Vrijspraak voor feitelijk leiding geven aan opzettelijk inleveren van onjuiste invoeraangiften en inkoopfacturen

Rechtbank Overijssel 27 november 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4789

Aanleiding onderzoek Belastingdienst/FIOD: e-commercefraude

Door de Belastingdienst/FIOD wordt sinds januari 2017 onderzoek gedaan naar de invoer van goederen uit China die na invoer worden verkocht via online platforms, zoals Amazon en eBay. Deze handel wordt aangeduid met de term ‘e-commerce’. Uit controles van de Nederlandse Douane en Belastingdienst blijkt dat deze handel gevoelig is voor fraude op het gebied van de af te dragen omzetbelasting (invoer-btw) en invoerrechten.

In november 2018 is besloten om onder de Naam ‘Mahonie’ een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de douane-expediteur bedrijf 1 B.V. (hierna: bedrijf 1) en het fiscaal advieskantoor bedrijf 5 B.V. Dit kantoor handelde tot 15 februari 2018 onder de Naam bedrijf 5 B.V. (hierna: bedrijf 5).

Verdachte was in de periode van de tenlastegelegde feiten directeur (alleen/zelfstandig bevoegd) van bedrijf 1.

Analyse door de Belastingdienst/FIOD leidde tot de verdenking dat bedrijf 1 en bedrijf 5 door het hanteren van een schijnconstructie het mogelijk hebben gemaakt dat Chinese ondernemingen via online platforms goederen verkochten zonder dat op enig moment de verschuldigde invoer-btw over die goederen werd afgedragen.

In de periode van maart 2017 tot en met april 2018 verzorgde bedrijf 1 als douane-expediteur de inklaring van goederen die werden aangeleverd door de consolidator (groupagevervoerder) bedrijf 6 (hierna: bedrijf 6). Onderdeel van de dienstverlening van bedrijf 1 was het doen van de aangifte ten invoer (de Geautomatiseerde Periodieke Aangifte: ‘GPA’). In deze maandelijkse aangifte worden zowel de douanerechten als de omzetbelasting over de ingevoerde goederen aangegeven. De GPA van bedrijf 1 had onder meer betrekking op goederen van de importeurs bedrijf 2 (hierna: bedrijf 2), bedrijf 3 (hierna: bedrijf 3) en bedrijf 4 (hierna: bedrijf 4).

Op aanvraag van de algemeen fiscaal vertegenwoordiger van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4, heeft de Belastingdienst voor deze rechtspersonen een vergunning afgegeven om bij invoer van goederen de verleggingsregeling ex artikel 23 Wet OB 1968 toe te mogen passen.1

In de in de tenlastelegging onder 1 en 2 genoemde invoeraangiften heeft bedrijf 1 de verschuldigde omzetbelasting op nihil gezet, met een beroep op de verleggingsregeling ex artikel 23 Wet OB. De verschuldigde invoer-btw werd daarmee verlegd naar de eerstvolgende maand-/kwartaalaangiften omzetbelasting van deze importeurs.

Vervolgens heeft bedrijf 5 de maand- en kwartaalaangiften omzetbelasting van deze importeurs verzorgd.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Met betrekking tot de feiten 1 en 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat sprake is van een intellectuele valsheid in de genoemde invoeraangiften. Bedrijf 1 heeft bewust de verleggingsregeling ten onrechte toegepast, aangezien Verdachte wist dat niet aan de voorwaarden voor het toepassen van deze regeling werd voldaan. Desondanks zijn de invoeraangiften door bedrijf 1 ingediend bij de Douane en Verdachte heeft aan deze gedraging feitelijke leiding gegeven.

Met betrekking tot feit 3 stelt de officier van justitie dat bedrijf 1 ter onderbouwing van de invoeraangiften gebruik heeft gemaakt van vijf valse inkoopfacturen. Door middel van deze facturen is voorgewend dat de ingevoerde goederen eigendom waren van de importeurs, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig de overgelegde schriftelijke toelichting en pleitnota integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende, verkort weergegeven, aangevoerd.

Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de verdediging aangevoerd dat de door bedrijf 1 bij de Douane ingediende invoeraangiften niet onjuist of vals zijn. Bedrijf 1 mocht tot het moment van intrekking van de artikel 23-vergunningen door de Belastingdienst de verleggingsregeling toepassen. De invoeraangiften kunnen om die reden geen (intellectuele) valsheid inhouden.

Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat een geconsolideerde invoice behorend bij een pre-alert, waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen, geen inkoop-factuur is. Niet bewezen is derhalve dat bedrijf 1 gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste (inkoop)facturen en dat Verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Daarnaast heeft de verdediging nog aangevoerd dat bedrijf 1 niet als dader van de verweten gedragingen kan worden aangemerkt en dat bedrijf 1 geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op die gedragingen.

Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat Verdachte geen feitelijke leiding heeft gegeven aan de verweten gedragingen.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Onder 1 is primair aan Verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van het opzettelijk gebruikmaken van elf valse invoeraangiften op Naam van bedrijf 2, vijf valse invoeraangiften op Naam van bedrijf 3 en één valse invoer-aangifte op Naam van bedrijf 4.

Deze invoeraangiften zouden vals zijn omdat in die aangiften een te laag, in elk geval onjuist bedrag aan omzet, belastbaar bedrag en/of te betalen belasting is opgegeven, doordat de verleggingsregeling ex artikel 23 Wet OB telkens ten onrechte is toegepast.

De invoeraangiften zijn in de periode van 10 april 2017 tot en met 23 april 2018 door bedrijf 1 bij de Douane ingediend.

(a) Is de verleggingsregeling ex art. 23 Wet OB ten onrechte toegepast?

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of in de tenlastegelegde invoeraangiften de verleggingsregeling ex artikel 23 Wet OB ten onrechte is toegepast.

De rechtbank beantwoordt deze vraag als volgt.

  • Ten aanzien van de invoeraangifte over maart 2017 betrekking hebbend op bedrijf 2

De Belastingdienst heeft per brief d.d. 3 april 2017 een vergunning verleend voor het toepassen van de verleggingsregeling voor de omzetbelasting op de invoer van goederen door bedrijf 2. In de brief is vermeld dat de douane met ingang van 4 april 2017 geen omzetbelasting meer zal heffen bij de invoer van goederen die zijn bestemd voor bedrijf 2 en dat bedrijf 2 deze omzetbelasting vanaf de genoemde datum zelf op aangifte moet voldoen.

Uit het dossier blijkt dat de invoeraangifte over maart 2017, betrekking hebbend op bedrijf 2, is ingediend op 10 april 2017. In deze invoeraangifte is de verleggingsregeling toegepast, terwijl de vergunning pas geldig was vanaf 4 april 2017.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verleggingsregeling in de invoeraangifte over maart 2017, op Naam van bedrijf 2, ten onrechte is toegepast. In deze invoeraangifte is een te laag bedrag aan te betalen belasting opgegeven.

  • Ten aanzien van de overige invoeraangiften betrekking hebbend op bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4

Uit het dossier blijkt dat bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4 in de maanden waar de overige invoeraangiften op zien in het bezit waren van een geldige verleggingsvergunning ex artikel 23 Wet OB.

De rechtbank overweegt dat de achterliggende gedachte van artikel 23 Wet OB niet alleen meebrengt dat de ondernemer die de invoer verricht de verschuldigd geworden omzetbelasting op de eerstvolgende aangifte OB voldoet, maar ook dat deze ondernemer ofwel de goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten heeft betrokken uit een derde land, ofwel de goederen ten tijde waarop zij Nederland binnenkomen gebruikt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten (het zogenaamde bestemmingsvereiste).

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat dat de ingevoerde goederen níet gebruikt zijn in het kader van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4. Deze ondernemingen zijn in de handelsketen tussen de resellers in China en de diverse afnemers in Europa opgenomen (‘er tussen geschoven’), zonder dat dit enige reële economische betekenis had. Aldus werd gepretendeerd dat de goederen bestemd waren voor deze ondernemingen terwijl dat in werkelijkheid niet zo was; de Chinese resellers hebben beoogd te verhullen dat zij feitelijk slechts hun voorraad verplaatsten naar Europa. Dit betekent dat – achteraf bezien – niet voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de verleggingsregeling en dat de overige invoeraangiften om deze reden onjuist zijn. In deze aangiften is een te laag bedrag aan te betalen belasting opgegeven.

(b) Kan bedrijf 1 als dader worden aangemerkt?

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of bedrijf 1 als dader van de verweten gedragingen kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt als de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon toegerekend kan worden. Die toerekening is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden zich voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;

  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;

  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Bedrijf 1 droeg als douane-expediteur zorg voor alle douaneformaliteiten bij de in- en uitvoer van goederen van/naar buiten de EU in opdracht van verschillende cliënten. Het indienen van de tenlastegelegde invoeraangiften behoorde tot de activiteiten in het kader van een normale bedrijfsvoering van bedrijf 1 en is daarnaast dienstig geweest in het door bedrijf 1 uitgeoefende bedrijf.

Op grond van deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen in de sfeer van bedrijf 1 hebben plaatsgevonden en dat deze aan haar kunnen worden toegerekend.

(c) Heeft bedrijf 1 opzet gehad op het gebruikmaken van de valse invoeraangiften?

Voor een bewezenverklaring van het gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr, is vereist dat de gebruiker het geschrift aanwendt als middel tot misleiding van degene jegens wie hij van het geschrift gebruik maakt en jegens wie hij zich dus gedraagt alsof dat geschrift echt en onvervalst is. De gebruiker moet tenminste voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik maken van het geschrift als ware het echt en onvervalst én op het valse karakter van het geschrift.

Onder bepaalde omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Voor het opzet van een rechtspersoon is echter niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

De rechtbank overweegt als volgt.

  • Ten aanzien van de invoeraangifte over maart 2017, betrekking hebbend op bedrijf 2

Uit het dossier blijkt het volgende:

  • op 2 maart 2017 heeft Naam 1 (hoofd van de compliance afdeling van bedrijf 5) aan bedrijf 1, in de personen van Naam 2 (medewerker customer services van bedrijf 1) en verdachte, bericht dat bij invoer van goederen btw moet worden betaald, totdat de vergunning ex artikel 23 Wet OB is verleend. Deze btw kan dan in de eerstvolgende aangifte OB teruggevorderd worden;

  • op 4 april 2017 heeft Naam 3 (medewerker van de compliance afdeling van bedrijf 5), voornoemde Naam 2 geïnformeerd dat de vergunning ex artikel 23 Wet OB voor bedrijf 2 verleend is. De vergunning, inhoudende dat de douane vanaf 4 april 2017 bij invoer van voor bedrijf 2 bestemde goederen geen btw meer zal heffen, was als bijlage bij de e-mail gevoegd;

  • op 10 april 2017 heeft Naam 4 (werkzaam als declarant bij bedrijf 1) de invoer-aangifte voor bedrijf 2 over maart 2017 ingediend bij de Douane. In deze invoeraangifte is de verleggingsregeling toegepast, terwijl de vergunning pas geldig was vanaf 4 april 2017.

Naam 4 heeft verklaard dat hij de btw-nummers van de klanten van de sales afdeling van bedrijf 1 ontving en deze verwerkte in de invoeraangiften. Hij heeft tevens verklaard dat hij in de eerste maanden van de onderzoeksperiode wel de invoer-btw heeft ingevuld en dat hem niet bekend is dat daarbij iets fout is gegaan.

De rechtbank kan uit deze feitelijke gang van zaken en uit de verklaring van Naam 4 niet afleiden dat Naam 4, als de namens bedrijf 1 optredende natuurlijke persoon, met (voorwaardelijk) opzet een onjuiste invoeraangifte heeft opgemaakt en ingediend bij de Douane.

Dit opzet kan evenmin worden afgeleid uit het beleid van bedrijf 1. Dat beleid was juist gericht op compliance met de geldende fiscale en douaneregels.

Uit de hierboven beschreven feitelijke gang van zaken kan wel afgeleid worden dat de interne communicatie binnen bedrijf 1 over de verleggingsvergunning van bedrijf 2 te wensen over heeft gelaten (in de zin dat Naam 4 ingelicht had moeten worden over het feit dat de verleggingsregeling in de maand maart 2017 nog niet toegepast mocht worden). Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor de vaststelling dat bedrijf 1 (tenminste) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat een onjuiste invoeraangifte werd ingediend bij de Douane.

  • Ten aanzien van de overige invoeraangiften betrekking hebbend op bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4

Hiervóór heeft de rechtbank vastgesteld dat de overige invoeraangiften vals (want onjuist) zijn, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de ingevoerde goederen zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4. De verleggingsregeling is dus telkens ten onrechte toegepast.

Dat de ingevoerde goederen niet in het kader van de bedrijfsactiviteiten van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4 zijn gebruikt en de invoeraangiften derhalve onjuist zijn, is achteraf gebleken naar aanleiding van de resultaten van SCAC-verzoeken van de Belastingdienst aan andere EU-lidstaten en onderzoek naar derden. Hieruit bleek dat de btw-nummers van ondernemingen aan wie bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4 de goederen op papier doorverkochten misbruikt werden; er was in werkelijkheid niet verkocht aan die bedrijven. Uit het onderliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter níet dat de namens bedrijf 1 handelende natuurlijke personen, inclusief verdachte, zich ten tijde van het indienen van de aangiften ervan bewust waren dat bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4 tussengeschoven entiteiten zonder reële (handels)functie betroffen, en dus evenmin dat zij tenminste voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik maken van de invoeraangiften als waren deze echt en onvervalst én op het valse karakter van die aangiften.

In de eerste plaats valt uit het dossier niet af te leiden dat Verdachte en/of betrokken werknemers van bedrijf 1 van meet af aan ervan op de hoogte waren dat er door de Chinese resellers door middel van het tussenschuiven van entiteiten een papieren handelsschakel werd gecreëerd zonder enig economisch realiteitsgehalte. Aan de door de officier van justitie aangehaalde e-mail van Verdachte van 8 januari 2017 aan adviseurs van bedrijf 7 N.V., waarin Verdachte een casus beschrijft waarin een bedrijf goederen ‘koopt’ van diverse klanten uit China, kan dat niet worden ontleend, alleen al omdat niet duidelijk is of de e-mail in dezelfde context is bedoeld, maar ook omdat Verdachte in diezelfde e-mail schrijft dat het betreffende bedrijf in de geschetste casus (tijdelijk) eigenaar wordt. Dit duidt erop dat Verdachte veronderstelde dat de goederen wel degelijk bestemd zouden zijn voor het bedrijf.

Ten tweede overweegt de rechtbank dat, hoewel de documentatie die door bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4 respectievelijk bedrijf 6 aan bedrijf 1 werd geleverd ter substantiëring van de transacties te wensen overliet, dit nog niet maakt dat (de werknemers van) bedrijf 1 bewust de aanmerkelijke kans heeft/hebben aanvaard dat sprake was van een schijnwerkelijkheid. Ook het beleid van bedrijf 1 en de feitelijke gang van zaken binnen bedrijf 1 kunnen niet tot dat oordeel leiden.

Nu niet bewezen is dat bedrijf 1 (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gebruikmaken van valse invoeraangiften, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of Verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verweten gedragingen.

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan Verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd.

Feit 1 subsidiair

Onder 1 is subsidiair aan Verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van opzettelijk indienen van onjuiste bij de belastingwet voorziene aangiften, in de vorm van de maandaangiften ten invoer ten behoeve van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4.

De vraag is of de ‘aangiften ten invoer’ vallen binnen het bereik van ‘de belastingwet’, zoals bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

De rechtbank overweegt dat het opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte strafbaar is gesteld in artikel 69 AWR. De basis voor de heffing van invoer-btw is de Wet OB 1968. Uit de artikelen 1 onder d, 18, 19 en 22 lid 1 van de Wet OB 1968 volgt voorts dat invoer-btw wordt geheven overeenkomstig het douanerecht. De heffing van belastingen bij invoer is echter niet geregeld in het nationale douanerecht, maar uitsluitend in recht van de Europese Unie. Gelet op het feit dat de werkingssfeer van ‘de belastingwet’ in de zin van de AWR is beperkt tot nationale wetgeving, is de rechtbank van oordeel dat de ‘aangiften ten invoer’ niet binnen het bereik van ‘de belastingwet’ vallen.

De rechtbank komt, gezien het vorenstaande, tot het oordeel dat het bestanddeel ‘bij de belastingwet voorziene aangifte(n)’ niet kan worden bewezenverklaard.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Feit 1 meer subsidiair

Onder 1 meer subsidiair is aan Verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van overtreding van artikel 10:5, lid 2 van de Algemene Douanewet (hierna: ADW). Dit betreft het opzettelijk onjuist doen van een ingevolge de Douanewetgeving vereiste aangifte.

Uit dat artikel volgt dat vereist is dat het opgeven van onjuiste of onvolledige aangiften ertoe strekt dat te weinig ‘rechten bij invoer’ worden geheven. De vraag is of invoer-btw kan worden geschaard onder het begrip ‘rechten bij invoer’. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij invoer van goederen van buiten de EU dient invoer-btw te worden geheven over de douanewaarde van de in te voeren goederen en ook over de invoerrechten die moeten worden betaald. Met andere woorden, de ‘rechten bij invoer’ maken deel uit van de belastbare grondslag van de te innen invoer-btw en omvatten niet de invoer-btw.6 Dit betekent dat niet kan worden bewezenverklaard dat het doen van onjuiste of onvolledige aangiften ten invoer ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Onder 2 is aan Verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van overtreding van artikel 10:5, lid 1 ahf/sub a ADW. Dit betreft het onjuist doen van een ingevolge de Douanewetgeving vereiste aangifte en is een overtreding (waarvoor geen opzet is vereist).

Zoals hiervoor is overwogen, kan bewezen verklaard worden dat de ten laste gelegde invoeraangiften onjuist zijn.

Bedrijf 1 dient in dit verband als dader te worden aangemerkt.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of Verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van de indiening van de onjuiste invoeraangiften.

Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat Verdachte ten tijde van het strafbare feit bestuurder van bedrijf 1 was, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan dat door bedrijf 1 begane strafbare feit. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de Verdachte gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de Verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven gesproken kan worden. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de Verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen.7

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat Verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de indiening van de onjuiste invoeraangiften ten behoeve van bedrijf 2, bedrijf 3 en bedrijf 4.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat Verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.

Ten aanzien van de invoeraangifte over maart 2017 betrekking hebbend op bedrijf 2 staat vast dat op dat moment nog geen vergunning ex art. 23 Wet OB was verleend. Uit het dossier blijkt dat Naam 2 op 4 april 2017 werd geïnformeerd dat de vergunning op die datum verleend was. Uit het dossier valt niet af te leiden dat Verdachte daarmee ook bekend was.

Ten aanzien van de overige invoeraangiften zij verwezen naar hetgeen de rechtbank hiervoor in verband met de vraag of bedrijf 1 opzet heeft gehad op de onjuistheid van die aangiften heeft overwogen met betrekking tot de rol en de wetenschap van verdachte.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Onder 3 is aan Verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake van het gebruikmaken van valse of vervalste inkoopfacturen, behorend bij een vijftal pre-alerts.

Uit het dossier blijkt dat bedrijf 1 van de zendingen die ten invoer aangegeven moesten worden een e-mail ontving van bedrijf 6 met een overzicht van de verzonden goederen: de zogenaamde ‘pre-alerts’. Deze pre-alerts vormden de basis voor de invoeraangiften die door Naam 4 bij de Douane zijn ingediend. De pre-alerts betreffen Excel-overzichten met vijf tabbladen. Het tabblad ‘invoice’ betreft een overzicht waarin informatie (aantallen goederen, stuksprijs, et cetera) is weergegeven van geconsolideerde facturen (invoices). Dit tabblad is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aan te merken als inkoopfactuur, zoals ten laste is gelegd.

De rechtbank heeft geen onderliggende inkoopfacturen (commercial invoices) in het dossier aangetroffen die behoren bij de onder feit 3 vermelde pre-alerts.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank verklaart niet bewezen dat Verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, het onder 2 en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Samenhangende zaken:

Print Friendly and PDF ^