Zijn goudstaven, die op strafbare wijze (want zonder exportvergunning en met behulp van valse documenten) vanuit Venezuela het land zijn binnengesmokkeld, afkomstig uit enig misdrijf?

Hoge Raad 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:327 (Antilliaanse zaak)

De verdachte is bij vonnis van 31 maart 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens medeplegen van gewoontewitwassen (feit 9a) en deelneming aan een misdadige organisatie (feit 15), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 104 dagen.

Het vonnis bevat de volgende bewijsoverweging van het hof:

“Met betrekking tot feit 9a heeft de verdachte het volgende verweer gevoerd.

De verdachte heeft ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat iedereen, waaronder Swissport, de douane, de douanerecherche en KLM, de transporten als normaal behandelde en dat ook Doorn, die verstand had van goudhandel en aan wie de verdachte enkele documenten had toegestuurd, tegen hem had gezegd dat de goudhandel naar zijn gevoel legaal was. Dit betekende volgens de verdachte feitelijk dat de goudhandel kennelijk voor legaal kon worden gehouden, wat hem heeft doen besluiten ermee door te gaan.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.

De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zelf de handel in kwestie als ‘regelrechte smokkel’ aanduidde. Dat deed hij niet in vraagvorm. Integendeel: hij poneerde de stelling dat van regelrechte smokkel sprake was. Dit alles in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.

Ten aanzien van de deelname door verdachte aan de organisatie overweegt het Hof het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte negentien keer aanwezig is geweest bij aankomst van het goudtransport uit Venezuela. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij aankomst van het goud de airwaybill in ontvangst nam, dat hij erbij stond als het goud gewogen werd en dat hij meeliep naar de kluis waarin het goud werd opgeborgen en dat hij wachtte tot de kluis gesloten werd. Met deze werkzaamheden leverde de verdachte een wezenlijk aandeel aan, dan wel ondersteunde hij in belangrijke mate gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 146 Wetboek van Strafrecht BES bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.”
 

Middel

Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 9a en 15 tenlastegelegde en in het bijzonder over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 9a vermelde baren en/of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf.
 

Beoordeling Hoge Raad

Art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen luidden ten tijde van de tenlastegelegde feiten:

"Artikel 435a

1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 435b

Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen en tweehonderdduizend gulden."

De tenlastelegging onder 9a is toegesneden op de art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "afkomstig uit enig misdrijf" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepalingen. Het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring onder 15 vermelde "gewoontewitwassen" moet worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

De delictsomschrijving in art. 435a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen is gelijkluidend aan die in art. 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Nederland. Ten aanzien van laatstgenoemde delictsomschrijving geldt dat voorwerpen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als "uit enig misdrijf afkomstig" indien deze afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de daarin genoemde delictsgedragingen (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324). Voorwerpen met betrekking tot welke een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor "afkomstig" uit enig misdrijf.

Blijkens 's Hofs bewijsvoering zijn er goudtransporten verzorgd onder andere tussen Venezuela en Aruba alsmede tussen Venezuela en Curaçao. De export van het goud uit Venezuela heeft plaatsgevonden zonder exportvergunning, terwijl bij de export onder meer sprake is geweest van het opmaken en gebruiken van vervalste documenten teneinde de exportvergunning te omzeilen. De verdachte heeft meerdere van deze goudtransporten begeleid. De onder 15 bewezenverklaarde deelneming aan een vereniging die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven waaronder het gewoontewitwassen van op geld waardeerbare goederen, heeft gelet op die bewijsvoering betrekking op de genoemde goudtransporten.

Blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven heeft het Hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 9a vermelde baren of broodjes goud "afkomstig waren uit enig misdrijf" omdat het exporteren van Venezolaans goud op strafbare wijze heeft plaatsgevonden. Hierin ligt als het kennelijke oordeel van het Hof besloten dat de baren of broodjes goud reeds van misdrijf afkomstig waren omdat misdrijven zijn begaan teneinde de ter zake van het mede onder begeleiding van de verdachte transporteren van die baren of broodjes goud benodigde exportvergunning te omzeilen, zodat sprake is van gewoontewitwassen. De bewezenverklaring onder 15 heeft daarop mede betrekking. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het Hof omtrent de herkomst van het goud uitsluitend heeft vastgesteld dat het goud afkomstig is uit Venezuela, is het oordeel van het Hof dat de baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren, niet toereikend gemotiveerd.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
 

Conclusie AG

Het beroep dat het middel doet op HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, waarin de Hoge Raad, met betrekking tot het zgn. Hawala-bankieren, heeft geoordeeld dat vermogensbestanddelen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf indien zij afkomstig zijn uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven e.d. daarvan, gaat niet op. Het is niet het – kort gezegd – illegaal exporteren van de baren en/of broodjes goud uit Venezuela dat aan de verdachte wordt verweten, maar het door hem en zijn mededaders in Aruba en Curaçao voorhanden hebben en overdragen van deze (reeds) illegaal uit Venezuela geëxporteerde baren en/of broodjes goud. De in het genoemde arrest geformuleerde rechtsregel betreft juist dergelijk handelen.

Het oordeel van het hof dat de baren en/of broodjes goud uit enig misdrijf afkomstig zijn, acht ik voorts toereikend gemotiveerd. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de wijze waarop de desbetreffende baren en/of broodjes goud uit het land Venezuela zijn uitgevoerd en vervolgens in de landen Aruba en Curaçao zijn ingevoerd, volgt een – voor de bewezenverklaring voldoende – vermoeden van witwassen, nl. dat – zoals het hof heeft overwogen – het niet anders kan zijn dan dat zij vanuit Venezuela naar Aruba en Curaçao zijn vervoerd op een wijze waarbij de vereiste exportvergunning voor het exporteren van Venezolaans goud werd omzeild, welk handelen een strafbaar feit oplevert.

Hierin ligt dan ook besloten de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de export van Venezolaans goud zonder benodigde vergunning pas in 2010 strafbaar is gesteld en ten tijde het gepleegde dus niet strafbaar was. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof geenszins te noemen, gelet op het zich bij de stukken bevindende overzicht van de destijds in Venezuela vigerende wet- en regelgeving met betrekking tot de mogelijkheid en de vereisten voor export van baren en/of broodjes goud en de strafbaarheid van illegale export van goud, waarop een gevangenisstraf staat.

Ook de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is onbegrijpelijk is, treft geen doel. Het hof heeft uit de omstandigheden waaronder de export van het goud uit Venezuela en de import daarvan in Aruba en Curaçao heeft plaatsgevonden, de verklaring van de verdachte dat het ‘regelrechte smokkel’ betrof, in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte erkende niet enig onderzoek naar de voorwaarden voor export van Venezolaans goud te hebben gedaan, afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte wist – tenminste in de vorm van voorwaardelijk opzet – dat de baren en/of broodjes goud die hij en zijn mededaders in Curaçao en Aruba voorhanden hebben gehad en overgedragen afkomstig waren uit het strafbare handelen van zonder exportvergunning exporteren van Venezolaans goud.

Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF