Big companies as 'victims'?

Should big companies  ('legal persons') be protected under a treaty that protects fundamental human rights? In his recent and very interesting blog post Transforming the right to property, Laurens Lavrysen shares his unease with the right to property (of companies) as protected by the European Convention on Human Rights: "Basically, that is because I don’t really like the idea of a human right to property for a number of reasons." According to Lavrysen, a right to property takes the present distribution of wealth across society for granted, and does not question the mechanisms that distribute wealth among individuals. Those who have the most property obviously have a larger claim to property protection, disproportionately empowering the most advantaged vis-à-vis the least advantaged.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Onmogelijkheid tot het ondervragen van een getuige: geen schending eerlijk proces

EHRM 17 september 2013, app. no. 23789/09, Brzuszczyński v. Poland

In deze zaak diende het Hof te oordelen of de onmogelijkheid om een ​​getuige te horen, inbreuk gemaakt op de rechten van de verdachte, Brzuszczyński. Brzuszczyński is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens het plegen van een een aantal misdrijven, waaronder het medeplegen van moord. Hij klaagt in Straatsburg over schending van zijn recht op een eerlijk proces, nu zijn veroordeling is gebaseerd op verklaringen van een medeverdachte die zelfmoord heeft gepleegd nog voordat het proces was begonnen. Als gevolg was het voor Brzuszczyński niet onmogelijk zijn medeverdachte aan de tand te voelen over eerder afgelegde verklaringen.

Het Hof overweegt dat geen sprake is van schending van artikel 6, § 3 (d) EHRM. Ondanks de moeilijkheden veroorzaakt voor de verdediging door de toelating van de verklaringen en de hiermee samenhangende risico's, zijn er in de optiek van het Hof voldoende factoren om te concluderen dat de toelating van de verklaringen als bewijs, die beslissend zijn geweest, niet heeft geleid tot  schending van artikel 6, § 1, gelezen in samenhang met artikel 6, § 3 (d) van het Verdrag:

“84.  (...) where a statement of the absent witness is the sole or decisive evidence against the defendant, its admission as evidence will not automatically result in a breach of Article 6 § 1. In such a case the Court will subject the proceedings to the most searching scrutiny and will examine whether there were sufficient counterbalancing factors in place, including the existence of strong procedural safeguards.”

Volgens het Hof was de beslissing van de Poolse rechter in dit geval het gevolg van een zeer uitgebreide en evenwichtige beoordeling van het bewijs:

“90.  The Court notes that the critical issue in the case, namely the credibility of R.N. and the reliability of his statements, was examined by the domestic courts at length and in great detail (-). The domestic courts explained why there were no grounds to assume that R.N. had wrongly accused the applicant or P.D. of involvement in the impugned crimes. In the circumstances of the present case the Court is satisfied that the necessary care was applied in the evaluation of R.N.’s statements.”

Print Friendly and PDF ^

EHRM Rivière v. Frankrijk: recht op aanwezigheid bij behandeling van zaak

Het echtpaar Rivière, dat samen met hun zoon in 1996 een stuk grond huurden, is door de rechtbank in Laval veroordeeld voor bouwen zonder vergunning en het begaan van milieuovertredingen. Het echtpaar werd veroordeeld tot het betalen van onder meer een geldboete, daarnaast diende zij de grond in zijn originele staat terug te brengen. Tegen deze uitspraak zijn zij in hoger beroep gegaan.

In hoger beroep heeft het echtpaar om aanhouding van de behandeling verzocht omdat ze niet in staat waren om bij de hoorzitting aanwezig te zijn. De appelrechter wijst het verzoek zonder opgaaf van redenen af en zet op 4 december 2008 de hoorzetting in afwezigheid van het echtpaar door.

In de cassatie klagen zij onder meer over deze afwijzing. De Cour d’appel d’Angers wijst de klacht af, enkel onder verwijzing naar de rechterlijke discretionaire bevoegdheid.

Het Europese Hof acht deze beslissing strijdig met artikel 6 lid 1 en 3 onder c EVRM, omdat zonder motivering niet kan worden geverifieerd of aan de verplichtingen van het EVRM voldaan is. Het Hof benadrukt dat het in beginsel niet snel een schending in kwesties van verzoeken omtrent aanwezigheid constateert (het recht is relatief), zolang er een op de omstandigheden gebaseerde motivering aan ten grondslag ligt.

Print Friendly and PDF ^

Overzicht Nederlandse zaken voor het EHRM

In 2012 werden door het Hof met betrekking tot klachten tegen Nederland

  • 838 nieuwe verzoekschriften ontvangen (2011: 915);
  • 859 verzoekschriften niet-ontvankelijk verklaard en/of van de rol geschrapt 
(2011: 485);
  • 1 klacht ontvankelijk verklaard (2011: 0);
  • 44 verzoekschriften aan de Regering ter kennis gebracht (2011: 20); en
  • 7 uitspraken gedaan (2011: 6).
  • 1 schikking (2011: 0) 
De genoemde uitspraken betroffen
  • 6 keer de constatering dat het EVRM was geschonden; (2011: 4) en
  • 1 keer de constatering dat het EVRM niet was geschonden (2011: 2).

Het totaal aantal bij het Hof aanhangige verzoekschriften in Nederlandse zaken bedroeg

  • 1.482 op 1 januari 2012 (2011: 1.334) en
  • 1.242 op 31 december 2012 (2011: 1.482).

Voorts zijn in 2012 door het Hof 179 verzoeken tot het treffen van een voorlopige maatregel ontvangen, waarvan er

  • 164 zijn afgewezen; (2011: 250)
  • 15 zijn toegewezen (2011: 37).

Van de zaken die tot en met 31 december 2012 aan de Regering zijn toegezonden, hetzij voor het maken van opmerkingen (observations) hetzij voor het beantwoorden van vragen, en die thans nog aanhangig zijn hebben er

  • 153 betrekking op het vreemdelingenrecht (2011: 234)
  • 20 betrekking op het strafrecht; (2011: 29)
  • 6 betrekking op het bestuursrecht (2011: 1)
  • 2 betrekking op het civiel recht; (2011: 0).

Lees meer:

Print Friendly and PDF ^

Wet herziening ten nadele is koud aangenomen of EHRM zet al streep door bewaren persoonsmateriaal van vrijgesprokene

EHRM 18 april 2013, M.K. v. France    

Feiten

Verzoeker, MK, is een Frans staatsburger geboren in 1972 en woonachtig in Parijs. In 2004 en 2005 zijn zijn vingerafdrukken genomen in het kader van een tweetal onderzoeken naar de vermeende diefstal van een aantal boeken. De eerste zaak eindigde met zijn vrijspraak, de tweede zaak werd geseponeerd.

In 2006 heeft MK de officier van justitie verzocht om de verwijdering van zijn vingerafdrukken uit de database. Zijn verzoek is alleen ingewilligd met betrekking tot de vingerafdrukken genomen in het kader van de eerste zaak (waarin hij was vrijgesproken).

Verzoeker heeft zich vervolgens tot de vrijheden en detentie-rechter gewend, welke ook zijn aanvraag heeft afgewezen. Deze beslissing is door le président de la chambre de l’instruction de la cour d’appel de Paris (de voorzitter van de afdeling Onderzoek van het Hof van Beroep van Parijs) bevestigd.

MK is tegen deze laatste beslissing in cassatie gegaan bij de Court de Cassation, ook zonder geluk.

Procedure EHRM

Verzoeker doet voor het EHRM een beroep op art. 8: hij meent dat door de bewaring, van de hem betreffende gegevens in de database, zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven is geschonden.

Oordeel EHRM

Het Hof overweegt dat de bewaring van MK's vingerafdrukken door de Franse autoriteiten een inmenging betreft in zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven. Deze inmenging is in overeenstemming met de wet (namelijk het Wetboek van Strafvordering en een decreet uit 1987) en heeft een legitieme doelstelling, het bestrijden en voorkomen van criminaliteit.

Het Hof herhaalt dat, niettemin, de bescherming van persoonsgegevens van fundamenteel belang is voor iemands genot van zijn of haar recht op eerbiediging van privéleven. Dit geldt te meer wanneer het gaat om gegevens die automatische verwerking hebben ondergaan en worden gebruikt voor politie doeleinden. De nationale wetgeving moet waarborgen dat de betreffende gegevens relevant zijn met betrekking tot de doeleinden waarvoor ze worden opgeslagen en dit opslaan bovendien niet buitensporig is. Hetzelfde geldt voor de periode waarvoor de gegevens worden opgeslagen.

In de onderhavige zaak was de reden dat door officier van justitie weigerde om de vingerafdrukken, genomen tijdens de tweede zaak, uit de database te verwijderen, om verzoeker te beschermen tegen identiteitsfraude. In de ogen van het Hof kan dit argument, dat overigens niet is neergelegd in de wet, uiteindelijk een extreme maatregel als het opslaan van gegevens van de gehele bevolking, rechtvaardigen.

Echter, de hier toepasselijke regelgeving is ogenschijnlijk gericht op het makkelijker maken personen, die betrokken zijn geweest bij een strafzaak, te identificeren en te vervolgen, maar geeft niet aan of het toepassingsgebied ervan daadwerkelijk beperkt is tot strafbare feiten.

Bovendien wordt geen enkel onderscheid gemaakt op basis van de ernst van de beschuldigingen, aangezien de regelgeving ook van toepassing is op kleine vergrijpen. Ten slotte is de regelgeving van toepassing op veroordeelden alsook op personen, zoals MK, die nooit zijn veroordeeld. Hiermee lopen zij het risico gestigmatiseerd te worden en wordt bovendien gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie.

De bepalingen in kwestie bieden onvoldoende bescherming. Het belang van de betrokkenen van verwijdering van de gegevens uit de database wordt ondergeschikt geacht aan het belang van het kunnen doen van onderzoek naar strafbare feiten en het onderhouden van een zo omvangrijk mogelijke database. Bijgevolg, aangezien de kans op een succesvol verzoek tot verwijdering onzeker is, staat de bewaartermijn van 25 jaar in de praktijk gelijk aan onbepaalde tijd.

Het Hof concludeert dan ook dat de Franse rechterlijke instanties hun margin of appreciation hebben overschreden en geen blijk hebben gegeven van een evenwichtige afweging tussen de publieke en private belangen in hier in het spel zijn.

Het opslaan en opgeslagen blijven van MK's vingerafdrukken betekent een onevenredige inbreuk op zijn recht op eerbiediging van zijn prive-leven en kan dus niet als noodzakelijk in een democratische samenleving worden beschouwd. Schending van art. 8 EVRM.

Wet herziening ten nadele

De uitspraak verschijnt ruim een week nadat de Eerste Kamer akkoord is gegaan met het voorstel tot invoering van herziening ten nadele. Met het oog op de mogelijkheid van herziening ten nadele van de gewezen verdachte kan het van belang zijn dat gegevens en voorwerpen met betrekking tot de strafzaak bewaard blijven. In het wetsvoorstel is dan ook voorzien in de mogelijkheid tot het  blijvend bewaren van vingerafdrukken en DNA-gegevens van vrijgesproken verdachten. Voor DNA-gegevens en vingerafdrukken geldt thans dat deze na een onherroepelijke vrijspraak worden vernietigd (vgl. artikel 16 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en artikel 9 van het voorgenomen Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden).

Print Friendly and PDF ^