Wetgevingsoverleg over implementatiewet milieucriminaliteit op 12 oktober

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer heeft op maandag 12 oktober 2026 van 10.00 tot 14.00 uur een wetgevingsoverleg gepland over de Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit (Kamerstuk 36876). Het wetsvoorstel strekt tot omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1203 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, die de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG vervangt. De richtlijn bevat een uitgebreide lijst van strafbare feiten, introduceert een gekwalificeerde variant voor zeer ernstige milieuschade en schrijft minimale strafmaxima voor natuurlijke personen en rechtspersonen voor. Het voorstel werd op 17 december 2025 bij de Tweede Kamer ingediend en de omzettingstermijn verstreek op 21 mei 2026. In de aanloop naar de behandeling is via LinkedIn aandacht gevraagd voor de door de Inspectie Leefomgeving en Transport uitgevoerde handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets bij dit voorstel.

De richtlijn: twintig delictscategorieën en minimale strafmaxima

Artikel 3 van Richtlijn (EU) 2024/1203 bevat twintig categorieën strafbare feiten. Onder de voorganger, Richtlijn 2008/99/EG, waren dat er negen. Tot de toegevoegde gedragingen behoren onder meer illegale houthandel, het onttrekken van watervoorraden, verontreiniging door schepen en ernstige schendingen van de EU-chemicaliënwetgeving. Daarnaast kent de richtlijn een gekwalificeerd strafbaar feit voor gedragingen die leiden tot vernietiging van of onherstelbare dan wel langdurige wijdverbreide en aanzienlijke schade aan een ecosysteem, een habitat of de kwaliteit van lucht, bodem of water.

Voor natuurlijke personen schrijft de richtlijn minimale strafmaxima voor. Volgens het persbericht van het Europees Parlement gaat het om tien jaar gevangenisstraf voor milieudelicten die de dood van een persoon veroorzaken, acht jaar voor gekwalificeerde strafbare feiten en vijf jaar voor een deel van de overige delicten. Voor rechtspersonen moeten lidstaten voorzien in geldboetes van ten minste 3% of 5% van de wereldwijde jaaromzet, afhankelijk van het delict, dan wel in bedragen van € 24 miljoen respectievelijk € 40 miljoen. Verder bevat de richtlijn bepalingen over verzwarende en verzachtende omstandigheden, verjaringstermijnen, onderzoeksmiddelen, gegevensverzameling en de positie van klokkenluiders en van personen die door milieucriminaliteit worden geraakt.

Het wetsvoorstel: wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten

Volgens de memorie van toelichting sluit het bestaande Nederlandse recht al in belangrijke mate aan bij de richtlijn, zodat het voorstel zich beperkt tot een aantal gerichte wijzigingen. De reikwijdte van de artikelen 161quater, 161quinquies, 173a en 173b Sr wordt uitgebreid, zodat deze bepalingen ook van toepassing zijn wanneer aanzienlijke schade aan de kwaliteit van bodem, lucht of oppervlaktewater, dan wel aanzienlijke schade aan een ecosysteem, dieren of planten wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt. Zwaar lichamelijk letsel wordt als afzonderlijk bestanddeel opgenomen naast levensgevaar.

Nieuw zijn de artikelen 173c en 173d Sr, die het in de handel brengen strafbaar stellen van een product waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot emissies waardoor aanzienlijke schade voor de mens of het milieu wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt, in een opzettelijke en een culpoze variant. Het voorstel voegt twee definitiebepalingen toe: artikel 90decies Sr omschrijft het begrip ecosysteem en artikel 90undecies Sr het begrip beschermde habitat, met een verwijzing naar de gebieden onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. In de Wet op de economische delicten worden verwijzingen naar milieuvoorschriften in artikel 1a aangevuld en wordt in artikel 6 een strafverzwaringsgrond opgenomen voor ernstige milieudelicten met dodelijke gevolgen of vernietigende milieuschade. Het strafmaximum van artikel 307, tweede lid, Sr, dood door schuld in de roekeloze variant, gaat van vier naar vijf jaar gevangenisstraf. De richtlijnverplichting om ook grove nalatigheid strafbaar te stellen wordt in het voorstel ingevuld met het commune begrip roekeloosheid.

De HUF-toets van de ILT

De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft op verzoek van het ministerie van Justitie en Veiligheid een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets uitgevoerd op het wetsvoorstel. Het document dateert van 4 februari 2025 en telt zeven pagina's. De pdf was bij het schrijven van dit bericht niet te openen, waardoor de precieze bevindingen en aanbevelingen niet konden worden geverifieerd. In het LinkedIn-bericht dat aanleiding gaf tot dit bericht wordt gesteld dat de ILT positief is over de wet, dat de Nederlandse uitwerking op onderdelen beperkter dreigt uit te vallen dan de richtlijn en dat een forse toename van aangiften en onderzoeken wordt verwacht doordat de drempel om aangifte te doen lager wordt. Die stellingen zijn hier niet aan het document zelf te toetsen.

De memorie van toelichting vermeldt dat de organisaties die om een HUF-toets zijn gevraagd de uitkomsten daarvan in hun adviezen hebben beschreven en dat die informatie in hoofdstuk 6 is verwerkt. Adviezen zijn uitgebracht door onder meer het College van procureurs-generaal, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de rechtspraak, de politie, de omgevingsdiensten, de ILT en de NVWA. Volgens de toelichting staan deze organisaties in beginsel positief tegenover de richtlijn en hebben zij daarnaast verduidelijkingen en aanpassingen voorgesteld.

Uit het jaarverslag 2025 van de ILT-IOD blijkt dat de inspectie bij de HUF-toets een capaciteitsclaim heeft ingediend voor de implementatie van de richtlijn en dat die claim niet is gehonoreerd. Datzelfde jaarverslag vermeldt dat de dienst in 2025 elf onderzoeken heeft ingeleverd tegenover een doelstelling van twintig, dat voor € 790.000 conservatoir beslag is gelegd tegenover een doelstelling van € 4 miljoen, en dat het sepotpercentage 66% bedroeg tegenover een norm van maximaal 19%.

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State

De Afdeling advisering van de Raad van State bracht op 8 oktober 2025 advies uit over het wetsvoorstel. De Afdeling vroeg om een dragende motivering voor de verhoging van het strafmaximum in artikel 307, tweede lid, Sr van vier naar vijf jaar, mede in verhouding tot niet-milieugerelateerde gedragingen en andere strafbare feiten. Ook adviseerde zij de toelichting aan te scherpen op de vraag wat onder langdurige schade moet worden verstaan.

Het derde punt betreft de handhaving. De Afdeling overwoog dat de effectiviteit van de met de implementatiewet voorgestelde vernieuwing van het milieustrafrecht afhankelijk is van een impuls aan toezicht en handhaving, en vroeg inzicht in de wijze waarop bij schaarse capaciteit voldoende prioriteit aan milieucriminaliteit kan worden gegeven. De regering is hierop ingegaan in het nader rapport van 12 december 2025.

Handhavingsstructuur en eerder onderzoek

De memorie van toelichting beschrijft een handhavingsstelsel waarin het ministerie van Justitie en Veiligheid, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, provincies en gemeenten als bevoegd gezag onder de Omgevingswet, en de politie, de ILT, de NVWA en buitengewoon opsporingsambtenaren ieder een rol vervullen. De Strategische Milieukamer, onder voorzitterschap van het Openbaar Ministerie, bepaalt de gezamenlijke prioriteiten in de aanpak van milieucriminaliteit. De toelichting wijst daarnaast op de complexiteit van gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Unie, mede vanwege de eisen van artikel 17a van de Wet politiegegevens en de beschikbare capaciteit bij opsporingspartners.

De capaciteit en inrichting van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het milieudomein zijn eerder onderzocht door de adviescommissie onder leiding van J.J. van Aartsen, die in maart 2021 rapporteerde over het functioneren van de omgevingsdiensten. Naar aanleiding daarvan is het interbestuurlijk programma versterking van dat stelsel opgezet.

Verstreken omzettingstermijn

De omzettingstermijn van Richtlijn (EU) 2024/1203 verstreek op 21 mei 2026. De Europese Commissie heeft medio juli 2026 opgetreden tegen lidstaten die de volledige omzetting van een reeks richtlijnen niet hadden gemeld, waaronder deze richtlijn; het optreden is aangekondigd in de Daily News van 15 juli 2026. Volgens weergaven van dat persbericht ontvingen 23 lidstaten een ingebrekestelling, waaronder Nederland, met een termijn van twee maanden om te reageren. Blijft een bevredigende reactie uit, dan kan de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengen als volgende stap in de inbreukprocedure. Achtergrondinformatie over de richtlijn en de omzetting is te vinden op de pagina over de Environmental Crime Directive van de Europese Commissie.

Behandeling in de Tweede Kamer

Het wetsvoorstel is op 22 januari 2026 niet-controversieel verklaard. De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid bracht op 12 februari 2026 verslag uit; de nota naar aanleiding van het verslag volgde in mei 2026. Het wetgevingsoverleg van 12 oktober 2026 staat vermeld op de agenda van de Tweede Kamer. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Na afronding in de Tweede Kamer volgt behandeling in de Eerste Kamer.

Afsluiting

Het wetsvoorstel ligt ter behandeling bij de Tweede Kamer, waar op 12 oktober 2026 een wetgevingsoverleg plaatsvindt. De schriftelijke behandeling is afgerond met het verslag van februari 2026 en de nota naar aanleiding van het verslag. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geadviseerd over de strafmaatverhoging, het begrip langdurige schade en de afhankelijkheid van toezicht en handhaving, en de regering heeft daarop in het nader rapport gereageerd. De ILT heeft een HUF-toets uitgevoerd; uit het jaarverslag 2025 van de ILT-IOD blijkt dat de daarbij ingediende capaciteitsclaim niet is gehonoreerd. De omzettingstermijn is verstreken en de Europese Commissie heeft een inbreukprocedure geopend tegen lidstaten die de omzetting niet volledig hebben gemeld.

Dit bericht betreft geen rechterlijke uitspraak, zodat er geen link naar een uitspraak kan worden opgenomen. De Kamerstukken bij wetsvoorstel 36876 zijn te raadplegen via het dossier op tweedekamer.nl.

Print Friendly and PDF ^