Vrijspraak voor belastingambtenaar van o.a. feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting dan wel aan het plegen van oplichting dan wel medeplichtigheid hieraan, aan het vervalsen van facturen en het zich laten omkopen

Rechtbank Breda 12 december 2012, LJN BY5915 Ontvankelijkheid OvJ

De verdediging heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht (LJN BY3536), verzocht het OM niet-ontvankelijk te verklaren:

Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een reeds lopend strafrechtelijk onderzoek waarin mededader en NV 1 als verdachten zijn aangemerkt. De verdediging is van mening dat het onderzoek niet voldoende is uitgerechercheerd om te spreken van een redelijk vermoeden van schuld ex art. 27 Sv ten aanzien van mededader en NV 1. De verdenking was onvoldoende om op dat moment een boekenonderzoek te starten en over te gaan tot doorzoekingen.

Op basis van de verklaring van mededader en mededader 2 en het tonen van een foto zou vervolgens een redelijk vermoeden van schuld zijn ontstaan ten aanzien van verdachte. Naar de mening van de verdediging kan, bij gebrek aan fundamentele gegevens, de grondslag en de loop van die verdenking niet gecontroleerd worden, waardoor het recht van verdachte op een eerlijke behandeling zoals bedoeld in art. 6 EVRM onherstelbaar is geschonden.

Daarnaast is naar de mening van de verdediging sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het OM heeft mededader 2 een transactievoorstel gedaan. Ondanks herhaalde verzoeken ex art. 36 Sv is verdachte nooit een transactie aangeboden. De verdediging concludeert dat het OM eenzijdig en ten nadele van de rechten van verdachte op een gelijke behandeling en een eerlijk proces ex art. 6 EVRM heeft gehandeld.

Ten slotte is in het kader van de ontvankelijkheid aangevoerd dat van vervolging binnen een redelijke termijn niet meer kan worden gesproken. De verdediging is van mening dat sprake is van een onredelijke, aan het OM toe te rekenen vertraging van het onderzoek en de procesgang, hetgeen niet-ontvankelijkheid van het OM tot gevolg moet hebben.

In de visie van de verdediging is ieder hiervoor genoemd element afzonderlijk al voldoende om het OM niet-ontvankelijk te verklaren en is dat zeker het geval indien de elementen in samenhang worden bezien.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De door de verdediging genoemde omstandigheden op grond waarvan de rechtbank zou moeten oordelen dat het OM in deze zaak niet-ontvankelijk moet worden verklaard, vormen voor de rechtbank geen grond daartoe te besluiten.

De verwijten ten aanzien van de aanvang van het onderzoek tegen mededader, NV 1 en mededader 3, raken verdachte niet. Hij is daardoor niet in zijn verdediging geraakt. In de zaken tegen die verdachten waren er bovendien ruimschoots feiten en omstandigheden aanwezig om een redelijk vermoeden van schuld jegens die verdachten daarop te baseren.

De verdenking tegen verdachte is niet alleen gebaseerd op de door mededader 2 getoonde foto. Hetgeen voor het tonen van die foto was onderzocht, vormde die verdenking reeds en het tonen van de foto vormde het sluitstuk om zekerheid te verkrijgen. De tot dat moment bekende feiten en omstandigheden waren zodanig dat het redelijk vermoeden van schuld kon worden aangenomen.

De vergelijking tussen de positie van mededader 2 en die van verdachte gaat mank, gelet op de bekennende houding van mededader 2 en de in elk opzicht ontkennende houding van verdachte. In de aan mededader 2 aangeboden en door hem geaccepteerde transactie ligt dan ook geen grond voor niet-ontvankelijkheid.

Alle personen die op basis van een redelijk vermoeden van schuld als verdachte konden worden aangemerkt zijn als verdachte aangemerkt en, met uitzondering van verdachte 4, ook vervolgd. Hetgeen in het dossier omtrent diens gezondheid is opgenomen, maakt de beslissing tot niet vervolging ten aanzien van hem redelijk en begrijpelijk.

Er is gelegenheid gegeven om al die personen bij wie door de verdediging een verdenking werd geformuleerd, te ondervragen, soms mede op initiatief van de rechtbank of het Openbaar ministerie voor wat betreft de getuige 1. Aldus is in voldoende mate de gelegenheid geboden om hen over hun mogelijke rol bij de feiten waarvan verdachte wordt verdacht, te ondervragen.

Op grond van art. 6, eerste lid, EVRM dient een verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis wordt gewezen, behoudens het geval dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden zal afhangen van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval is dit de aanhouding van verdachte geweest op 29 november 2005, waarna hij is gehoord. Vastgesteld moet worden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaar.

De rechtbank is van oordeel, in het bijzonder gelet op de omvang van het onderzoek en de omstandigheid dat in de zaak van verdachte en zijn medeverdachten nog een aantal getuigen is gehoord door de rechter-commissaris, dat de duur van de overschrijding niet dermate is dat dit de niet-ontvankelijkheid van het OM met zich mee zou moeten brengen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is regel dat een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf en niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

De uitspraak van de rechtbank Utrecht maakt vorenstaande niet anders.

Gelet op vorenstaande wordt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar ministerie verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Standpunt OvJ

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten, te weten feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3, feit 4, feit 5 primair en feit 6 heeft begaan en baseert zich daarbij onder meer op bekennende verklaringen van medeverdachten, op verklaringen van getuigen, op bevindingen van verbalisanten en op de zich in het dossier bevindende aangifteformulieren omzetbelasting en facturen.

Standpunt verdediging 

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verzocht is verdachte vrij te spreken.

Het betoog van de verdediging komt er kort samengevat op neer dat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van de feiten 1 t/m 3 is slechts op basis van één verklaring, de kennelijk leugenachtige verklaring van mededader 2, een connectie gelegd tussen verdachte en NV 1. Niet uit te sluiten valt dat mededader 2, samen met getuige 2 en getuige 1 heeft getracht frauduleuze handelingen te verrichten en verdachte hiervoor te laten opdraaien.

Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte ontkend dat hij de LSD opzettelijk aanwezig heeft gehad. Tijdens een avond stappen is de enveloppe met daarin de LSD mogelijk uit de jaszak van een persoon in de auto van verdachte gevallen. Verdachte was van plan deze enveloppe af te geven hij Hotel Arena.

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 is aangevoerd dat verdachte deze feiten heeft ontkend en dat niemand belastend over hem heeft verklaard. In het dossier ontbreekt elk direct belastend bewijsmateriaal.

Oordeel rechtbank 

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5 en 6

Hetgeen de verdediging in een (soms te) uitvoerig betoog heeft aangevoerd, weerspreekt op overtuigende wijze hetgeen het OM aan de bewezenverklaring ten grondslag legt. Grote delen van wat door de verdediging is aangevoerd, vormen de gronden waarop de rechtbank tot het oordeel komt dat er wellicht wettig, maar geen overtuigend bewijs is ten aanzien van verdachte voor de feiten onder 1, 2, 3, 5 en 6.

De verdenking jegens verdachte is in hoofdzaak gebaseerd op de verklaring van mededader 2. Anderen noemen hem niet rechtstreeks. De verklaring van mededader 2 wordt slechts ondersteund door feiten en omstandigheden die op basis van verklaringen van anderen zijn aan te merken als in relatie staand tot het delict, zoals het betalen met briefjes van € 500,-- en het feit dat getuige 2 zegt dat naam en mededader 2 elkaar kennen en het feit dat getuige 1 zegt dat verdachte en mededader 2 samen in een bepaald eettentje hebben gegeten.

Het gehele dossier laat de mogelijkheid open van een scenario waarin naam door mededader 2, op basis van hem bekende of van anderen verkregen informatie, wordt aangewezen als degene die betrokken was bij de strafbare feiten waarvan naam nu wordt verdacht, zonder dat hij of een andere ambtenaar daarvoor is omgekocht.

Weliswaar moet worden geconstateerd dat verdachte een aantal keren zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht, waar wellicht een reactie geboden was geweest, terwijl hij ook een aantal zaken heeft ontkend, waarbij de ontkenning tegen beter weten in lijkt te zijn gedaan, maar dat alles is onvoldoende om de rechtbank tot een ander oordeel te doen besluiten.

Ten aanzien van de feiten 5 en 6 overweegt de rechtbank dat op de verblijfplaats/woning van verdachte een post-it memo is aangetroffen met daarop het Burger Service Nummer van de aandeelhouder van naam ltd. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij regelmatig thuis werkte en dat het zeer goed mogelijk is dat hij daarom een aantekening met daarop het BSN van de aandeelhouder van naam ltd thuis had liggen. Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank niet onaannemelijk. Voor het overige is het door de officier van justitie aangedragen bewijsmateriaal gebaseerd op vermoedens hetgeen geen wettig en overtuigend bewijs oplevert.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt verdachte vrijgesproken van de feiten 1, 2, 3, 5 en 6.

Ten aanzien van feit 4

Tijdens een doorzoeking op 1 december 2005 op het verblijfsadres van verdachte in Amsterdam is in een studieboek van verdachte een enveloppe aangetroffen met daarin een gekleurd stuk papier, verdeeld in 30 vakjes. Door het Nederlands Forensisch Instituut is hier onderzoek naar gedaan. Geconcludeerd is dat het stuk papier is verdeeld in 30 eenheden die een geringe hoeveelheid LSD, een synoniem voor lysergide, bevatten. Verdachte heeft verklaard dat hij de enveloppe in de boekenkast heeft gelegd.

Verdachte heeft ten aanzien van deze bij de doorzoeking aangetroffen LSD verder verklaard dat hij enige tijd voor de doorzoeking (1 tot 2 maanden zo leidt de rechtbank uit de afgelegde verklaringen af) de enveloppe heeft gevonden waarin later de LSD strips bleken te zitten en dat hij van plan was de enveloppe af te geven bij Hotel Arena waar zijn auto geparkeerd had gestaan toen hij de enveloppe vond. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Met het voornemen om de enveloppe af te geven strookt niet dat die enveloppe geruime tijd is bewaard en is opgeborgen in een studieboek, zoals blijkens de bevindingen van de FIOD is geschied. Verdachte heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden genoemd die zijn verklaring verifieerbaar maken. Gelet op dit oordeel heeft verdachte geen verifieerbare verklaring voor de in zijn bezittingen aangetroffen LSD gegeven en dient het ervoor gehouden te worden dat verdachte wist wat zich in zijn bezittingen bevond en kan het voorhanden hebben van deze LSD volledig aan hem worden toegerekend.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht slechts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 december 2005 in de gemeente Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 30 (dertig) trips/eenheden LSD/lysergide, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (feit 4).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Strafoplegging

Gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor een dergelijke (geringe) hoeveelheid, zou een taakstraf van 40 uur passend zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn met 5 jaar, legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op die gelijk is aan de duur van het voorarrest, te weten 17 dagen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF