Zwolsman, CIE-informatie & niet-ontvankelijkheid OM

Rechtbank Amsterdam 25 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1460

Essentie

  1. Was het OM – op straffe van niet-ontvankelijkheid – gehouden tot nader tactisch onderzoek van ingebrachte ontlastende CIE-informatie? Rechtbank: nee, geen sprake van Zwolsman-situatie.
  2. Kon het OM worden ontvangen in de strafvervolging nadat geweigerd was medewerking te verlenen aan de opdracht de CIE-informant te horen? Rechtbank: ja, want komt tot herroeping eerdere opdracht tot horen CIE-informant.

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 26 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk persoon 1 van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp een of meermalen in de hartstreek en/of borst, in elk geval in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden.

2. hij op of omstreeks 26 juni 2007 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Leidseplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen persoon 1, welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen en/of trekken op/tegen/aan het lichaam van die persoon 1.

Ontvankelijkheid OM

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat er twee gronden zijn aan te voeren voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

  1. In de eerste plaats is er geen sprake van een eerlijk proces, omdat politie en het openbaar ministerie bewust niet naar de waarheid hebben gezocht. Dit is in het bijzonder gebleken uit het feit dat een alternatief scenario, waarbij een derde bij naam bekend geworden persoon, hierna: “persoon 2”, als steker in beeld kwam, niet serieus onderzocht werd. Deze derde is ten onrechte niet als verdachte aangemerkt en bijvoorbeeld aan een telefoontap onderworpen.
  2. In de tweede plaats dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte te worden verklaard, omdat het heeft geweigerd uitvoering te geven aan de beschikking van de rechtbank van 5 juli 2010, inhoudende de opdracht tot het horen van de CIE informant als getuige.
  3. Daarnaast dient de overschrijding van de redelijke termijn in onderhavige zaak, zij het niet als zelfstandige grond voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, mee te wegen ten faveure van de verdachte bij de beoordeling van de aangevoerde gronden voor de niet-ontvankelijkheid.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in verband met de eerstgenoemde grond aangevoerd dat dit verweer dient te worden verworpen, aangezien bij afweging van alle omstandigheden het openbaar ministerie in redelijkheid de keuze heeft kunnen maken om persoon 2 niet als verdachte aan te merken en niet te tappen. Er is derhalve geen sprake van dat de politie en/of het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte diens recht op een eerlijk proces te kort hebben gedaan.

De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de consequentie die dient te worden verbonden aan de weigering van het openbaar ministerie om uitvoering te geven aan de beschikking van de rechtbank van 5 juli 2010.

Ook ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunten aangevoerd hetgeen staat vermeld in haar ter terechtzitting overgelegde op schrift gestelde requisitoir.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de schending van het recht op een eerlijk proces:

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank stelt voorop dat er in het voorbereidend onderzoek sterke aanwijzingen bestonden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het (mishandelen en) neersteken van het slachtoffer. Verdachte was aangehouden zeer kort nadat het slachtoffer met een steekwond was aangetroffen op het Leidseplein. Het slachtoffer zelf had tegenover de toegesnelde politie de weglopende verdachte als dader aangewezen. Verdachte had een wit shirt aan en zijn gezicht en handen zaten onder het bloed. Verder had een ooggetuige die dag tegenover de politie verklaard duidelijk te hebben gezien dat de later aangehouden man (met wit shirt en bloed op gezicht en shirt) een stekende beweging had gemaakt. De verklaring van verdachte zelf kwam er kort gezegd op neer dat hij met het slachtoffer had gevochten.

In juli 2007 werden vervolgens processen-verbaal van de (toenmalige) Criminele Inlichtingen Eenheid bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (CIE; inmiddels is de naam gewijzigd in Team Criminele Inlichting (TCI) bij de stukken van het procesdossier gevoegd. Deze stukken hielden de recent binnengekomen informatie van een CIE-informant in dat, kort gezegd, het slachtoffer in deze zaak door ene persoon 2 was neergestoken en iemand anders, die voor het steken vastzat, de schuld op zich had genomen. Een ripdeal zou ten grondslag liggen aan het steekincident. De informant wist ook telefoonnummers in gebruik bij persoon 2 te melden.

Deze verstrekte informatie werd door de CIE als betrouwbaar aangemerkt. Uit nader onderzoek van de CIE was verder ook gebleken om welke persoon 2 het zou gaan, adres onbekend.

Blijkens de brief van 20 november 2008 van de toenmalige zaaksofficier van justitie aan de rechter-commissaris, is destijds door het openbaar ministerie bekeken in hoeverre uit de CIE verbalen een mogelijk ander scenario naar voren zou kunnen komen dan dat verdachte het slachtoffer zou hebben gestoken. In de door de getuigen, het slachtoffer en verdachten afgelegde verklaringen werd echter geen enkele steun teruggevonden voor deze door de CIE verstrekte informatie. Voorts bleek dat de CIE-informatie aantoonbaar deels onjuist was, omdat niemand, ook niet verdachte, de schuld voor het steken op zich had genomen. In juli 2007 werd vervolgens besloten niet de aanhouding van persoon 2 te gelasten en ook geen technische actie (tap) op hem te starten. Voor dit ingrijpende dwangmiddel werd de CIE-informatie onvoldoende bevonden, nu er geen andere feiten en omstandigheden waren waaruit bleek dat persoon 2 gestoken zou hebben en uit het onderzoek tot dusver een andere toedracht naar voren kwam. Een tap op grond van deels onjuiste CIE-informatie zou niet te rechtvaardigen zijn.

De officier van justitie had voorts de verwachting dat een tapaanvraag door de rechter-commissaris, gelet op de inhoud van het dossier, zou worden afgewezen, dat persoon 2 “telefoondiscipline” zou hebben en niet enige tijd na het steekincident daarover telefonisch zou gaan praten, dat mogelijk andere strafbare feiten bekend zouden worden die zouden nopen tot handelen en tenslotte waren er capaciteitsoverwegingen. Wel waren nog de historische telefoongegevens van de (in CIE-informatie vermelde) 06-nummers van persoon 2 bekeken, hetgeen niets had opgeleverd. Eveneens was vastgesteld dat van persoon 2 sinds 6 februari 2006 geen verblijfadres bekend was, hetgeen een gericht benaderen niet mogelijk maakte.

De rechtbank overweegt dat de binnengekomen CIE-informatie in relevante mate de aannemelijkheid van een met de bewezenverklaring strijdig scenario ondersteunt. Het openbaar ministerie heeft deze informatie dan ook terecht bij het procesdossier gevoegd en heeft ook enig onderzoek naar deze persoon 2 en dit alternatieve scenario verricht.

Dat het openbaar ministerie vervolgens heeft afgezien van nader technisch onderzoek op genoemde persoon 2 is, naar het oordeel van de rechtbank, niet dusdanig verwijtbaar dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden. Hoewel technisch onderzoek naar genoemde persoon 2 wellicht mogelijk en zelf wenselijk was geweest, is het nalaten van dat onderzoek onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat politie en/of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort hebben gedaan. De beslissing van de toenmalige zaaksofficier is na zorgvuldige overweging tot stand gekomen. Ook kan deze beslissing - gelet op de inhoud van de zich op dat moment in het dossier bevindende stukken en de betekenis die in zijn algemeenheid aan CIE informatie dient te worden toegekend - niet als dermate onbegrijpelijk worden aangemerkt dat daaruit genoemde doelbewustheid of grove veronachtzaming dwingend zou moeten worden afgeleid. Daar komt bij dat nadien de betrokken persoon persoon 2 uitvoerig is gehoord bij de rechter-commissaris, in bijzijn van de verdediging, alsmede diverse CIE-mensen, waaronder de runner van de informant.

Van een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond kan derhalve geen sprake zijn.

Ten aanzien van het niet voldoen door het openbaar ministerie aan de opdracht van de rechtbank van 5 juli 2010 tot het horen van de CIE informant.

De feiten

De zaak is ter zitting op 2 oktober 2007 aangevangen en aangehouden voor nader onderzoek.

De voorlopige hechtenis van verdachte is op 10 december 2007 geschorst in verband met het ongewis zijn van het nog te verrichten onderzoek.

In september en oktober 2008 zijn onder meer bij de rechter-commissaris diverse CIE-mensen gehoord over de hiervoor aangehaalde in het procesdossier gevoegde CIE-informatie: een betrokken inspecteur van politie bij de CIE regio Amsterdam-Amstelland, een inspecteur van politie en plaatsvervangend bureauchef bij de CIE regiopolitie Amsterdam-Amstelland, alsmede een CIE-inspecteur van politie en chef regionale CIE bij de regiopolitie Kennemerland.

Bij beschikking van 5 juli 2010 heeft de rechtbank vervolgens (in andere samenstelling) in het kader van een bezwaar ex art. 280 (oud) Sv tegen de weigering van de rechter-commissaris om de betreffende runners en informanten te horen, besloten het verzoek van de verdediging tot het horen bij de rechter-commissaris van “de CIE-informant/runner” alsnog toe te wijzen.

Het openbaar ministerie heeft niet aan deze opdracht voldaan waar het geen medewerking heeft willen verlenen aan het gelaste verhoor van de informant, ook niet indien dit op de voet van art. 226a Sv zou plaatsvinden.

Bij brief van 8 maart 2011 heeft de toenmalige CIE-officier van justitie deze beslissing nader toegelicht. De officier heeft te kennen gegeven dat een verhoor van de informant waarbij aanvullende vragen dienen te worden beantwoord omtrent de inhoud en/of totstandkoming van zijn of haar wetenschap in deze zaak niet mogelijk is zonder dat de afscherming van de identiteit van de informant in gevaar komt. Feitelijk is derhalve geen uitvoering mogelijk van de beslissing van de rechtbank. Nog immer kan, naar de officier zelf heeft vastgesteld, uit oogpunt van bronbescherming geen melding worden gemaakt van wie de informant de informatie had gehoord. Vanwege de verantwoordelijkheid die de CIE-officier van justitie heeft voor de veiligheid van deze informant kan derhalve geen medewerking worden verleend aan het doen plaatsvinden van een verhoor van de informant. Dit standpunt is de resultante van langdurige beschouwingen en collegiaal overleg, aldus de officier, waarbij hij aanbood onder toepassing van artikel 187d Sv als getuige bij de rechter-commissaris volledige toelichting te verschaffen.

De CIE-officier van justitie is vervolgens op 19 december 2011 door de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de raadsman en de officier van justitie, gehoord. Hij heeft daar onder meer nog verklaard dat de belangen zijn afgewogen en het risico bij het meewerken als te groot werd ingeschat. Daarbij kwam dat in redelijkheid niet werd gezien wat er nog meer beantwoord kon worden omtrent de informatie die was verstrekt door de informant zonder afbreuk te doen aan de afschermingsbelangen. De chef van de CIE en de CIE-officier van justitie zagen concrete risico’s voor de informant als voor verdachte of diens omgeving bekend zou worden dat hij nader zou worden gehoord. Bij bekend worden van de identiteit van de getuige zou er zelfs gevaar zijn voor zijn leven. Er is met de CIE-leiding, parketleiding en de recherche officier, apart en gezamenlijk, overleg geweest over deze kwestie. Daarna is de beslissing genomen dat niet kon worden meegewerkt aan het verhoor. Deze beslissing werd breed gedragen. Er is naast een algemene tevens een concrete afweging gemaakt.

De rechter-commissaris heeft geen behoefte gevoeld de CIE-officier van justitie onder toepassing van art. 187d Sv te horen. De runner is door de rechter-commissaris, in bijzijn van de verdediging, op 14 juni 2012 gehoord.

De strafzaak is op 11 maart 2014 weer op zitting aangebracht en toen, vanwege een andere samenstelling van de rechtbank, opnieuw aangevangen, behandeld en gesloten.

De overweging van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het openbaar ministerie in zijn algemeenheid zonder meer gehouden is door de rechtbank gegeven opdrachten uit te voeren op straffe van niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van een verdachte. Niettemin dient dit gevolg in het onderhavige geval achterwege te blijven. De rechtbank komt tot dit oordeel, omdat zij de eerdere beslissing tot het horen van de informant herroept. Zij overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank neemt op basis van de stukken aan dat het bekend worden van de identiteit van de CIE-informant in deze zaak voor deze informant een levensgevaarlijke situatie kan opleveren. Op grond van diverse regelingen op het gebied van het werk van de CIE is voorts duidelijk dat de CIE aan een informant toezegt een maximale inspanning te verrichten om diens identiteit af te schermen en dat informanten (mede) op grond daarvan bereid zijn aan de politie inlichtingen te verschaffen over ernstige vormen van criminaliteit. Op de Staat rust een vergaande zorgplicht aangaande de veiligheid van dergelijke informanten. Om die reden kan ook bijvoorbeeld bij een verhoor beantwoording op vragen in beginsel door de rechter worden belet, indien dit tot het bekend worden van de identiteit van de CIE-informant kan leiden. Vragen naar redenen van wetenschap van een informant zullen om die reden al snel als risicovol worden bestempeld, omdat bekendmaking daarvan veelal ook meteen diens identiteit blootlegt.

Tegenover deze opsporings- en veiligheidsbelangen staat in de onderhavige zaak het verdedigingsbelang van de verdachte bij het horen van de informant, omdat in zijn informatie een alternatief scenario voor de bewezenverklaring werd gepresenteerd en de verdediging er belang bij heeft naar diens redenen van wetenschap te kunnen vragen.

Bij de afweging van deze belangen is dan verder betekenis toe te kennen aan de volgende feiten en/of omstandigheden.

Naar algemeen wordt aangenomen is CIE-informatie niet geschikt om als bewijsmiddel te dienen, omdat de informant niet gehoord kan worden en er gevaar bestaat voor desinformatie en dubbeltelling. Wel kan het onder omstandigheden in het kader van de opsporing dienstbaar zijn als start- of sturingsinformatie. CIE-informatie kan om dezelfde reden ook niet als ontlastend “bewijs” worden aangemerkt. Hieraan kan onder omstandigheden wel zekere waarde worden toegekend indien het in relevante mate de aannemelijkheid van een met de bewezenverklaring strijdig scenario ondersteunt. Ook de onderhavige CIE-informatie, tijdig gevoegd in het procesdossier, kan bij de beoordeling van de schuldvraag mede in de overwegingen worden betrokken.

In deze zaak kan verder als vaststaand worden aangenomen dat de CIE-informant de informatie heeft gehoord van iemand anders en dus niet heeft gepraat met de CIE over hetgeen hij uit eigen waarneming op de plaats delict zou hebben waargenomen. De omstandigheid dat de informatie door de CIE als betrouwbaar is aangemerkt zegt verder niets over de waarachtigheid van deze informatie. Zo kan bijvoorbeeld de bron van de informant tegen de informant hebben gelogen of zich hebben vergist over wat hij weer heeft gehoord.

Ook is van belang dat de verdediging de informant heeft willen horen omtrent de redenen van wetenschap, terwijl, blijkens de toelichting van de CIE-officier van justitie, beantwoording door de informant van vragen omtrent de inhoud en/of totstandkoming van zijn of haar wetenschap nu juist niet mogelijk is zonder dat de afscherming van de identiteit van de informant in gevaar komt. Het is niet ondenkbaar dat de rechter-commissaris, ingeval de informant als bedreigde getuige ex art. 226a Sv was gehoord, deze antwoorden zou hebben belet en niet zou hebben opgenomen in het proces-verbaal van verhoor (zie art. 226d lid 3 Sv).

De verdediging heeft voorts uitgebreid de gelegenheid gehad om vragen te stellen over deze materie ter gelegenheid van de diverse verhoren bij de rechter-commissaris. Onder meer de in de CIE-informatie genoemde persoon 2 is gehoord, alsmede diverse betrokken CIE-mensen (waaronder de runner van de informant, alsmede de CIE-officier van justitie, een betrokken inspecteur van politie bij de CIE regio Amsterdam-Amstelland, een inspecteur van politie en plaatsvervangend bureauchef bij de CIE regiopolitie Amsterdam-Amstelland, alsmede een CIE-inspecteur van politie en chef regionale CIE bij de regiopolitie Kennemerland).

Daar komt nog bij dat de rechtbank in haar eerdere beslissing niet heel duidelijk is geweest in haar opdracht, waarin het horen van “de persoon” en “CIE-informant/runner” wordt bevolen.

De rechtbank komt tot de conclusie, alles afwegende, dat de verdediging niet al te zeer in haar verdedigingsbelang wordt geschaad door het achterwege blijven van een verhoor van de informant. De eerder verstrekte opdracht tot het horen van de informant wordt derhalve herroepen. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een situatie als bedoeld in art. 349 lid 3 Sv, noch van een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Conclusie

Er zijn geen redenen voor schorsing der vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF