederen als bedoeld in de douanewetgeving, hetgeen in casu het geval was. Met andere woorden, het verzoek tot het verstrekken van inlichtingen aan de verdachte is prematuur gedaan en er rustte op de verdachte derhalve geen verplichting om aan dat verzoek te voldoen.

In de CDW jo. de ADW is aan de douane een aantal controlebevoegdheden verleend en/of is aan personen een aantal verplichtingen opgelegd.

  • Art. 1:1, vijfde lid, juncto bijlage 1, ADW bepaalt dat de bepalingen van de ADW mede strekken ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen van toepassing zijn bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Europese Gemeenschap, waaronder de verboden of beperkingen als opgenomen in de Opiumwet.
  • Art. 14 CDW behelst een verplichting tot het verstrekken van onder meer inlichtingen aan de douaneautoriteiten door een persoon die, direct of indirect, bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht is betrokken.

In het onderhavige geval was er sprake van een 100%-controle op risicolanden op het gebied van verdovende middelen, waarbij de douaneambtenaren onder meer waren belast met het bezien of de zogenoemde “slikkerscriteria” al dan niet van toepassing waren op daartoe geselecteerde passagiers, onder wie de verdachte. In dit verband werden aan de verdachte vragen gesteld (volgens de verdachte: of hij werk had, hoe hij zijn ticket had betaald, hoe hij zijn ticket had gekocht). De verdachte heeft tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij heeft gezegd dat hij zijn ticket had gekocht van het geld van een schadevergoeding die hij had ontvangen, maar dat hij toen hem de vraag werd gesteld hoeveel die schadevergoeding bedroeg, geen antwoord meer heeft willen geven omdat dat privé was en vervolgens gezegd heeft: “Ik vertel niets meer”.

Het hof constateert dat de desbetreffende douane-ambtenaren, gelet op het bepaalde in CDW en ADW, bevoegd waren om in het kader van de controle op (het voorkomen van) de invoer van verdovende middelen de vragen waar het hier om gaat aan de verdachte te stellen en dat de verdachte verplicht was daarop te antwoorden. Daartoe hoeft niet eerst duidelijk te zijn dát er sprake is van de invoer van al dan niet verboden goederen, aangezien de controlebevoegdheden nu juist mede strekken tot het vaststellen of wel of niet van zodanige invoer sprake is. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 juni 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, niet heeft voldaan aan een hem bij of krachtens art. 14 Communautair Douane Wetboek opgelegde verplichting, namelijk heeft verdachte toen en daar, nadat ambtenaar 1 en 2, ambtenaren van de Belastingdienst en bevoegd inzake de Douane en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, hem hadden verzocht de gewenste informatie te verstrekken, geen gevolg gegeven aan dit verzoek.

Strafoplegging

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 120,00, subsidiair 2 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 120,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het Hof veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 120,00.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF