Vrijspraak voor aangelegd aanwezig hebben van zendapparatuur: enkele verklaring van eigendom biedt onvoldoende bewijs
/Rechtbank Noord-Nederland 16 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:809
De economische politierechter van de rechtbank Noord-Nederland spreekt een verdachte vrij van het medeplegen van aangelegd aanwezig hebben van zendapparatuur zonder vergunning, in strijd met artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet. Op 24 oktober 2024 worden op een perceel in de gemeente Emmen radioapparaten aangetroffen, waaronder een zendmast, antennesystemen en zendversterkers, die met apparatuur op een nabijgelegen locatie zijn verbonden. De verdachte meldt zich bij de politie als eigenaar van de goederen, maar het procesdossier bevat verder onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit. De rechter oordeelt dat de enkele verklaring van eigendom onvoldoende is voor een bewezenverklaring, mede nu de verdachte op de dag van de inbeslagname in Denemarken verbleef. Over de inbeslaggenomen goederen wordt geen beslissing genomen, omdat het beslag is gelegd onder de medeverdachte en niet onder de verdachte. Het Openbaar Ministerie kondigt aan een afzonderlijke onttrekkingsvordering in te dienen op grond van artikel 36b lid 1 onder 4 Sr.
Inleiding en context
De economische politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, behandelt de strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1992. De verdachte wordt vervolgd in het kader van illegale zendapparatuur die op 24 oktober 2024 wordt aangetroffen op een perceel in de gemeente Emmen. De zaak wordt bij verstek behandeld ter terechtzitting van 2 maart 2026, waarbij de verdachte niet verschijnt maar zich laat vertegenwoordigen door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. Het betreft een zaak in eerste aanleg. De verdachte deelt een procesdossier met een medeverdachte, de eigenaar van het perceel waar de zendapparatuur wordt aangetroffen. De zaak tegen die medeverdachte is geseponeerd.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 24 oktober 2024 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, al dan niet opzettelijk, radioapparaten heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik daarvan geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet. Het gaat specifiek om een mobiele zendmast, een antennesysteem, een zogenoemde topbuis, zendversterkers, zenders, vermogensversterkers en ontvangers. De tenlastelegging is gestoeld op artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet, dat het aanleggen, aangelegd aanwezig hebben en gebruiken van radioapparaten zonder de vereiste frequentievergunning strafbaar stelt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert veroordeling voor het tenlastegelegde feit. Het Openbaar Ministerie voert aan dat op 24 oktober 2024 radioapparaten worden aangetroffen op twee locaties. Op het ene adres is apparatuur aanwezig die in gereedheid is gebracht om uit te zenden, inclusief veel reserveapparatuur. Op een perceel circa 800 meter verderop wordt een zendmast met toebehoren aangetroffen, een zogenoemde onbemande constructie. De radioapparaten op beide percelen zijn met elkaar verbonden. De officier van justitie wijst erop dat de verdachte zich op enig moment bij de politie heeft gemeld als eigenaar van de op het tweede perceel aangetroffen radioapparaten en overige goederen. Op die grond acht het Openbaar Ministerie voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van radioapparaten zonder vergunning. De officier van justitie verwijst ter context naar een mutatierapport, opgemaakt op 26 oktober 2024 door twee verbalisanten. De concrete strafeis wordt niet vermeld in de uitspraak.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak. Ten eerste voert de verdediging aan dat de verdachte op 24 oktober 2024 niet in Nederland maar in Denemarken verblijft. Ter onderbouwing hiervan worden ter terechtzitting stukken overgelegd. Ten tweede stelt de raadsman dat het feit dat de verdachte zich op enig moment bij de politie heeft gemeld en daar heeft verklaard eigenaar te zijn van de aangetroffen radioapparaten en overige goederen, niet betekent dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van die apparaten. Het dossier bevat volgens de verdediging geen bewijs van enige wetenschap bij de verdachte over wat er op 24 oktober 2024 met zijn radioapparaten door anderen is gedaan.
Ten aanzien van het beslag stelt de raadsman zich op het standpunt dat de goederen weliswaar onder de medeverdachte in beslag zijn genomen, maar dat deze aan de verdachte toebehoren. De medeverdachte heeft zelf ook verklaard niet de eigenaar te zijn. De raadsman betoogt daarnaast dat een aantal inbeslaggenomen goederen niets met radioapparatuur te maken heeft, namelijk de mobiele mast (kraanwagen), de dieseltank en het aggregaat. Deze goederen vertegenwoordigen volgens de verdediging een aanzienlijke waarde en moeten aan de verdachte worden teruggegeven.
Oordeel gerecht
De economische politierechter plaatst allereerst een vooropmerking over het procesdossier. Het eerste proces-verbaal in het dossier, opgemaakt door twee inspecteurs van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, vermeldt het parketnummer van de medeverdachte in plaats van dat van de verdachte. Het parketnummer van de verdachte staat niet op dat proces-verbaal vermeld, terwijl beide verdachten in een en hetzelfde procesdossier zijn opgenomen van in totaal 41 pagina's.
Inhoudelijk oordeelt de economische politierechter, anders dan de officier van justitie, dat op grond van de voorhanden stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechter overweegt dat uit het procesdossier volgt dat de verdachte zich op enig moment bij de politie heeft gemeld met de mededeling dat hij eigenaar is van de radioapparaten en overige goederen die op 24 oktober 2024 zijn aangetroffen op het perceel van de medeverdachte. Het exacte moment van die melding blijkt niet uit de stukken en is ook ter terechtzitting niet kunnen blijken.
Over de eigendom van het perceel overweegt de economische politierechter dat een passage in het dossier over de perceelaanduiding, waarin wordt verwezen naar het kadaster, berust op een tekstuele onduidelijkheid. De terugwijzing naar "betrokkene voornoemd" kan zowel slaan op de medeverdachte als op de verdachte. Ter terechtzitting wordt met de officier van justitie en de raadsman vastgesteld dat deze onduidelijkheid bestaat. De economische politierechter acht het niet aannemelijk dat de verdachte op 24 oktober 2024 (mede-)eigenaar was van het betreffende perceel.
Uit het verhoor van de verdachte op 7 maart 2025 blijkt dat hij verklaart te wonen op een ander adres, dat hij op 24 oktober 2024 op zijn werk in Denemarken was, dat hij op 8 november 2024 terug was in Nederland, dat alle op het perceel van de medeverdachte inbeslaggenomen goederen van hem zijn, dat hij geen aankoopbewijzen heeft en dat hij op zijn woord moet worden geloofd.
De economische politierechter concludeert dat het procesdossier onvoldoende bewijs bevat waaruit kan blijken dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De enkele verklaring van de verdachte dat de inbeslaggenomen goederen zijn eigendom zijn, is daarvoor onvoldoende.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen neemt de economische politierechter geen beslissing. Uit de kennisgeving van inbeslagname blijkt dat de radioapparatuur en samenhangende goederen onder de medeverdachte in beslag zijn genomen. Nu het beslag niet onder de verdachte is gelegd, kan in deze strafzaak geen beslissing omtrent het beslag worden gegeven. Dat de verdachte eigenaar zou zijn van (een deel van) de goederen, maakt dat niet anders. De officier van justitie heeft aangekondigd een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer te zullen indienen op grond van artikel 36b lid 1 onder 4 van het Wetboek van Strafrecht, in welke procedure de verdachte zich als belanghebbende kan stellen.
Bewezenverklaring
De economische politierechter verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd. De verdachte wordt integraal vrijgesproken.
Strafoplegging en maatregelen
Nu de verdachte wordt vrijgesproken, komt de economische politierechter niet toe aan strafoplegging. Er worden geen straffen of maatregelen opgelegd. Over het beslag wordt in dit vonnis evenmin een beslissing genomen, aangezien de goederen niet onder de verdachte in beslag zijn genomen maar onder de medeverdachte. Het Openbaar Ministerie zal een afzonderlijke onttrekkingsvordering indienen op grond van artikel 36b lid 1 onder 4 Sr.
Lees hier de volledige uitspraak.
