Boekhouder veroordeeld wegens faillissementsfraude en opstellen valse balans en valse financiële prognose

Rechtbank Midden-Nederland 22 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7358

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1: verdachte in de periode van 13 juni 2008 tot en met 16 december 2008, als bestuurder van Hannah Klinieken B.V. die op 21 oktober 2008 in staat van faillissement is verklaard, zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude, door de volgende handelingen te verrichten:

A. in de periode van 13 juni 2008 tot en met 16 december 2008, een groot aantal computers, althans één computer, en/of een aantal andere goederen aan de boedel te onttrekken, en/of

B. in de periode van 1 februari 2008 tot en met 16 december 2006 niet te voldoen aan zijn verplichting tot het voeren van een administratie, het bewaren hiervan en het aan de curator ter beschikking stellen van deze administratie.

Feit 2: Hannah Klinieken B.V. in de periode van 30 juni 2008 tot en met 1 oktober 2008, samen met anderen, Dell B.V. en/of GE Capital B.V. en/of IBM Nederland Financieringen B.V. door middel van oplichting heeft bewogen tot:

    • de afgifte van een (groot) aantal computers (met toebehoren) ter waarde van € 104.298,81, en/of
    • het aangaan van een schuld, te weten een/meer leaseovereenkomsten,

terwijl verdachte en/of zijn mededaders daaraan feitelijk leiding en/of daartoe opdracht heeft/hebben gegeven.

Feit 3: verdachte in de periode van 31 december 2007 tot en met 15 juli 2008 een geschrift valselijk heeft opgemaakt/vervalst en dit heeft gebruikt/doen gebruiken, terwijl hij wist/moest vermoeden dat dit stuk/deze stukken bestemd was/waren ter onderbouwing van een aanvraag tot het openen van (een) bankrekening(en) met kredietfaciliteit;

alternatief ten laste gelegd als: verdachte in de periode van 1 juli 2008 tot en met 15 juli 2008, samen met anderen, Coöperatieve Rabobank Zuid-Holland Midden U.A. door middel van oplichting heeft bewogen tot:

    • de afgifte van een geldbedrag (ter waarde van € 28.006,98), althans enig goed, en/of
    • het aangaan van een schuld, te weten een tweetal bankrekeningen met kredietfaciliteit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 (eerste alternatief) heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaringen van verdachte en de medeverdachte 1 als getuige ter terechtzitting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, en daarbij enkel ingaan op die standpunten die deugdelijk zijn onderbouwd en zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

Feiten 

Stichting Cozijnsen Beheer B.V.  Medeverdachte 1 was vanaf 1 februari 2008 tot en met – in ieder geval – 11 december 2008 bestuurder van Stichting Cozijnsen Beheer B.V. Van 24 juni 2008 tot en met – in ieder geval – 11 december 2008 was medeverdachte 2 (verder: medeverdachte 2) tevens bestuurder van Stichting Cozijnsen Beheer B.V.

Oosten Multi Media B.V. medeverdachte 1 was in de periode van 1 februari 2008 tot 24 juni 2008 bestuurder van Oosten Multi Media B.V. Van 24 juni 2008 tot en met – in ieder geval – 11 april 2009 was medeverdachte 2 bestuurder van Oosten Multi Media B.V.

Hannah Klinieken B.V.  Hannah Klinieken B.V. is begin 2008 verkocht aan Oosten Multi Media B.V. Van 16 april 2008 tot 13 juni 2008 was Stichting Cozijnsen Beheer B.V. alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van Hannah Klinieken B.V. verdachte was vanaf 13 juni 2008 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van Hannah Klinieken B.V.

Medeverdachte 1 heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij vanaf mei 2008 voor Hannah Klinieken B.V. is gaan werken. medeverdachte 2, verdachte en hijzelf kenden geen hiërarchie in hun onderlinge samenwerking. Het klopt dat zij één keer in de week gezamenlijk overleg voerden. Dat kan een soort managementoverleg worden genoemd.

Medeverdachte 2 heeft als getuige verklaard dat hij vanaf ongeveer juli 2008 werkzaam is bij Hannah Klinieken B.V. medeverdachte 1 is volgens hem de eigenaar/baas en verdachte de directeur.

Volgens getuige 1 werd medeverdachte 1 de eigenaar/baas toen Hannah Klinieken B.V. in 2008 werd overgenomen. Hij gaf feitelijk leiding. Verdachte was directeur van het bedrijf Hannah Klinieken.

Hannah Klinieken B.V. werd volgens getuige 2 geleid door medeverdachte 1, medeverdachte 2 en verdachte.

Financiële positie Hannah Klinieken B.V. voor faillissement Getuige 3 heeft verklaard dat vanaf mei 2008 de salarissen en overige betalingen niet of nauwelijks meer werden uitgevoerd. Er waren collega’s met een betalingsachterstand van drie maanden. Zelf heeft ze na juli 2008 geen salaris meer gekregen.

Getuige 2 heeft sinds augustus 2008 geen salaris meer ontvangen. Ook werden leveranciers niet meer betaald. Ze kreeg alleen maar boze mensen aan de telefoon die hun geld wilden hebben. Ze heeft die mensen doorverwezen naar medeverdachte 1 en verdachte.

Medeverdachte 2 heeft als getuige verklaard dat hij wist dat er salarisproblemen waren omdat er over werd gepraat en omdat mensen daarover tegen hem gingen aanzeiken. Hij wist ook dat er huurachterstanden waren.

Omstreeks de jaarwisseling van 2008 betaalde Hannah Klinieken B.V. ineens geen huur meer aan de eigenaar van het pand, de heer benadeelde 1. Blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht van 23 juli 2008 is Hannah Klinieken B.V. hoofdelijk veroordeeld tot ontruiming van het pand voor 23 augustus 2008 en tot betaling van de huurachterstand van € 77.775,00, vermeerderd met de verbeurde boetes ter hoogte van € 13.500,- alsmede de proceskosten van benadeelde 1 ter hoogte van € 1.155,44.

Faillissement Hannah Klinieken B.V.

Hannah Klinieken B.V. is bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2008 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. M. Verhoeff als curator.

Het oordeel van de rechtbank 

Verdere bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

Onttrekken goederen aan de boedel - A

Op naam van Hannah Klinieken B.V. is in de periode van 30 juni 2008 tot en met 4 september 2008 een grote hoeveelheid computers met toebehoren besteld bij Dell B.V.

verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van deze bestellingen één Dell laptop heeft ontvangen. Hij heeft nooit voor deze laptop betaald. Hij heeft deze laptop ook niet aangeboden aan de curator in het faillissement.

Boekhoudplicht - B

De curator heeft aan verdachte en medeverdachte 1 verzocht om de administratie van Hannah Klinieken B.V. ter beschikking te stellen. De curator heeft vervolgens geconstateerd dat niet is voldaan aan de boekhoudverplichting op grond van artikel 3:15a BW (de rechtbank begrijpt: 3:15i BW), namelijk de verplichting tot het te voorschijn brengen van de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarover de bewaarplicht zich uitstrekt.

Getuige 2 heeft verklaard dat verdachte de loonadministratie deed. Ze noemt hem de boekhouder. De administratie werd bewaard in de villa, op de begane grond.

Volgens getuige 3 deed verdachte de boekhouding. De boekhouding stond bij haar op kantoor in de villa. Het klopt niet dat die verloren is gegaan bij de brand. Op verzoek van medeverdachte 1 is de administratie in de week voor de brand op 5 september 2008 ingepakt, omdat deze naar het kantoor van verdachte zou gaan.

Op 3 september 2008 zag zij dat de villa en het bedrijf compleet gestript waren. Alles was weg. De administratie en boekhouding is dus absoluut niet verbrand.

Getuige 4 van verhuis- en opslagbedrijf bedrijf heeft op 2 september 2008 telefonisch van medeverdachte 2 opdracht gekregen om met spoed spullen op te halen bij Hannah Klinieken op de adres in plaats. Vervolgens is een kantoorinventaris bestaande uit onder meer twee à drie dozen administratie uit de villa van genoemd bedrijf bij zijn bedrijf opgeslagen.

Verbalisant 1 heeft verklaard dat uit een afgeluisterd en opgenomen tapgesprek van 23 september 2008, met het bij medeverdachte 1 in gebruik zijnde telefoonnummer nummer, blijkt dat medeverdachte 1 een gesprek voert met ene ‘A’ (fonetisch).

W = medeverdachte 1. O = A.

“W: Wij houden wel bij wat voor omzet er iedere maand gemaakt is, alleen op het moment dat wij die villa zo snel mogelijk leeg moesten maken is alles in dozen gegaan. Dus wij zijn nu al die dozen aan het nalopen waar de omzetgegevens zijn gebleven, maar we kunnen tot op heden de server niet in. O: En wat is er dan met de server? W: Die zit zo vast als een huis. En wat ik nu gedaan heb, is gekeken om de harde schijf er uit te trekken en te kijken of ik die extern kan laten uitlezen.”

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Bestuurder

Door de verdediging is aangevoerd dat het enkele feit dat de verdachte korte tijd bestuurder is geweest, niet zonder meer redengevend is voor het bewijs. Verdachte zou een zeer beperkt takenpakket hebben gehad en slechts als boekhouder de loonadministratie hebben gevoerd.

De rechtbank acht evenwel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - sinds zijn inschrijving als alleen/bevoegd bestuurder in het handelsregister van de Kamers van Koophandel op 13 juni 2008 tot en met de aangiftedatum van de curator op 16 december 2008 - bestuurder van Hannah Klinieken B.V. is geweest. Naast deze statutaire inschrijving acht de rechtbank voornoemde getuigenverklaringen van getuige 1, getuige 2, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 redengevend voor dit ten laste gelegde onderdeel.

Onttrekken goederen aan de boedel - A

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte één ten laste gelegde computer aan de boedel heeft onttrokken voordat het faillissement is uitgesproken.

Door de verdediging is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het bedrieglijk verkorten van de rechten van de schuldeisers door goederen aan de boedel te onttrekken.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet moet hebben gehad om de rechten van schuldeisers te verkorten.

De gedragingen van verdachte hebben de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers doen ontstaan, nu de computer anders in de failliete boedel zou zijn gebleven waaruit de schuldeisers voldaan zouden kunnen worden. Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Boekhoudplicht - B

Door de verdediging is met betrekking tot de boekhoudplicht ook aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het bedrieglijk verkorten van de rechten van de schuldeisers. Bovendien zou onvoldoende zijn gebleken dat de rechten van de schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort.

Zoals hiervoor al aangegeven volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet moet hebben gehad om de rechten van schuldeisers te verkorten en dat niet vereist is dat de rechten van schuldeisers als gevolg van dat handelen ook daadwerkelijk zijn verkort.

Door het niet op vordering van de curator uitleveren van de bestaande administratie heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers doen ontstaan. Zonder administratie heeft de curator immers geen zicht op de baten en lasten van de vennootschap en weet hij daarmee niet wat hij onder welke schuldeisers kan verdelen.

Uit het voorgaande volgt dat ook ten aanzien van deze gedraging aan de voorwaarde is voldaan dat verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.

Verdere bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 Bestelling I bij Dell B.V.

Op 30 juni 2008 is er op naam van Hannah Klinieken B.V. een order voor een grote hoeveelheid computers met toebehoren geplaatst bij Dell B.V. De order met nummer 14312883.5 is op 4 juli 2008 op naam van verdachte ondertekend. Hetzelfde geldt voor de bijbehorende lease- en/of financieringsovereenkomst met nummer 103224-0 van G.E. Capital B.V.

medeverdachte 1 heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij de order van Dell B.V. en de lease- en/of financieringsovereenkomst van GE Capital B.V. voor verdachte heeft ondertekend, omdat verdachte had aangegeven daarvoor geen tijd te hebben.

Blijkens de lease- en financieringsovereenkomst heeft Hannah Klinieken B.V. aan GE Capital B.V. een machtiging tot automatische incasso verleend tot het afschrijven van het geld van bankrekeningnummer nummer.

Hierna is de bestelling I in gedeelten afgeleverd in de periode van 7 juli 2008 tot en met 25 juli 2008 op de adres te plaats.

Bestelling II bij Dell B.V.

Op 7 augustus 2008 heeft medeverdachte 1 opnieuw contact met Dell B.V. opgenomen voor nog een order.

Op 4 september 2008 is vanaf het e-mailadres E-mailadres de navolgende e-mail gestuurd aan E-mailadres. Touch N’Lease is een tussenpersoon van IBM Nederland Financieringen B.V.

“Hierbij deel ik u mee, dat de heer medeverdachte 2 (…) vandaag bij u langs komt om de contracten te tekenen. Hij heeft hierbij volledige volmacht om namens HannaH Klinieken BV (Amersfoort) rechtsgeldig alle handelingen te verrichten die noodzakelijk en gewenst zijn om de continuïteit van onze onderneming te waarborgen en te garanderen.

Hoogachtend,  verdachte HannaH Klinieken B.V.

Namens Hannah Klinieken B.V. heeft medeverdachte 2 op 4 september 2008 de lease- en/of financieringsovereenkomst van IBM Nederland Financieringen B.V. met nummer 15000027 getekend. medeverdachte 2 geeft daarbij als functie ‘manager’ op.

Blijkens deze lease- en/of financieringsovereenkomst heeft Hannah Klinieken B.V. aan IBM Nederland Financieringen B.V. een machtiging tot automatische incasso verleend tot het afschrijven van het geld van bankrekeningnummer nummer.

Vervolgens heeft de levering van bestelling II plaatsgevonden op de adres te plaats.

In totaal is er voor € 104.298,81 aan computers met toebehoren besteld en afgeleverd bij Hannah Klinieken B.V.

Volgens getuige 3 zouden de computers gebruikt worden in het bedrijf, maar zijn ze door medeverdachte 1 meegenomen. Sinds de aflevering van de dozen op de adres heeft ze de computers niet meer gezien. Ze vond dit gek omdat Hannah Klinieken er financieel niet sterk voor stond.

Uit afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken tussen onder meer verdachten medeverdachte 1, medeverdachte 2 en verdachte is gebleken dat medeverdachte 1 op 11 september 2008 Dell B.V. maant tot het leveren van de computers, omdat hij anders zal stoppen met het afnemen van goederen bij Dell B.V. Daarnaast blijkt uit de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken dat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 tussen 15 september 2008 en 3 oktober 2008 computers aan derden verkochten. Medeverdachte 1 heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij deze afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken heeft gevoerd en de daarin beschreven handelingen heeft gepleegd.

medeverdachte 1 heeft verder als getuige ter terechtzitting verklaard dat de 36 dozen met computers en toebehoren - welke dozen op 26 november 2008 in de berging van zijn woning in Nootdorp zijn aangetroffen - onderdeel uitmaakten van de bestellingen die op naam van Hannah Klinieken B.V. bij Dell B.V. zijn gedaan.

Uit de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken blijkt daarnaast dat verdachte op 8 oktober 2008 door de heer benadeelde 2 van Capital Solutions wordt gebeld over de financiering en verzekering van de geleverde Dell apparatuur. verdachte zegt dat hij daarover terug zal bellen.

Uit de aangifte van benadeelde 3 namens Dell B.V. en de overige benadeelden blijkt dat Hannah Klinieken B.V. nooit een termijn heeft betaald aan de financierders.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niemand heeft bewogen tot de afgifte van computers of het aangaan van een schuld in de vorm van een leaseovereenkomst. Verdachte was – anders dan zijn medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 – geen feitelijk leidinggever of feitelijk opdrachtgever van de verboden gedragingen. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte door zijn handelen het oogmerk heeft gehad zichzelf of anderen wederrechtelijk te bevoordelen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat Hannah Klinieken B.V. door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels Dell B.V. heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten een groot aantal computers met toebehoren ter waarde van € 104.298,81. Daarnaast heeft Hannah Klinieken B.V. de bedrijven GE Capital Lease en IBM Nederland Financieringen door middel van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot het aangaan van een schuld in de vorm van leaseovereenkomsten.

Het door Hannah Klinieken B.V. aannemen van een valse hoedanigheid en samenweefsel van verdichtsels heeft er feitelijk uit bestaan dat verdachte en zijn medeverdachten zich hebben voorgedaan als vertegenwoordigers van de betalende klant Hannah Klinieken B.V. ten tijde van het ondertekenen van de offerten en leaseovereenkomsten bij voornoemde bedrijven. Zij hebben dit onder meer gedaan door machtigingen tot automatische incasso af te geven op naam van Hannah Klinieken B.V. die – naar zij wisten – in zeer slechte financiële omstandigheden verkeerde en niet in staat was aan de afgesproken betalingsverplichtingen te voldoen.

Uit niets is gebleken dat Hannah Klinieken B.V., verdachte en zijn medeverdachten de intentie hebben gehad namens Hannah Klinieken B.V. voor de geleverde computers te betalen. Uit de bewijsmiddelen volgt zelfs dat de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 direct na de levering van de Dell-computers aan Hannah Klinieken B.V. over zijn gegaan tot het verkopen van deze computers aan derden. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat het oogmerk bestond om Dell B.V., GE Capital B.V. en IBM Nederland Financieringen B.V. op te lichten.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen en voornoemde overwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten telkens feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachten geen maatregelen ter voorkoming van de oplichting hebben getroffen, terwijl zij daartoe wel bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren. Het waren verdachte en zijn medeverdachten die de feitelijke oplichtingshandelingen namens de rechtspersoon Hannah Klinieken B.V. hebben gepleegd. Zij hebben dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de oplichting zich voor zou doen, waardoor ze die gedraging opzettelijk hebben bevorderd.

Verdere bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode van 31 december 2007 tot en met 15 juli 2009 een balans per 31 december 2007 voor CosMedischCentrum B.V. en een financiële prognose voor de jaren 2008 en 2009 voor CosMedischCentrum Amersfoort B.V. heeft opgemaakt. Hij heeft deze stukken ter beschikking gesteld aan medeverdachte 2.

In de financiële prognose voor de jaren 2008 en 2009, gedateerd 14 juli 2008, wordt vermeld dat CosMedischCentrum Amersfoort B.V. op 21 maart 2002 is opgericht.

Blijkens informatie van de Kamers van Koophandel zijn CosMedischCentrum Amersfoort B.V. en CosMedischCentrum B.V. geen bestaande rechtspersonen noch rechtspersonen die in het verleden hebben bestaan.

Wel volgt uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel dat CMC Cosmedisch Centrum Amersfoort een handelsnaam is van Oosten Multi Media B.V. Deze handelsnaam staat echter pas met ingang van 1 februari 2008 en tot en met 24 juni 2008 in het handelsregister geregistreerd.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte de ‘print voor eigen administratie’ betreffende de aangifte inkomstenbelasting 2007 van medeverdachte 2 heeft opgesteld. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat de balans en de financiële prognose die door hem zijn opgesteld bestemd waren ter onderbouwing van een aanvraag tot het openen van (een) bankrekening(en) met kredietfaciliteit. Verdachte moet dan ook partieel worden vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank met betrekking tot de balans en de financiële prognose van oordeel dat verdachte deze stukken valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk deze als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. De rechtbank baseert dit oordeel op het door de verdachte opmaken van die stukken op naam van rechtspersonen die nooit bestaan hebben, alsmede het door de verdachte aan medeverdachte 2 ter beschikking stellen van deze stukken.

Nu de rechtbank de aan verdachte onder 3 eerste alternatief ten laste gelegde valsheid in geschrift bewezen acht, komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over de onder 3 als tweede alternatief ten laste gelegde oplichting.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

Bewezenverklaring

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

  • Feit 1: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken, en niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.
  • Feit 2: oplichting, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
  • Feit 3: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, aan de verdachte opleggen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude, oplichting en valsheid in geschrift.

Kort voor het faillissement is op naam van Hannah Klinieken B.V. een grote hoeveelheid Dell-computers besteld en afgeleverd. Verdachte was op dat moment alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van Hannah Klinieken B.V. en heeft zich één van deze computers toegeëigend zonder daar voor te betalen of hiervan melding aan de curator te maken. Door aldus te handelen heeft verdachte als bestuurder van de failliete rechtspersoon de schuldeisers in het faillissement benadeeld. Deze computer had de curator immers kunnen verkopen en de opbrengst (na aftrek van de kosten) onder de gezamenlijke schuldeisers kunnen verdelen.

Door bovendien na te laten een deugdelijke administratie te voeren en deze administratie aan de curator te overhandigen, zijn de rechten van de schuldeisers eveneens benadeeld. De verdachte heeft het de curator door zijn handelen immers lastig gemaakt het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen en de schuldeisers (voor zover mogelijk) schadeloos te stellen. De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij zich als boekhouder van Hannah Klinieken B.V. schuldig heeft gemaakt aan dit strafbare handelen.

Verdachte heeft daarnaast feitelijk leiding gegeven aan het oplichten van de bedrijven Dell B.V., GE Capital Lease, IBM Nederland Financieringen door Hannah Klinieken B.V. Voornoemde bedrijven zijn door deze oplichting bewogen tot de afgifte van een groot aantal computers met toebehoren ter waarde van € 104.298,81 en bijbehorende leaseovereenkomsten. Er is nooit voor deze computers met toebehoren betaald.

Tot slot heeft verdachte een valse balans en een valse financiële prognose opgesteld teneinde deze valse stukken door anderen te laten gebruiken. Hiermee is het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer bestaat in de juistheid van dit soort geschriften beschaamd. Verdachte heeft deze stukken onder de naam van zijn bedrijf ‘CLW Accountancy’ opgesteld en de rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich in die hoedanigheid schuldig heeft gemaakt aan dit strafbare handelen.

Daar komt nog bij dat de verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Hij schuift de schuld in de schoenen van andere natuurlijke personen alsmede rechtspersonen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof veroordeelt verdachte na verwijzing van de HR voor bedrieglijke bankbreuk. Verdachte heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van administratie.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:351

Hof veroordeelt verdachte na verwijzing van de Hoge Raad voor bedrieglijke bankbreuk. Verdachte heeft als bestuurder/penningmeester van de Stichting niet voldaan aan de op hem op grond van de artikelen 2:10 en 3:15a (oud; thans artikel 3:15i) BW rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van de administratie. Hij wist in de tenlastegelegde periode, waarin hij bestuurder/penningmeester was van de Stichting, dat door de Stichting niet op zodanige wijze een administratie werd gevoerd dat hieruit te allen tijde zonder veel moeite een betrouwbaar inzicht in de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de Stichting kon worden verkregen. Verdachte wist dat er een faillissement voor de stichting dreigde. Dat dreigende faillissement is uiteindelijk ook gevolgd. Het is een feit van algemene bekendheid dat nalatigheden in het voeren van een deugdelijke administratie zoals hier aan de orde om redenen als vermeld in het arrest leiden tot tenminste een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers in het faillissement. Verdachte had minst genomen in voorwaardelijke zin zijn opzet gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten (benadeling) van de schuldeisers.

Procesverloop

Het gerechtshof Arnhem heeft in hoger beroep bij arrest van 13 juli 2007 (parketnummer 21-002310-05) - met vernietiging van bovengenoemd vonnis - de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 16 februari 2010 (nr. S 08/02171) voormeld arrest vernietigd enkel ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar het hof Arnhem, teneinde de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Het gerechtshof Arnhem heeft daarna bij arrest van 17 augustus 2011 (parketnummer 21-001284-10) - met vernietiging van bovengenoemd vonnis voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld en (ter zake van beide feiten) een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 januari 2014 (nr. S 11/05755) voormeld arrest vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof, teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Aan het oordeel van dit hof zijn thans nog onderworpen de beslissingen ter zake het onder 1 ten laste gelegde feit en de strafoplegging. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op die gedeelten van het beroepen vonnis.

Standpunt AG en verdediging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit, subsidiair verzocht om, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, geen voorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen.

Oordeel hof

Door de verdediging is aangevoerd dat de administratie wel toereikend was en dat, indien het hof van mening mocht zijn dat verdachte niet aan de boekhoudverplichting heeft voldaan, verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon hierdoor zouden worden verkort.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is ten minste vereist dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen ten opzichte van het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van artikel 2:10 en/of 3:15a (oud) BW. Voorts moet dit nalaten zijn verricht “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon”. Dit wil zeggen dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten der schuldeisers (oftewel op de benadeling van de schuldeisers), waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van dit voorwaardelijk opzet is allereerst vereist dat de gedragingen van verdachte tenminste de aanmerkelijke kans op die benadeling hebben doen ontstaan. Daarnaast moet de verdachte die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat naam Stichting bij vonnis van de rechtbank Zwolle op 4 oktober 2000 failliet is verklaard waarbij mr. J.A. Werner tot curator is benoemd. Voorts blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode formeel bestuurder was van naam Stichting voor naamswijzigingen vanaf 12 mei 2000 van naam Stichting na naamswijziging (verder aangeduid als de Stichting) en dat hij uit hoofde van zijn functie als penningmeester samen met de andere bestuursleden de verantwoordelijkheid droeg voor het financieel beheer en de financiële administratie van de Stichting.

Ondeugdelijke boekhouding

Het bestuur van de Stichting was in de bewezenverklaarde periode ingevolge artikel 2:10 BW en artikel 3:15a (oud; thans artikel 3:15i) BW verplicht in de periode vóór faillissement van de vermogenstoestand en van alles betreffende de werkzaamheden, naar de eisen die uit deze werkzaamheden voorvloeien, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de Stichting konden worden gekend.

De Stichting regelde de financiële zaken voor personen met grote financiële problemen, wat de importantie van deze verplichting benadrukt, te meer nu de Stichting voor de gelden van de cliënten waarvoor zij het bewind voerde geen derdenrekening aanhield. Verdachte had als bestuurder/penningmeester derhalve de taak ervoor zorg te dragen dat een zodanige administratie werd gevoerd en dat deze op zodanige wijze werd bewaard dat hieruit te allen tijde zonder veel moeite een betrouwbaar inzicht in de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de Stichting kon worden verkregen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem op 29 juni 2007 verklaard dat hij, toen het faillissement van de Stichting werd uitgesproken, geen administratie meer had van de Stichting, dat hij via betrokkene 1 en betrokkene 2 vóór het faillissement de administratie van de Stichting had ontvangen (acceptgiro’s en dozen met ordners) en dat hij die linea recta naar betrokkene 3 heeft gebracht. Dit wordt bevestigd door betrokkene 1, die vanaf mei 1999 de administratie van de Stichting deed. Zij heeft tegenover de FIOD verklaard dat zij op 7 september 2000 van verdachte de opdracht kreeg om de administratie van de Stichting veilig te stellen, dat zij vervolgens een deel naar verdachte heeft gebracht en het andere deel naar de familie betrokkene 2, waar verdachte dat andere deel weer heeft opgehaald. betrokkene 1 heeft verder verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij de boekhouding heeft overgedragen aan betrokkene 3. betrokkene 3 verklaarde tegenover de FIOD dat verdachte in het bezit was gekomen van de administratie van de Stichting en dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat die administratie bij hem, betrokkene 3, kwam. Met administratie bedoelt hij de maandoverzichten van de klanten die onder zijn beheer stonden, want een financiële administratie was er niet. betrokkene 3 heeft verklaard dat hij alles aan de curator heeft gegeven. De doos met bankafschriften van de Stichting die tijdens de doorzoeking op 5 juni 2003 in zijn woning werd aangetroffen, was volgens betrokkene 3 abusievelijk achtergebleven in zijn woning.

Op 30 augustus 2001 heeft de curator, mr. Werner, aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk. In deze aangifte geeft mr. Werner aan dat, voor zover hij heeft kunnen constateren, er binnen de Stichting geen andere administratie aanwezig was dan de klad kasadministratie/handmatig bijgehouden kasboek die/dat hij van de eerder uitgetreden bestuurder betrokkene 3 had ontvangen. Ondanks herhaalde vragen aan betrokkene 3 en verdachte heeft de curator niet meer ontvangen dan op 7 mei 2001 een aantal dozen met administratieve bescheiden, waarvan de curator aan de FIOD een kopie van de specificatie van de inhoud heeft overhandigd. Deze specificatie vermeldt afschriften van drie bankrekeningnummers informatie bankrekeningen); een aantal kasstukken en –overzichten uit 1997, 1998, januari-maart 1999 en 18 archiefdozen met cliëntendossiers.

Uit voormelde specificatie - die blijkens het voorafgaande, behoudens de tijdens de doorzoeking bij betrokkene 3 aangetroffen bescheiden, de gehele gevoerde administratie van de Stichting betrof - blijkt dat er geen balansen, staten van baten en lasten, grootboeken en dagboeken zijn aangetroffen. Ook bij de stukken die op 5 juni 2003 in de woning van betrokkene 3 zijn aangetroffen ontbraken dergelijke stukken.

In de door verdachte als voormalig penningmeester en betrokkene 3 als voormalig bewindvoerder ondertekende brief van 11 oktober 2000 aan de curator wordt ook geschreven dat er bij de naam Stichting voor naamswijzigingg een boekhouding was en dat de financiële klantenadministratie doorgaans maandelijks werd bijgewerkt.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte in de ten laste gelegde periode als bestuurder/penningmeester van de Stichting niet heeft voldaan aan de op hem op grond van de artikelen 2:10 en 3:15a (oud; thans artikel 3:15i) BW rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van de administratie.

II. Wetenschap verdachte over ondeugdelijke boekhouding

Verdachte heeft in zijn verklaring tegenover de verbalisanten op 3 april 2003 aangegeven dat toen hij bestuurder/penningmeester werd mevrouw betrokkene 1 de administratie deed, dat hij zich niet met de dagelijkse gang van zaken bemoeide en dus weinig over de boekhouding kan vertellen, dat er onder zijn verantwoording als penningmeester door de Stichting over de jaren 1999 en 2000 nooit een jaarrekening is opgemaakt en dat hij niet wist waaruit de administratie buiten het kladkasboek bestond en of er ooit een kascontrole werd gehouden.

Ter terechtzitting van het hof Arnhem d.d. 29 juni 2007 verklaarde hij dat de ECD langs was geweest voor een controle en dat toen werd aangegeven dat het anders moest. Gelet op de opmerking van verdachte op diezelfde terechtzitting dat ze naar aanleiding van de opmerkingen van de ECD de administratie na 1 januari 2000 wilden veranderen, moet dit vóór 1 januari 2000 zijn geweest. Verder verklaarde verdachte tijdens die terechtzitting dat er vroeger grootboekrekeningen waren per cliënt en dat deze niet meer werden bijgehouden toen hij kwam.

betrokkene 3 heeft in zijn verklaring tegenover de verbalisanten op 27 augustus 2003 verklaard dat verdachte al in mei 1999 een aantekening in het kasboek heeft gemaakt die luidde: "Het kasboekje is een rotzootje. Hiervoor neem ik geen verantwoording". Voorts verklaarde betrokkene 3 dat er geen financiële administratie (boekhouding) was en dat de boekhouding uit niet meer bestond dan een slecht bijgehouden kasboek.

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode, waarin hij bestuurder/penningmeester was van de Stichting, wist dat door de Stichting niet op zodanige wijze een administratie werd gevoerd dat hieruit te allen tijde zonder veel moeite een betrouwbaar inzicht in de vermogenstoestand en de rechten en verplichtingen van de Stichting kon worden verkregen.

III. Wetenschap verdachte van mogelijk faillissement

betrokkene 3 heeft op 9 oktober 2000 tegenover de verbalisanten verklaard dat door de Stichting een nieuw pand werd gehuurd waardoor voor 15.000 gulden aan garantiesom en huurbijdrage kwam open te staan en dat voor 25.000 gulden goederen werden besteld bij Ikea waarvoor geen dekking was. Omdat betrokkene 3 voorzag dat de stichting daardoor grote financiële problemen zou krijgen, is hij toen opgestapt. Hij heeft verdachte verzocht om aan te blijven als penningmeester, wat verdachte heeft gedaan. Uit stukken van de Kamer van Koophandel blijkt dat betrokkene 3 op 31 maart 1999 uit de functie van bestuurder/vice-voorzitter is getreden.

In de brief van verdachte en betrokkene 3 aan de Gerechten Lelystad d.d. 16 januari 2001, gevoegd als bijlage bij het verhoor door de rechter-commissaris van betrokkene 4, wordt gemeld dat mevrouw betrokkene 5 “een dreigend en onafwendbaar faillissement wilde; hof omzeilen door een naamswijziging door te voeren, genaamd naam Stichting na naamswijziging om de aanspraken van de verhuurder en van Ikea te omzeilen, hetgeen niet is gelukt”. Uit het formulier wijziging vennootschaps- of rechtspersoongegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat verdachte op 17 mei 2000 dit formulier heeft ingevuld, waarin hij heeft verzocht om de naam van de naam Stichting voor naamswijziging per 12 mei 2000 te wijzigen in naam Stichting na naamswijziging. 

Verdachte heeft ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem d.d. 29 juni 2007 verklaard dat hij wist dat het faillissement in de lucht hing en dat “het kon vriezen en (…) kon dooien”, en dat ze hebben geprobeerd het tegen te houden door het laminaat te betalen. Volgens verdachte werd in september 2000 met een faillissement gedreigd.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte in ieder geval op 17 mei 2000 wist dat er een faillissement voor de stichting dreigde en dat deze dreiging is blijven bestaan. Dat dreigende faillissement is uiteindelijk ook gevolgd. Volgens mededeling van de curator waren er activa van de boedel voor een totaalbedrag van fl. 1.200,00. De schuldenlast bedroeg FL. 74.431,28.

IV. Opzet verdachte op verkorting rechten schuldeisers

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, kan worden geconcludeerd dat er tijdens het bestuurderschap van verdachte in de bewezenverklaarde periode sprake was van een ondeugdelijke boekhouding bij de Stichting en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Verder is komen vast te staan dat De Stichting in ieder geval omstreeks mei 2000 op een faillissement afstevende en dat verdachte daarvan op de hoogte was en daarmee ook rekening hield. Desondanks heeft hij, als bestuurder van de stichting, toen nagelaten om maatregelen te nemen om de boekhouding op orde te krijgen.

Gelet op het feit dat, naar het oordeel van het hof, de Stichting vanaf omstreeks mei 2000 op een faillissement afstevende, bestond vanaf die tijd ten minste de aanmerkelijke kans dat schuldeisers in het faillissement zouden worden benadeeld door voormeld nalaten een deugdelijke administratie te voeren. De curator in het faillissement zou immers op basis van deze administratie niet in staat zijn om binnen redelijke termijn overzicht te krijgen van de rechten en de plichten van de failliete Stichting. Ook zou de curator bij gebreke van een deugdelijke administratie geen, althans slecht zicht hebben op eventuele onttrekkingen aan de boedel of andere onregelmatigheden voorafgaand aan het faillissement van de Stichting en aldus aanmerkelijk zijn beperkt in zijn mogelijkheden om door middel van een Actio Pauliana, acties uit onrechtmatige daad of ingevolge de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid ingeval van Faillissement de daaruit ontstane schade voor de schuldeisers te beperken.

Zoals gezegd, is komen vast te staan dat verdachte omstreeks mei 2000 rekening hield met een faillissement van De Stichting en op de hoogte was van de zeer ondeugdelijke administratie. Het is een feit van algemene bekendheid dat nalatigheden in het voeren van een deugdelijke administratie zoals hier aan de orde om voormelde redenen leiden tot tenminste een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers in het faillissement. Ook verdachte moet hiervan, temeer gelet op zijn beroep van kandidaat-notaris, op de hoogte zijn geweest. Door toen desondanks geen maatregelen te nemen als hiervoor bedoeld, heeft verdachte die aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard.

Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin zijn opzet gericht had op de bedrieglijke verkorting van de rechten (benadeling) van de schuldeisers en verwerpt daarom de verweren van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op: het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15a, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 343, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht zoals het luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het thans onder 1 en bij arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 13 juli 2007 onder 2 bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 uur.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het als bestuurder van een Stichting plegen van bedrieglijke bankbreuk en aan valsheid in geschrift (zoals bewezen verklaard door het gerechtshof Arnhem bij arrest van 13 juli 2007, parketnummer 21-002310-05). Bij het laatstgenoemde feit gaat het om een geschrift waarin valselijk wordt vermeld dat verdachte een volmacht geeft in zijn hoedanigheid van penningmeester van naam Stichting na naamswijziging. In dit geschrift meldt verdachte zijn toenmalige beroep/ambt van kandidaat-notaris en het geschift is voorzien van een stempel van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Verdachte misbruikte dus het imago van betrouwbaarheid van het notariaat.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Help curator om faillissementsfraude echt te zien'

Het kabinet maakt haast met het aanscherpen van de faillissementswet. In het laatste ingediende wetsvoorstel, het Voorontwerp ‘versterking positie curator voor de bestrijding van faillissementsfraude’, wordt curatoren een wettelijke (fraude)signalerende taak opgelegd. Hieraan zullen velen echter niet kunnen voldoen.

Lees verder:

Meer weten over het wetsvoorstel versterking positie curator? Kom dan op donderdag 26 maart 2015 naar de Cursus Faillissementsfraude. Tijdens deze cursus zal aandacht worden besteed aan de strafrechtelijke, civielrechtelijke én fiscaalrechtelijke aspecten van faillissementsfraude.
Klik hier voor meer informatie. 
Print Friendly and PDF ^

Uitspraak in onderzoek naar o.a. faillissementsfraude en witwassen

De rechtbank heeft gisteren uitspraak gedaan in de zaken tegen 11 verdachten in het ZION-onderzoek. Een onderzoek naar faillissementsfraude, witwassen, criminele organisatie en valsheid in geschrift gepleegd in de periode van 2011 tot 2013.

Lege handen

De hoofdverdachte, een 50-jarige man uit Venray, is veroordeeld voor het in een georganiseerd crimineel verband plegen van faillissementsfraude, witwassen en valsheid in geschrift. B.V.’s werden in het zicht van een faillissement overgenomen en leeggetrokken, zodat de schuldeisers met lege handen achterbleven. De rechtbank heeft de hoofdverdachte een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd, waarbij naast de ernst van de feiten en zijn strafblad, ook rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij schoon schip heeft gemaakt. Omdat verdachte de feiten heeft gepleegd in de uitoefening van het beroep van statutair directeur, mag hij gedurende 5 jaar niet het beroep van statutair bestuurder van rechtspersonen uitoefenen. Als bijkomende straf heeft de rechtbank ook de openbaarmaking van het vonnis gelast. De ontnemingszaak wordt later behandeld.

Overige verdachten

Een andere verdachte, een 34-jarige man uit Duitsland, die zeer nauw met de hoofdverdachte heeft samengewerkt, is veroordeeld voor gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf van 16 maanden. Daarbij is ook rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder veroordeeld is. Hij moet een bedrag van ruim € 7.700,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen.

Zeven andere verdachten zijn veroordeeld tot straffen variërend van een deels voorwaardelijke geldboete tot werkstraffen al dan niet gecombineerd met voorwaardelijke gevangenisstraffen. Twee andere verdachten zijn vrijgesproken.

Print Friendly and PDF ^

Doorzoekingen en aanhouding in onderzoek naar faillissementsfraude

De FIOD heeft woensdag doorzoekingen gedaan in vier woningen en vier bedrijfspanden in Veendam, Emmen, gemeente Menterwolde en Oude Pekela in een onderzoek naar faillissementsfraude en belastingfraude.

De verdenking is dat er goederen en geld zijn onttrokken aan de failliete boedel van een bedrijf. Het nadeel wordt geschat op circa een miljoen euro en auto’s. De vermoedelijke katvanger is aangehouden voor verhoor. Het gaat om een 38-jarige man uit de gemeente Menterwolde. Er is administratie in beslag genomen. Het onderzoek is gestart na aangifte door de curator.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft als feitelijk bestuurder van een vennootschap samen met zijn medeverdachte aanzienlijke geldbedragen onttrokken aan die vennootschap terwijl hij wist dat deze in zeer zwaar weer verkeerde

Rechtbank Den Haag 25 april 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6053 

Bedrijf 1 is bij vonnis van 12 mei 2009 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. betrokkene 1 tot curator. bedrijf 2 is bij vonnis van 19 juni 2009 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. betrokkene 1 tot curator. Mr. betrokkene 1 heeft op 27 april 2011 aangifte gedaan tegen onder meer medeverdachte 1 wegens bedrieglijke bankbreuk.

Verdachte wordt bij feit 1 ten laste gelegd dat hij als feitelijk bestuurder van bedrijf 1 en bedrijf 2 bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door aan bedrijf 1 een bedrag van €129.457,68 te onttrekken en aan bedrijf 2 een bedrag van €81.857. Subsidiair wordt dit feit ten laste gelegd als witwassen.

Bij feit 2 wordt aan verdachte ten laste gelegd dat hij als feitelijk bestuurder van bedrijf 1 en bedrijf 2 bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de op hem rustende verplichting tot het voeren dan wel tevoorschijn brengen van de administratie van deze vennootschappen. Subsidiair wordt dit feit ten laste gelegd als eenvoudige bankbreuk.

Bestuur van de vennootschappen

Blijkens de aangifte maakten bedrijf 1 en bedrijf 2 deel uit van een organisatie die zich bezig hield met het exploiteren van vastgoed. Binnen deze organisatie had medeverdachte 1 de dagelijkse leiding. Verdachte was daarbij volgens de aangifte op de achtergrond betrokken, omdat hij samen met medeverdachte 1 een onroerend goedportefeuille had en belangen in het Franse vastgoedproject.

Verdachte was van 3 augustus 2005 tot 7 februari 2008 bestuurder van bedrijf 1. Verdachte had in bedrijf 1 (een deel van) zijn onroerend goedportefeuille ingebracht.

Tevens was verdachte samen met medeverdachte 1 sinds 2005 (indirect) eigenaar van een landgoed in Frankrijk, vastgoedproject, waarvoor zij hypothecaire leningen hebben afgesloten. Verdachte en medeverdachte 1 stonden persoonlijk borg voor deze lening.

Medeverdachte 1 was in de ten laste gelegde periode (15 mei 2008 tot en met 2 mei 2009) (indirect) bestuurder van bedrijf 1 en bedrijf 2.

Medeverdachte 1 heeft – gevraagd naar functie van verdachte bij bedrijf 1 en bedrijf 2 – bij de rechter-commissaris verklaard:

“verdachte was mede-directeur en mede-aandeelhouder bij bedrijf 1 Ik hield mij dagelijks bezig met de financiën. verdachte deed alleen de aankopen van onroerend goed. In ieder geval verdachte en ik hadden bankpassen. Ik was eindverantwoordelijk voor de administratie. betrokkene 2 en betrokkene 3 waren als administrateurs bij het bedrijf betrokken.

verdachte had geen functie bij bedrijf 2 Voor de financiële administratie geldt hetzelfde als bij bedrijf 1 Grote uitgaven deed ik ook bij deze rechtspersoon in samenspraak met verdachte. Het waren immers onze gelden. Wij hebben daar nooit één cent van gezien. Feitelijk was ik eindverantwoordelijk.”

Medeverdachte 2, werkzaam voor bedrijf 2, heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte 1 de grote bazen waren.

betrokkene 4, werknemer van bedrijf 1, heeft verklaard dat verdachte compagnon van medeverdachte 1 was en dat verdachte ook na het faillissement van bedrijf 1 nog dagelijks op het kantoor aan adres 2 te Den Haag kwam. 

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in december 2007 verwachtte dat de markt voor onroerend goed zou instorten en dat hij daarom aan medeverdachte 1 te kennen heeft gegeven een deel van de onroerend goedportefeuille van bedrijf 1 te willen verkopen. Verdachte zou dan ook rustiger kunnen gaan leven. Omdat hij geen nieuwe onroerende goederen meer zou aankopen, hoefde hij ook niet meer vertegenwoordigingsbevoegd te zijn en heeft verdachte zich als bestuurder van bedrijf 1 bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel laten uitschrijven.

Financiële verwevenheid vennootschappen

Getuige betrokkene 2 heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat er tussen de vennootschappen waarvan hij de administratie deed, zoals bedrijf 1 en bedrijf 2 en ook tussen de andere vennootschappen onderling, met geld werd geschoven. betrokkene 2 had op enig moment wel twintig rekeningen van rekening-courant die hij moest bijhouden. Verder heeft betrokkene 2 in dat verhoor verklaard dat verdachte en medeverdachte 1 geen onderscheid maakten tussen de verschillende vennootschappen: “(…) het was allemaal hun bezit en zij maakten zich niet druk over via welke vennootschap het ging.

Verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd.

Van de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2 zijn betalingen gedaan ten behoeve van (de hypothecaire leningen voor) vastgoedproject.

Ontstaan financiële problemen

De curator stelt in zijn eerder genoemde aangifte dat gezien het feit dat er in 2008 ernstige financiële moeilijkheden zijn ontstaan en meerdere schuldeisers onbetaald bleven, in ieder geval de onttrekkingen die zijn gedaan na 1 oktober 2008 een wederrechtelijk karakter dragen. Blijkens de aangifte is in het najaar van 2008 geprobeerd om de financiële problemen op te lossen door een groot pakket onroerend goed van onder meer bedrijf 1 te verkopen, maar dat is afgeketst omdat de koper tekort schoot.

Getuige betrokkene 2 heeft verklaard dat hij in april 2008 door medeverdachte 1 is aangenomen om de interne boekhouding te gaan verzorgen. betrokkene 2 verklaarde verder dat er geschoven werd met geld van de ene BV naar de andere BV, omdat er liquiditeitsproblemen waren. Er stond te weinig geld op de bankrekeningen om de rekeningen te betalen. Vanaf juni 2008 kwam er steeds minder geld op de rekeningen binnen. Er werd weinig verkocht in 2008 en winsten werden er niet meer gemaakt.

Getuige betrokkene 5 heeft verklaard dat hij van 1 oktober 2005 tot 1 juli of 1 augustus 2008 werkzaam is geweest voor medeverdachte 1. In de periode van 1 november 2007 tot 8 mei 2008 was hij bestuurder van bedrijf 2 en (indirect) van bedrijf 3 Hij geeft verder aan dat hij in 2006 of 2007 het beheer van de rekeningen is gaan doen omdat betrokkene 6 dat op een gegeven moment niet meer aankon. De crediteuren gingen vaker bellen waar hun geld bleef. Hij gaf aan dat de achterstanden in betalingen van de crediteuren werden veroorzaakt doordat er op enig moment te weinig geld op de rekeningen binnen kwam van de vennootschappen. De verhuur leverde te weinig geld op, er was leegstand en er kwam te weinig geld binnen op de rekening. Er werd ook huur contant betaald die niet op de rekening gestort werd.

Van de bankrekening van bedrijf 1 is in 2008 een bedrag van in totaal €1.432.092,73 aan hypotheeklasten afgeschreven. Hiervan is een bedrag van in totaal €1.415.085,35 gestorneerd, omdat het saldo op de bankrekening onvoldoende was. Per saldo is in 2008 €17.007,40 betaald aan hypotheeklasten in de maanden november en december 2008, omdat de afgeschreven bedragen in die maanden niet volledig gestorneerd zijn door de banken. In 2009 zijn alle betalingen van bedrijf 1 gestorneerd.

De curator schrijft in zijn toelichting op de aangifte dat er bij bedrijf 1 vanaf 2007 zeer aanzienlijke belastingschulden zijn ontstaan.

Verdachte en (onder meer) zijn medeverdachte 1 zijn in de zomer van 2007 verschillende keren aangeschreven door de hypotheekbank in verband met het aanzuiveren van achterstallige hypotheekbetalingen. Bij brief van 8 mei 2008 schrijft de hypotheekbank onder meer dat de debetstand was opgelopen van €376.276,04 en op 14 november 2007 tot €622.160,53 op 7 mei 2008 en dat toezeggingen om de achterstand in te lopen niet gestand waren gedaan.

De ten laste gelegde onttrekkingen

In de administratie van bedrijf 1 is een grootboekrekening aangetroffen betreffende grootboekrekening 1. Daaruit blijkt dat in de periode van 15 mei 2008 tot 2 mei 2009 verdachte van de bankrekeningen van bedrijf 1 in totaal €121.0535,04 voor privé doeleinden heeft opgenomen, dan wel overgeboekt heeft gekregen of rekeningen betaald heeft gekregen.

Tevens is een “grootboekrekening 2” van 2008 van bedrijf 1 aangetroffen waarin €8.405 is geboekt als privé opname door verdachte. In de administratie van bedrijf 1 zijn geen bescheiden aangetroffen met betrekking tot deze opnames.

Uit de kasadministratie van bedrijf 2 is gebleken dat tussen 19 juni 2008 en 13 februari 2009 een bedrag van €81.857 aan privé opnames uit de kas op naam van verdachte zijn geboekt.

Getuige betrokkene 2 heeft in zijn eerste verhoor onder meer verklaard dat hij voor bedrijf 2 - die het onroerend goed voor medeverdachte 1, verdachte en de B.V.’s exploiteerde - de huurontvangsten per kas en per bank inboekte. Ook de uitgaven heeft hij geboekt. Alles werd geboekt aan de hand van bonnen, ook in rekening-courant werden de privé-opnames geboekt voor medeverdachte 1 of verdachte.

In zijn tweede verhoor heeft getuige betrokkene 2 naar aanleiding van een vraag naar de onttrekkingen van €81.857 verklaard dat hij grootboekrekening 1000 in de boekhouding heeft opgenomen. Verder heeft hij verklaard dat er een geldkistje met daarin op zijn hoogst €7.000,- was en dat de kas werd bijgehouden door betrokkene 5 en betrokkene 6. Bonnen met de kasstukken werden bijgehouden in een grote ordner. betrokkene 2 moest volgens zijn verklaring regelmatig vragen waarom er bedragen vanuit de kas door verdachte werden opgenomen of betaald waren. Dat stond op de bonnen vaak niet bijgeschreven. Als er geen zakelijke kosten gemaakt waren, dan boekte hij de uitgaven op de rekening ‘privé’ van die persoon.

Over de betalingen van de bankrekeningen van bedrijf 1 verklaart betrokkene 2 dat hij bankafschriften onder ogen kreeg en zag dat er bedragen waren opgenomen of betaald die hij niet kon plaatsen. Bij navraag bij betrokkene 5 of betrokkene 6 bleken dit privé opnames van verdachte te zijn dus boekte hij de bedragen dan op de rekening courant van verdachte. De kasopnames bij bedrijf 1 boekte hij op dezelfde wijze als bij bedrijf 2.

Administratie

Curator betrokkene 1 heeft in zijn aangifte gesteld dat de door hem van verdachte en bedrijf 1 ontvangen administratie een rommelige en onvolledige indruk maakt en geen volledig inzicht geeft in de rechten en verplichtingen. Ook de administratie van bedrijf 2 was naar zijn mening onoverzichtelijk en onvolledig, onder andere omdat er geen kasadministratie is aangetroffen.

Getuige betrokkene 2 heeft in zijn eerste verhoor verklaard dat hij na zijn indiensttreding is begonnen met de boekhouding over 2008 en dat hij niets heeft gezien over 2007. Er was geen financiële administratie. Ze werkten met betrokkene 3. Er waren stapeltjes facturen waarmee niets was gedaan. Er was geen financiële administratie.

Verder heeft betrokkene 2 verklaard dat hij vanaf begin 2009 is gestopt met de administratieve verwerking van het kasbeheer van bedrijf 2 omdat hij de opdracht kreeg om zich bezig te gaan houden met het beheer van de huren. betrokkene 2 heeft gezien dat betrokkene 7 een eenvoudig kasboekje bijhield.

In zijn tweede verhoor, waarnaar hiervoor al is verwezen, heeft betrokkene 2 verklaard dat de administratie of andere bescheiden naar zijn mening allemaal zijn ingeleverd bij de curator. Hij heeft zelf vier dikke ordners met facturen en dergelijke, kasbescheiden en huuroverzichten van bedrijf 2 BV ingepakt in dozen die naar de curator moesten. Hij heeft de dozen in de bestelauto gezet. betrokkene 7 zou de dozen afleveren bij de curator. Hij is hiervoor meerdere keren heen en weer gereden naar de curator.

Betrokkene 2 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het door de curator geschetste beeld dat de financiële administratie een rommelige indruk maakte, niet herkent. Volgens betrokkene 2 had hij deze in goede orde in de handen van betrokkene 7 achter gelaten. De niet-financiële administratie was volgens hem wel vaak heel onvolledig.

De door betrokkene 2 genoemde betrokkene 3 heeft verklaard dat hij de administratie van bedrijf 4 deed. Hij heeft tot en met 2007 ook de boekhouding voor de andere vennootschappen gedaan. In 2007 werd de werkdruk met betrekking tot de boekhouding van medeverdachte 1 en zijn vennootschappen te hoog omdat er inmiddels tien B.V.’s bij waren gekomen. Hij heeft toen aan medeverdachte 1 gevraagd om iemand aan te nemen die zijn werkzaamheden moest overnemen. In 2007 ontstond ook een achterstand in het betalen van de rekeningen voor de verrichte werkzaamheden door medeverdachte 1. Hij kon de werkzaamheden voor medeverdachte 1 niet meer combineren, er was een werkdruk en een betalingsachterstand. Hij heeft tot 2007 voor medeverdachte 1 geboekt. Hiervan werden geen jaarrekeningen opgemaakt omdat de rekeningen niet betaald werden door medeverdachte 1 op voorschot. Vanaf 2008 werd de boekhouding gevoerd door betrokkene 2. betrokkene 2 had niet de beschikking over de balansen van 2007, want die waren niet opgemaakt. Hij, betrokkene 3, is wel de loonadministratie blijven doen.

Bij onderzoek naar de bij de curator ingeleverde administratie en de bij betrokkene 3 in beslag genomen administratie van bedrijf 1 zijn geen facturen aangetroffen voor de in de tenlastelegging genoemde bedragen. Van bedrijf 2 zijn wel afschriften van bankrekeningen aangetroffen, maar geen administratie of facturen. Evenmin is aangetroffen de administratie van bedrijf 4 over 2008 en 2009 en de administratie van bedrijf 3 over 2008 en 2009.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen formeel en geen feitelijk bestuurder van de vennootschappen was in de ten laste gelegde periode. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet de opzet heeft gehad om schuldeisers te benadelen. Nu er geen verhullingshandelingen zijn gepleegd moet verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde witwassen worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank

Feitelijk Bestuurder

De belangrijkste activiteiten van bedrijf 1 en bedrijf 2 werden gevormd door de aan- en verkoop van onroerende zaken en de exploitatie daarvan. Verdachte had daarbij als degene die verantwoordelijk was voor de aan- en verkoop een cruciale rol. Verder had verdachte ook een groot belang in de vennootschappen, omdat hij daarin (een deel van) zijn onroerend goedportefeuille had onder gebracht. Deze werd door bedrijf 2 geëxploiteerd. Weliswaar blijkt uit de afgelegde verklaringen dat verdachte niet de dagelijkse leiding binnen de ondernemingen had en zich ook niet met de financiële administratie bemoeide, maar dat neemt niet weg dat uit de verklaring van medeverdachte 1 volgt dat verdachte wel zeggenschap over de belangrijke financiële beslissingen binnen de vennootschappen had, zoals ten aanzien van de verkoop een groot deel van de onroerend goedportefeuille van bedrijf 1

Uit het dossier volgt ook dat verdachte toegang had tot de financiële middelen van de vennootschappen. Hij had, net als medeverdachte 1, de beschikking over een bankpas van bedrijf 1 en nam daarmee grote bedragen op van de bankrekeningen van bedrijf 1 Bovendien nam hij grote bedragen op uit de kas van bedrijf 2 zonder dat hij die opnames door middel van bonnen of facturen kon verantwoorden. Dat verdachte daarvoor toestemming nodig had van medeverdachte 1 is niet aannemelijk geworden.

Daarbij komt nog dat getuige betrokkene 4 heeft verklaard dat verdachte ook na het faillissement van bedrijf 1 nog dagelijks op kantoor kwam.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de ten laste gelegde periode feitelijk leiding gaf aan bedrijf 1 en bedrijf 2

Feit 1: Bedrieglijke bankbreuk, onttrekkingen

Vast staat dat aan de ten laste gelegde onttrekkingen geen juridisch opeisbare verplichtingen van de vennootschappen jegens verdachte bestonden. Iedere onderbouwing daarvan, zoals bijvoorbeeld facturen of een managementovereenkomst, ontbreekt. Dat sprake was van “reguliere betalingen”, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden, maar zou op zichzelf ook aan het onverplichte karakter daarvan niet afdoen. Dat de onttrekkingen in rekening-courant werden geboekt doet aan het onverplichte karakter daarvan evenmin af.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat in ieder geval bedrijf 1 vanaf begin 2008 zodanig ernstige financiële problemen had, dat zij niet meer aan haar financiële verplichtingen jegens de banken kon voldoen. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de ondernemingen, die door verdachte als een geheel werden beschouwd en waar blijkens de afgelegde verklaringen onderling met geld werd geschoven, verkeerden alle tot de onderneming behorende vennootschappen vanaf dat moment in ernstige financiële problemen. Die onderlinge verwevenheid van de financiën wordt ook bevestigd door het feit dat deze vennootschappen alle vier binnen een periode van enkele maanden failliet zijn verklaard.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat er in ieder geval vanaf begin 2008 een aanmerkelijke kans bestond dat de vennootschappen failliet zouden worden verklaard.

Dat verdachte, die een groot financieel belang had in bedrijf 1 en met wie alle belangrijke financiële beslissingen werden besproken, daarvan niet op de hoogte was, is ongeloofwaardig. Verdachte moet door de brieven van de hypotheekbank vanaf mei 2008 in ieder geval op de hoogte zijn geweest van het feit dat voor vastgoedproject al geruime tijd geen aflossingen meer werden betaald en dat er dus op dat moment binnen die vennootschappen onvoldoende financiële middelen waren om schuldeisers te voldoen en dat derhalve een faillissement dreigde.

Gelet daarop moet verdachte zich er evenzeer van bewust zijn geweest dat de schuldeisers van bedrijf 1 en bedrijf 2 door de ten laste gelegde onttrekkingen in hun verhaal zouden worden benadeeld.

Feit 2: Bedrieglijke bankbreuk, administratie

Gelet op de door betrokkene 2 en betrokkene 3 afgelegde verklaringen staat vast dat in de financiële administratie van de vennootschappen nooit een aansluiting is gemaakt tussen 2007 en 2008 en staat evenzeer vast dat in ieder geval de overige administratie, die onder meer inzicht moet geven in de rechten en verplichtingen van de vennootschappen, niet op orde was. Dat betekent dat de vennootschappen niet hebben voldaan aan hun administratieve verplichtingen als bedoeld in de artikelen 2:10 BW.

Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen, de aangifte van de curator en de terzake opgemaakte processen-verbaal staat evenzeer vast dat de curator niet van alle betrokken vennootschappen de volledige beschikbare administratie heeft gekregen. Alleen ten aanzien van bedrijf 1 geldt dat aannemelijk is dat deze administratie aan de curator is verstrekt. Van de overige vennootschappen ontbreekt deze vrijwel geheel, in ieder geval wat betreft de jaren 2008 en 2009, terwijl uit de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 5 kan worden afgeleid dat in ieder geval wel financiële administratie, zoals een kasboekhouding van bedrijf 2, aanwezig moet zijn geweest. Dat deze administratie wel aan de curator is verstrekt, is niet aannemelijk geworden. Immers, de curator heeft gesteld deze niet te hebben ontvangen. De enkele verklaring van getuige betrokkene 2 dat hij ordners met facturen en dergelijke, kasbescheiden en huuroverzichten van bedrijf 2 BV heeft ingepakt in dozen die betrokkene 7 bij de curator zou afleveren legt onvoldoende gewicht in de schaal om de verklaring van de curator in twijfel te trekken.

Door geen goede administratie te voeren en de gevoerde administratie niet aan de curator te overhandigen, zijn de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld. Daardoor kan de vermogenspositie van de vennootschappen immers niet goed worden vastgesteld, hetgeen temeer klemt nu grote onttrekkingen aan de vennootschappen zijn gedaan, waarvan niet steeds duidelijk is waaraan of aan wie deze ten goede zijn gekomen. Nu verdachte binnen de vennootschappen niet met het voeren van de administratie belast is geweest kan echter niet worden aangenomen dat hij zich hiervan bewust is geweest. Derhalve zal de rechtbank hem vrijspreken van hetgeen hem als feit 2 primair ten laste is gelegd.

Hetgeen verdachte subsidiair ten laste wordt gelegd acht de rechtbank wel bewezen. Verdachte behoorde er als feitelijk leidinggevende van bedrijf 1 en bedrijf 2 voor zorg te dragen dat de aanwezige administratie correct aan de curator zou worden overgedragen. Dat dat niet is gebeurd is aan zijn schuld te wijten. Verdachte kwam immers ook na het faillissement nog dagelijks op het kantoor van de vennootschappen en had op de correcte overdracht toezicht kunnen houden.

Medeplegen

Gelet op de positie van medeverdachte 1 binnen de ondernemingen van bedrijf 1 en bedrijf 2, alsmede gelet op het feit dat verdachte de hiervoor bewezen geachte feiten gepleegd heeft als feitelijk bestuurder van de vennootschappen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze tezamen en met anderen heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd;

Feit 2 subsidiair: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, aan hem te wijten zijn, dat boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn bewaard, niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeeld verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

Verdachte heeft als feitelijk bestuurder van een vennootschap samen met zijn medeverdachte aanzienlijke geldbedragen onttrokken aan die vennootschap terwijl hij wist dat deze vennootschap in zeer zwaar weer verkeerde en dat door zijn handelen crediteuren werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in zijn hoedanigheid als bestuurder van failliete bedrijven niet voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige en overzichtelijke administratie aan de curator ter beschikking te stellen, waardoor de curator niet in staat is gesteld om eventuele vorderingen op derden ten behoeve van de schuldeisers van de vennootschappen in te vorderen. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de vermogensbelangen van die schuldeisers.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

‘Problemen met de aanpak van faillissementsfraude van tafel?’

Met het wetgevingsprogramma ‘Herijking van het faillissementsrecht’ moet de bestrijding van faillissementsfraude worden bestreden. Het kabinet is voornemens de rol van de curator te versterken, een civielrechtelijk bestuursverbod te introduceren en de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijk tegen faillissementsfraude op te treden te verbeteren. In deze bijdrage wordt met name ingegaan op de mogelijkheid om strafrechtelijk tegen faillissementsfraude op te treden. In het wetsvoorstel is een nadere strafrechtelijke bescherming tegen overtreding van de inlichtingen-, administratie-, bewaar- en afgifteplicht voorgesteld en wordt de mogelijkheid geïntroduceerd ook strafrechtelijk te kunnen optreden tegen laakbaar handelen dat een onderneming in ernstige financiële problemen brengt met een faillissement als mogelijk gevolg. De vraag is of het wetsvoorstel het beoogde doel om de aanpak van faillissementsfraude te versterken, ook dient. Volgens de auteur, Mr.drs. M. van der Linden (Stibbe), moet ook de deskundigheid, capaciteit en prioritering van de opsporingsinstanties in de goede richting mee bewegen.

Lees verder:

 

Meer weten over faillissementsfraude? Kom dan op donderdag 26 maart 2015 naar de Cursus Faillissementsfraude. Tijdens deze cursus zal aandacht worden besteed aan de strafrechtelijke, civielrechtelijke én fiscaalrechtelijke aspecten van faillissementsfraude.
Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Terugbetalingsverplichting vastgesteld op nihil omdat curator de vermogensbestanddelen in het faillissement heeft kunnen betrekken

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:112

De veroordeling

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 23 september 2014 onder parketnummer 20-003881-11 tot straf veroordeeld. Ten laste van veroordeelde is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 19 september 2006 tot en met de maand maart 2007 in Nederland en in Oostenrijk, terwijl hij verdachte, bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 19 september 2006 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten van hem, verdachte, niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken door:

  • zijn, verdachtes aandeel in het eigendomsrecht van een in Kaprun (Oostenrijk) gelegen onroerend goed en een of meer girale bedragen aan geld tot een totaal bedrag groot € 760.000,- of daaromtrent, in elk geval een of meer girale bedragen aan geld (D-260, p.1-17) en
  • een vordering van hem, verdachte, op zijn echtgenote groot € 235.000,- op grond van een door hem, verdachte met zijn echtgenote aangegane cessie-overeenkomst gedateerd 29 april 2005,

niet op te geven aan en ter beschikking te stellen van de curator en buiten het bereik en beheer van de curator te brengen en te houden.”

Kort gezegd heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door het verzwijgen van voormelde drie vermogenbestanddelen tegenover de curator.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen, het geschattewederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 1.135.000,- en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd:

  • primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering;
  • subsidiair tot ongegrondverklaring van de ontnemingsvordering;
  • meer subsidiair tot nihilstelling van de betalingsverplichting.

Ontvankelijkheid

De verdediging heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering omdat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude. Voorts worden de belangen van de schuldeisers van de gefailleerde veroordeelde bij een toewijzing van de vordering geschaad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Veroordeelde is op 19 september 2006 in staat van faillissement verklaard. Naar aanleiding van een aangifte van de curator in dat faillissement is een strafrechtelijk onderzoek jegens veroordeelde ingesteld. In 2012 is onderhavige ontnemingsprocedure jegens veroordeelde aanhangig gemaakt.

In de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude (hierna: Aanwijzing) is weliswaar opgenomen dat het indienen van een ontnemingsvordering tegen een gefailleerde verdachte niet geïndiceerd is omdat dit in het nadeel werkt van de boedel en de schuldeisers, maar dat laat onverlet de zelfstandige bevoegdheid van het openbaar ministerie om daartoe in voorliggende gevallen tóch over te gaan. Het enkele handelen in afwijking van de Aanwijzing kan dan ook, naar het oordeel van het hof, niet leiden tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot een schending van de belangen van de schuldeisers van een gefailleerde veroordeelde leidt niet tot een ander oordeel.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de ontnemingsvordering en het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat.

Het hof neemt, voor zover hierna niet anders wordt vermeld, voor de schatting tot uitgangspunt het proces-verbaal van ambtshandeling op 19 oktober 2007.

Het voordeel uit de drie voormelde vermogensbestanddelen wordt als volgt vastgesteld:

  • het aandeel van veroordeelde in het eigendomsrecht van een in Kaprun (Oostenrijk) gelegen onroerend goed;

Veroordeelde is met zijn echtgenote eigenaar van het onroerend goed in Oostenrijk. Uit een door beiden ondertekende koopovereenkomst blijkt dat zij dit onroerend goed op 8 september 2006 hebben gekocht voor een bedrag van € 900.000,-. Daarbij hebben zij tevens de verplichtingen uit een hypothecaire geldlening van € 620.000,- overgenomen.

De overwaarde op dit onroerend goed bedroeg dan ook (€ 900.000 -/- € 620.000,- = ) € 280.000,- waarvan de helft aan veroordeelde is toe te rekenen derhalve € 140.000,-.

De verdediging heeft betoogd dat de waarde van het onroerend goed na 19 september 2006 inmiddels tot € 750.000,- zou zijn gedaald en het voordeel daarmee evenzo. Het hof verwerpt dit verweer omdat het miskent dat een dergelijke waardedaling voor risico en rekening van de veroordeelde blijft.

  • girale geldbedragen;

Op de datum van het faillissement van veroordeelde op 19 september 2006 bedroeg het positieve saldo op bankrekeningnummer van de Raiffeisenbank Bruck te Oostenrijk: € 249.972,20. Nadien is gebleken van de navolgende bijschrijvingen op deze bankrekening:

Transactiedatum Bedrag bij

  • 18 oktober 2006 € 500.000,-
  • 25 oktober 2006 € 18.000,-
  • 9 maart 2007 € 2.000,-

Totaal € 520.000,-.

In totaal betreft het derhalve een bedrag van ( € 249.972,20 + € 520.000,- = ) € 769.972,20. Dit bedrag wordt door het hof, evenals in voormeld proces-verbaal, afgerond op € 760.000,-.

Het hof zal de helft van voormeld voordeel (€ 760.000,- / 2 = ) € 380.000,- aan veroordeelde toerekenen.

  • een vordering van veroordeelde op zijn echtgenote groot € 235.000,- op grond van een door hem met zijn echtgenote aangegane cessie-overeenkomst d.d. 29 april 2005.

Uit een “akte schuldigerkenning tevens akte van cessie, alsmede verplichting tot medewerking aan zekerheidstelling” d.d. 29 april 2005 volgt dat veroordeelde zijn aandeel in een vordering op naam bedrijf voor een bedrag van € 235.000,- verkoopt aan zijn echtgenote. Zij zal dit bedrag aan veroordeelde verschuldigd zijn vanaf het moment dat hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, door betaling in tien jaarlijkse termijnen.

De verdediging heeft betoogd dat, nu veroordeelde de vordering pas kan opeisen vanaf het moment dat hij 65 jaar wordt, dit hem geen voordeel kan hebben opgeleverd.

Het hof verwerpt dit verweer. Een vordering van veroordeelde op zijn echtgenote, zoals opgenomen in voormelde akte, behoort tot het vermogen van veroordeelde en heeft enige waarde, ook indien deze vordering niet direct opeisbaar is.

De waarde van die vordering is evenwel niet per definitie gelijk aan het aandeel van veroordeelde in de vordering op naam bedrijf, zoals de advocaat-generaal stelt. Bij het ontbreken van nadere (financiële) gegevens is het hof evenwel niet in staat die waarde vast te stellen.

Het verweer van de raadsman slaagt in zoverre.

Samenvattend

Uit het vorenstaande volgt na te melden geschat wederrechtelijk verkregen voordeel:

  1. aandeel in eigendomsrecht onroerend goed: € 140.000,-
  2. girale geldbedragen: € 380.000,-

Het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel stelt het hof derhalve vast op € 520.000,-.

De verdediging heeft nog betoogd dat de ontnemingsvordering ongegrond dient te worden verklaard omdat door het verzwijgen van vermogensbestanddelen veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Immers de curator is alsnog achter het bestaan van die vermogensbestanddelen gekomen en heeft deze op enig moment in het faillissement betrokken.

Het hof verwerpt dit verweer omdat het miskent dat het gaat om de vaststelling van het voordeel verkregen op het moment van voltooiing van het misdrijf (in casu de bedrieglijke bankbreuk). De omstandigheid dat de curator hierna alsnog achter het bestaan van de vermogensbestanddelen is gekomen en deze in het faillissement heeft betrokken is derhalve voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregenvoordeel niet relevant.

Op te leggen betalingsverplichting

Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de curator alsnog achter het bestaan van de door de gefailleerde veroordeelde verzwegen vermogensbestanddelen is gekomen en deze in het faillissement heeft betrokken niet relevant is voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dat neemt echter niet weg dat de omstandigheid dat de curator deze vermogensbestanddelen alsnog in het faillissement heeft betrokken een rol kan spelen bij de bepaling van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting.

Uit de brief van de curator d.d. 17 oktober 2007 volgt dat hij op de hoogte is van het bestaan van voormelde door de veroordeelde verzwegen vermogensbestanddelen. Het hof gaat er van uit dat de curator op enigerlei wijze deze vermogensbestanddelen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers te gelde zal maken en stelt vast dat hij daartoe reeds (juridische) acties heeft ondernomen.

Het hof heeft geen zicht op hoe en op welke termijn het faillissement zal worden afgewikkeld. Vaststaat wel dat het faillissement te zijner tijd wegens gebrek aan baten zal worden opgeheven. Het hof acht het in dat geval niet in het belang van de schuldeisers dat de Staat zich na die opheffing als concurrente schuldeiser zal gaan mengen onder degenen die nog geld tegoed hebben van veroordeelde. Daarbij komt dat het bedrag dat de Staat van veroordeelde vordert feitelijk reeds door de curator van de gefailleerde veroordeelde aan laatstgenoemde wordt “ontnomen” en bestaat uit vermogensbestanddelen die tot de faillissementsboedel behoren.

Gelet daarop zal het hof de betalingsverplichting op nihil vaststellen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Garantstellingsregeling curatoren steeds meer gebruikt

Steeds meer curatoren gebruiken de Garantstellingsregeling curatoren. Deze regeling die door de Dienst Justis wordt uitgevoerd werd in 2014 289 keer aangevraagd. In het afgelopen jaar werd door curatoren 7,6 miljoen euro door curatoren in de boedel teruggehaald. Het ministerie van VenJ was in totaal 1,2 miljoen euro aan kosten kwijt.

Aanpakken faillissementsfraude

De garantstellingsregeling curatoren past bij de maatregelen die de overheid neemt om faillissementsfraude aan te pakken. Als een bedrijf failliet gaat, stelt de rechter een curator aan. Die onderzoekt de reden van het faillissement en of dit komt door onbehoorlijk bestuur. Een bestuurder die onverantwoordelijke risico’s nam, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. Soms blijft er na het faillissement niet genoeg geld over voor dit onderzoek. De curator kan dan gebruik maken van de garantstellingsregeling curatoren.

Onbehoorlijk bestuur schuldenaar

De regeling vergoedt kosten die gemaakt worden voor bepaalde juridische acties, bijvoorbeeld wanneer de curator een vooronderzoek wil doen of een rechtsvordering wil instellen in verband met mogelijk onbehoorlijk bestuur door de schuldenaar. De regeling kan ook worden ingeroepen voor het terughalen van geld dat voorafgaand of na het faillissement door de onderneming is betaald, waardoor andere schuldeisers zijn benadeeld (zgn. faillissementspauliana).

Garantstelling salaris curator

Justis bepaalt of er genoeg redenen zijn om een garantstelling te verstrekken. Als dat zo is, staat het ministerie van Veiligheid en Justitie garant voor het salaris en een onkostenvergoeding van de curator.

Bron: Justis

Print Friendly and PDF ^

'Civiel recht als ultimum remedium? Over de verstoorde verhouding van de bankbreuk tot de pauliana'

Door de opmars van het strafrecht binnen het insolventierecht dreigt een vergaande gelijkschakeling tussen de faillissementspauliana en de bankbreukbepalingen. Ten onrechte dreigen daarbij schuldeisersbenadelende handelingen die met fraude niets te maken hebben, toch binnen het bereik van het strafrecht te komen.

Print Friendly and PDF ^