Vrijspraak voor verduistering: geld is door lening aan de verdachte gaan toebehoren

Rechtbank Noord-Holland 1 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1249

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de Verdachte ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde diefstal en verduistering van de sieraden van haar moeder, benadeelde 5. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat er een geldige klacht is, waarin is aangegeven dat het slachtoffer strafrechtelijke vervolging van haar dochter wenst. In het betreffende proces-verbaal ‘ontvangst klacht’ wordt immers verwezen naar een bijlage die ontbreekt. Voor zover er al een klacht is ingediend, moet deze ook als weer ingetrokken worden beschouwd nu aangeefster een brief heeft geschreven waarin zij aangeeft dat zij niet wil dat de Verdachte gestraft wordt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat hij ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Op 30 mei 2023 heeft de moeder van de Verdachte aangifte gedaan en op dezelfde dag heeft zij ook een klacht ingediend tegen de verdachte. De brief waar de raadsman naar verwijst is niet gedateerd en, gelet op de inhoud ervan, vermoedelijk bij het Openbaar Ministerie binnengekomen na het politieverhoor van de Verdachte van 28 juni 2023. Deze brief is op 11 juli 2023 aan het dossier toegevoegd. De termijn van acht dagen om de klacht in te trekken was toen al ruimschoots verstreken. Daar komt nog bij dat benadeelde 5 in haar brief niet ondubbelzinnig aangeeft dat zij niet wil dat er vervolging wordt ingesteld tegen de Verdachte en dat zij haar aangifte wenst in te trekken. Zij geeft uitsluitend aan dat zij niet wil dat de Verdachte gestraft wordt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt over het door de raadsman gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer het volgende.

Sieraden van de moeder van de verdachte

De rechtbank stelt om te beginnen vast dat de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten misdrijven betreffen die alleen op klacht kunnen worden vervolgd (‘klachtdelicten’). Dit volgt uit de artikelen 64, 316 en 324 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In het proces-verbaal van 30 mei 2023 (op pagina 12 van het procesdossier) getiteld ‘ontvangst klacht door hulpofficier van justitie’ heeft de verbalisant opgenomen dat hij op die dag een mondelinge klacht heeft ontvangen van benadeelde 5 terzake het zonder toestemming naar het goudwisselkantoor brengen van sieraden. Ook staat in dit proces-verbaal vermeld dat zij uitdrukkelijk verzoekt om vervolging in te stellen tegen de verdachte. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een klacht. In genoemd proces-verbaal staat ook vermeld dat de klaagster is medegedeeld dat zij binnen acht dagen de klacht kan intrekken. Het is de rechtbank niet gebleken dat benadeelde 5 dit heeft gedaan. De ongedateerde handgeschreven verklaring van benadeelde 5 (waarin zij schrijft dat zij wil dat de Verdachte niet gestraft wordt) maakt dat niet anders, omdat in diezelfde verklaring wordt verwezen naar het verhoor van de Verdachte dat op 28 juni 2023 heeft plaatsgevonden. Die datum ligt ruim ná het verstrijken van de acht-dagen-termijn (zoals bedoeld in artikel 67 Sr).

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de onder 3 ten laste gelegde diefstal van de sieraden van haar moeder.

Sieraden van de vader van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken volgt dat, anders dan in de tenlastelegging is vermeld, de sieraden die onder 4 ten laste zijn gelegd toebehoorden aan de vader van de Verdachte en van hem zijn afgenomen. Op grond van de artikelen 316 en 324 Sr vindt vervolging uitsluitend plaats wanneer degene tegen wie het misdrijf is gepleegd een klacht indient tegen de verdachte. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vader van de Verdachte uitdrukkelijk verzocht heeft om tot vervolging van de Verdachte over te gaan.

De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1, 3 en 4 (partieel) ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie aangevoerd dat alleen de diefstal van de ketting wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voor het overige dient de Verdachte te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de Verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dat oordeel is gekomen.

Vast staat dat de Verdachte van de aangevers benadeelde 1, benadeelde 2 en benadeelde 3 en benadeelde 4 één of meer geldbedragen heeft geleend. In totaal heeft de Verdachte in de periode van januari 2022 tot en met 14 april 2022 een bedrag van ruim €60.000 van hen geleend. Omdat steeds sprake was van een lening, had de Verdachte het geld onder zich anders dan door een misdrijf. Zij had het geld dus rechtmatig onder zich.

De Verdachte heeft het geld geleend om het op haar beurt uit te geven (en dus “als heer en meester” over het geld te beschikken), onder de verplichting van terugbetaling van een gelijk bedrag (en dus niet dezelfde geldstukken of bankbiljetten). Dit wordt ook wel verbruikleen genoemd. Omdat het geld door de aangevers aan de Verdachte in verbruikleen is gegeven, behoort het geld in beginsel niet meer aan hen toe. Dat zou anders kunnen zijn als de aangevers het geld aan de Verdachte hadden uitgeleend voor een bepaald doel (doelbinding) en zij dat geld voor een ander doel had gebruikt, of indien teruggave van het geld door de Verdachte onmogelijk was gemaakt of aanmerkelijk was bemoeilijkt. Maar daarvan is geen sprake. Uit de verklaringen van de aangevers en de Verdachte volgt dat zij met elkaar hebben gesproken over waar de Verdachte het geld voor nodig had (vanwege haar echtscheiding dan wel om het naar Amerika te sturen), maar zij hebben niet afgesproken dat de Verdachte het geld alleen daarvoor, of voor een ander specifiek doel, mocht gebruiken. Bovendien heeft de Verdachte verklaard dat zij het geld, of daarvan gekochte cadeaukaarten, naar Amerika heeft gestuurd. Dit alles leidt tot de conclusie dat het geleende geld niet meer aan aangevers toebehoort. Van verduistering in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht is daarom geen sprake.

Partiële vrijspraak diefstal van de ketting (feit 3)

De rechtbank stelt op basis van het pandbewijs vast dat de weggenomen ketting op 16 of 17 augustus 2022 verpand is. De diefstal moet dus vóór die datum gepleegd zijn. Aangezien de diefstal van de ketting daarmee ver buiten de ten laste gelegde periode gepleegd moet zijn, dient de Verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Feit 2

Kwetsbaarheid en wetenschap

De rechtbank stelt vast dat gemachtigde in de aangifte die zij doet namens haar broer benadeelde 1 (hierna: benadeelde 1), vermeldt dat benadeelde 1 een verstandelijke beperking heeft waarvan de Verdachte volgens haar op de hoogte is. Uit de aangifte en uit de verklaring van de Verdachte ter terechtzitting blijkt dat de Verdachte en benadeelde 1 zo’n twintig jaar collega’s zijn geweest en elkaar al zolang kennen. Gedurende deze twintig jaar heeft benadeelde 1 meerdere ernstige hersenoperaties moeten ondergaan. De Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij er van op de hoogte was dat benadeelde 1 een hersentumor had gehad. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat bij benadeelde 1 sprake was van een zekere kwetsbaarheid die ook voor de Verdachte kenbaar moet zijn geweest. Dat de Verdachte zich van de kwetsbaarheid van benadeelde 1 bewust is geweest, blijkt ook uit het hiernavolgende.

Feitelijkheden en bedreiging met feitelijkheden

Dwang als bedoeld in artikel 284 Sr houdt in het door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid iemand wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Daarvan kan slechts sprake zijn indien een Verdachte door het gebruik van zo’n middel opzettelijk heeft veroorzaakt dat een slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld.

Feitelijkheden zijn in het algemeen alle handelingen die niet onder ‘geweld’ vallen. Wel moeten deze handelingen van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kan bieden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Verdachte op de avond van 8 februari 2022, zonder kenbare aanleiding, benadeelde 1 in zijn woning opzoekt. Dat is opvallend, omdat er na het ontslag van de Verdachte bij de plek waar ook benadeelde 1 werkte, tot op dit moment, van enig contact tussen beiden geen sprake was. Benadeelde 1 heeft om 22.22 uur €250 naar de Verdachte overgemaakt. Enkele dagen later, op 13 februari 2022, stond de Verdachte nogmaals voor de deur en heeft benadeelde 1 weer €250 overgemaakt. De Verdachte gaf hierbij aan dat zij het gehele bedrag binnen één week zou terugbetalen.

Na deze twee betalingen in februari 2022, komt de Verdachte vanaf 30 maart 2022 zeer frequent bij benadeelde 1 thuis, ook op ongebruikelijke tijdstippen, waarna steevast hoge geldbedragen worden overgeschreven naar de bankrekening van de verdachte. Op 5 april 2022 is de Verdachte zelfs twee keer bij benadeelde 1 langsgegaan: omdat de betaling in de ochtend niet was geslaagd, kwam de Verdachte in de avond nogmaals langs. Uit de whatsapp-berichten tussen de Verdachte en benadeelde 1 blijkt dat benadeelde 1 duidelijk maakt dat hij geen geld meer wil overmaken naar de Verdachte en ook dat hij reeds vanaf de eerste betalingen meerdere malen vraagt wanneer hij zijn geld van de Verdachte terugkrijgt. Niet blijkt dat de Verdachte iets doet met deze signalen van benadeelde 1. Integendeel, zij blijft bij benadeelde 1 langskomen om meer geld van hem te vragen. Daarbij vertelt zij benadeelde 1 meermaals dat zij in de problemen zouden komen indien benadeelde 1 geen geld over zou maken en dat benadeelde 1 zijn geld niet terug zou krijgen indien hij geen volgende overschrijving zou doen. In de korte periode van 30 maart 2022 tot en met 14 april 2022 heeft benadeelde 1, verdeeld over 18 transacties, €39.743,99 overgemaakt naar de verdachte. De Verdachte heeft niets terugbetaald.

Hoewel de rechtbank nog wil aannemen dat de eerste betalingen door benadeelde 1 aan de Verdachte vrijwillig zijn geweest, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het in elk geval vanaf 30 maart 2022 voor de Verdachte kenbaar moet zijn geweest dat benadeelde 1 geen betalingen (meer) wilde verrichten. Dit heeft de Verdachte er echter niet van weerhouden om door te gaan met haar gedrag en in een betrekkelijk korte periode een zeer groot geldbedrag van hem afhandig te maken.

Het ontbreken van enige aanleiding voor het opnemen van contact met benadeelde 1, het grote aantal bezoeken in korte tijd, de dreiging dat er problemen zouden volgen, het negeren van signalen van benadeelde 1 dat hij niet wilde betalen, heeft er naar het oordeel van de rechtbank bij benadeelde 1 onder de gegeven omstandigheden toe geleid dat hij een zodanige psychische druk ervoer dat hij hier geen weerstand aan kon bieden en daarom is doorgegaan met betalen. De omstandigheid dat de Verdachte keer op keer in korte tijd benadeelde 1 met succes om geld vroeg en de ongerijmdheid dat iemand in een zeer korte tijd vrijwel al zijn geld aan een ander uitleent zonder enig voordeel, duidelijkheid over (de termijn van) terugbetaling, garanties, bevestigt dat het niet anders kan zijn dan dat de Verdachte zich dit heeft gerealiseerd en in haar eigen voordeel heeft misbruikt.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: een ander door een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd.

  • Feit 3: diefstal.

Strafoplegging

  • Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar.

  • Taakstraf van 180 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^