Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil: niet aannemelijk geworden dat door witwassen daadwerkelijk enig op geld waardeerbaar voordeel is verkregen

Rechtbank Amsterdam 1 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3404

Op 12 maart 2014 is veroordeelde door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden wegens:

- medeplegen van gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008;

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wwm, gepleegd op 25 november 2008;

- afpersing, gepleegd in de periode van eind 2005 tot en met 25 november 2008.

Op 26 februari 2016 is veroordeelde in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens:

- gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008;

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wwm en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wwm, gepleegd op 25 november 2008.

Het hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat verdachte zich ten minste schuldig heeft gemaakt aan belastingontduiking. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de inkomsten, waarvan verdachte geen opgave heeft gedaan bij de Belastingdienst, zich hebben vermengd met de legale inkomsten van verdachte en zijn echtgenote. Het hof heeft geconcludeerd dat het witwassen zag op het veiligstellen van opbrengsten afkomstig uit eigen misdrijf, te weten belastingfraude. Het hof heeft in dit verband opgemerkt dat het omvangrijke onderzoek in deze strafzaak geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van verdachte bij enig ander misdrijf.

De ontnemingsvordering berust – blijkens het (aanvullend) ontnemingsrapport – op de methode van de eenvoudige kasopstelling en ziet op de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 november 2008. Die periode is langer dan de door het gerechtshof Amsterdam bewezen verklaarde periode in de onderliggende strafzaak. Gelet op die veroordeling voor witwassen, een misdrijf dat met een geldboete van de vijfde categorie wordt bedreigd, en het strafrechtelijk financieel onderzoek waaruit is gebleken dat veroordeelde jarenlang meer uitgaven heeft gedaan dan hij inkomsten heeft genoten, is de grondslag van de ontnemingsvordering artikel 36e lid 3 Sr. De rechtbank dient te beoordelen of aannemelijk is dat genoemd misdrijf of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gehad en, zo ja, hoeveel.

Ter terechtzitting heeft de raadsman, zoals aangekondigd in zijn conclusie van dupliek, betoogd dat het antwoord op die vraag ‘nee’ is. Volgens de verdediging moet het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil worden gesteld, omdat uit de vaststelling van het gerechtshof Amsterdam dat veroordeelde uit belastingfraude afkomstige opbrengsten heeft witgewassen niet volgt dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman gewezen op recente jurisprudentie: ECLI:NL:HR:2016:2718 en ECLI:NL:RBAMS:2017:1658.

In reactie daarop heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bij een eenvoudige kasopstelling niet relevant is welke strafbare feiten ten grondslag liggen aan de vordering. In deze ontnemingsprocedure vormt de veroordeling voor witwassen de grondslag en is vastgesteld dat er vermenging heeft opgetreden. Het is aan de verdediging om duidelijkheid te verschaffen over welk deel niet wederrechtelijk is verkregen. Artikel 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) levert in dit verband geen probleem op. Bovendien is veroordeelde ook veroordeeld voor wapenbezit, aldus steeds de officier van justitie.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil moet worden gesteld. De Hoge Raad heeft namelijk al enkele keren geoordeeld dat voorwerpen van (bewezen verklaard) witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.1 Dat veroordeelde goederen en gelden – die volgens het hof uit eigen misdrijf afkomstig waren – heeft witgewassen, wil nog niet zeggen dat hij door dat witwassen voordeel in de zin van vermogensvermeerdering heeft genoten. Het witwassen bestond er blijkens het arrest van het hof in dat veroordeelde voorwerpen voorhanden had en geld uitgaf. In deze ontnemingsprocedure is niet van een andere wijze van witwassen gebleken. Gelet hierop is onvoldoende vast komen te staan dat veroordeelde door het witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Voor zover de ontnemingsvordering zou berusten op andere strafbare feiten, in het bijzonder ten aanzien van de periode van 1 januari 1998 tot 14 december 2001, neemt de rechtbank het oordeel van het hof daarover als uitgangspunt. In het arrest van 26 februari 2016 oordeelt het hof dat veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan belastingfraude. Dat hij daardoor op geld waardeerbaar voordeel heeft genoten staat vast, maar doet niet ter zake omdat artikel 74 Awr bepaalt dat bij fiscale delicten artikel 36e Sr geen toepassing vindt.

Kortom, niet aannemelijk is geworden dat het witwassen in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008 of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat veroordeelde daadwerkelijk enig op geld waardeerbaar voordeel heeft verkregen, anders dan een voordeel uit fiscale misdrijven waarop de ontnemingsprocedure niet van toepassing is.

Om die reden komt de rechtbank tot de volgende beslissing. Stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF