Vrijspraak van verduistering en veroordeling voor feitelijke leiding aan gebruik van valse voorraadlijsten en voor faillissementsfraude door een bestuurder
/Rechtbank Overijssel 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3946
De rechtbank Overijssel spreekt een bestuurder vrij van verduistering in dienstbetrekking van 769 bundels hout, omdat de fysieke goederenstroom en de beschikkingsmacht over het hout niet zijn komen vast te staan. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het gebruik van valse voorraadlijsten die het bedrijf aan ING heeft verstrekt om krediet te verkrijgen. De voorraadlijsten vermelden slechts één financierbare voorraadlocatie, terwijl de onderliggende bestanden meerdere locaties en een fictieve voorraadpost bevatten. Na het faillissement weigert de verdachte inlichtingen aan de curator te geven en voert en bewaart hij de administratie niet volgens de wettelijke verplichtingen, waardoor de afwikkeling van het faillissement wordt bemoeilijkt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden en ontzet hem voor vijf jaren uit het recht om het beroep van bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen. De vordering van ING als benadeelde partij van € 675.004,54 verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk omdat de rechtstreekse schade niet is komen vast te staan.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1976 en wonend in Oostenrijk. Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van een tussenvennootschap die sinds 30 maart 2009 bestuurder is van het bedrijf, een onderneming die zich bezighoudt met de in- en verkoop van hardhout aan bedrijven. In die constructie is de verdachte middellijk en feitelijk bestuurder van het bedrijf. Zijn toenmalige echtgenote, de medeverdachte, is bestuurder van een andere vennootschap die een onderneming aanstuurt die online hardhout en bouwmaterialen aan particulieren verhandelt.
Het bedrijf wordt op 7 november 2019 failliet verklaard, waarna een curator wordt aangesteld. De strafzaak vindt haar aanleiding in de aangifte van faillissementsfraude door de curator op 19 februari 2020 en in de aangifte van ING Bank N.V. op 30 juli 2021. De FIOD verricht onder de naam Addingham een strafrechtelijk onderzoek. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer. De verdachte verschijnt niet ter terechtzitting en laat zich vertegenwoordigen door een gemachtigde raadsman.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt vier feiten verweten. Feit 1 houdt in dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als bestuurder 769 bundels hout heeft verduisterd, strafbaar gesteld in artikel 322 in samenhang met artikel 321 Sr.
Feit 2 houdt in dat het bedrijf in de periode van 4 februari 2019 tot en met 31 oktober 2019 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse voorraadbestanden door deze aan ING toe te zenden in het kader van een bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst, en dat de verdachte hieraan feitelijke leiding heeft gegeven. Dit feit is toegesneden op artikel 225 Sr.
Feit 3 verwijt de verdachte dat hij als bestuurder van de failliete rechtspersoon in de periode van 11 november 2019 tot en met 5 december 2019 heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verschaft, strafbaar gesteld in artikel 194 Sr.
Feit 4 verwijt de verdachte dat hij als bestuurder van de failliete rechtspersoon opzettelijk niet terstond de administratie aan de curator heeft verstrekt en opzettelijk niet heeft voldaan aan de administratieplicht, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt, strafbaar gesteld in artikel 344a Sr. Bij de feiten 2, 3 en 4 is telkens ook medeplegen ten laste gelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het bij de feiten 2, 3 en 4 ten laste gelegde medeplegen en met uitzondering van een aantal van de onder feit 2 opgevoerde voorraadbestanden. Voor die documenten vordert het Openbaar Ministerie partiële vrijspraak. Het Openbaar Ministerie eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en houdt daarbij rekening met het tijdsverloop. De vordering van ING als benadeelde partij kan volgens het Openbaar Ministerie integraal worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 voert zij aan dat van toe-eigening geen sprake is, dat niet is aangetoond dat de bundels hout daadwerkelijk aanwezig waren en zijn overgedragen, en dat opzet ontbreekt.
Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat geen sprake is van valse geschriften. De voorraadlijsten zijn volgens haar aangeleverd conform de afgesproken administratieve werkwijze en in het door ING gewenste format, waarbij de automatisch gegenereerde CSV-bestanden in het Excel-format van ING zijn verwerkt. Ook op dit punt ontbreekt volgens de verdediging het opzet.
Ten aanzien van de feiten 3 en 4 voert de verdediging aan dat geen sprake is van opzet en van weigering om inlichtingen te geven. Het e-mailsysteem was zo ingericht dat e-mails periodiek en automatisch werden gewist, en de digitale verwijdering van voorraad stond los van het latere faillissement. Na het uitspreken van het faillissement had de verdachte geen toegang meer tot de volledige administratie, zodat van hem niet kon worden gevergd daarover vragen te beantwoorden. De administratie waarover hij wel beschikte heeft hij aan de curator overhandigd.
Oordeel gerecht
Bij feit 1 stelt de rechtbank vast dat in de periode van 2016 tot en met 2019 769 bundels hout door het bedrijf zijn ingekocht en dat deze op 1 oktober 2019 digitaal uit de voorraadadministratie zijn verwijderd vanaf het gebruikersaccount van de verdachte, in opdracht van de verdachte aan zijn externe systeembeheerder. Van de fysieke goederenstroom ontbreekt echter ieder spoor. De rechtbank kan niet vaststellen waar en wanneer de bundels binnen het ruime tenlastegelegde tijdvak van drie jaren feitelijk zijn geleverd en wie op welk moment de beschikkingsmacht had. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de bundels daadwerkelijk onder zich had in de zin van artikel 322 in samenhang met artikel 321 Sr. De rechtbank spreekt de verdachte van feit 1 vrij.
Bij feit 2 gaat de rechtbank uit van de bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst tussen het bedrijf en ING van 5 juni 2015. Onder financierbare voorraad valt de betaalde voorraad jonger dan twaalf maanden na inslagdatum, opgeslagen onder beheer van de client, terwijl voorraad bij een externe bewerker maximaal 20 procent van de financierbare voorraad mag beslaan. De verdachte stuurt niet de automatisch gegenereerde CSV-bestanden aan ING, maar afwijkende voorraadlijsten. De FIOD constateert dat acht van de negen aan ING verstrekte lijsten slechts één opslaglocatie vermelden, terwijl de onderliggende CSV-bestanden telkens meerdere locaties bevatten, waaronder de fictieve post die op naam van de verdachte staat. Die post is aan te merken als een valse post, waaronder in maart 2017 een voorraad van 21 houtbundels van 210 kubieke meter met een inkoopwaarde van € 210.000 is ingeboekt zonder koppeling aan klanten of ordernummers.
De rechtbank toetst per document. Zij oordeelt dat zes voorraadlijsten vals zijn omdat de onderliggende CSV-bestanden telkens ook de fictieve post vermelden, en dat twee andere lijsten eveneens vals zijn omdat de onderliggende bestanden externe locaties bevatten waarvan niet kan worden vastgesteld dat het hout daar onder de overeenkomst financierbaar was. Ten aanzien van één document oordeelt de rechtbank dat het onderliggende CSV-bestand geen andere locatie en geen voorraad ouder dan twaalf maanden bevat, zodat dit document geen vals geschrift is en de verdachte van dat onderdeel wordt vrijgesproken.
De rechtbank rekent het gebruik van de acht valse geschriften toe aan het bedrijf, omdat het aanleveren van de voorraadlijsten binnen de normale bedrijfsvoering viel en het bedrijf hierdoor krediet verkreeg. Zij acht ook het opzet van het bedrijf bewezen: de verdachte heeft willens en wetens gegevens uit de CSV-bestanden op aangepaste wijze in Excel verwerkt en aan ING een voorstelling van zaken gegeven die in strijd is met de werkelijkheid. Dat de verdachte als enige bestuurder en enige contactpersoon voor ING feitelijke leiding heeft gegeven, staat niet ter discussie. Van medeplegen is volgens de rechtbank geen sprake, omdat een bewezenverklaring van medeplegen zou neerkomen op feitelijke leiding geven aan het eigen medeplegen. De verdachte wordt van dat onderdeel vrijgesproken.
Bij de feiten 3 en 4 stelt de rechtbank voorop dat een bestuurder op grond van artikel 2:10 BW verplicht is een administratie te voeren en te bewaren op zodanige wijze dat de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon te allen tijde kunnen worden gekend. Niet in geschil is dat de verdachte middellijk en feitelijk bestuurder was en dat op hem de verplichting rustte inlichtingen te geven als bedoeld in artikel 194, tweede lid, Sr en de administratie te voeren en terstond aan de curator te verstrekken als bedoeld in artikel 344a, tweede lid, Sr. De rechtbank verwerpt het verweer dat opzet en weigering ontbreken. De omstandigheid dat de verdachte niet over back-ups van de e-mails en de administratie beschikte, komt voor zijn rekening en risico, en de automatische verwijdering van e-mails is een instelling waarvoor hij verantwoordelijk is en die in strijd is met de wettelijke bewaarplicht. De verdachte heeft nooit een plausibele verklaring gegeven voor het verwijderen van voorraad uit de digitale administratie. Uit zijn weigerachtige houding tegenover de curator, ook tijdens de faillissementsgijzeling die hij van 5 december 2019 tot en met 29 januari 2020 heeft ondergaan, leidt de rechtbank vol opzet af. Doordat de administratie onvolledig was, kon de curator niet vaststellen welke baten er waren en aan wie die toekwamen, waardoor de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt. De rechtbank acht de feiten 3 en 4 bewezen, met uitzondering van het medeplegen, en stelt de einddatum van de periode bij feit 4 vast op 6 mei 2022, de datum waarop het faillissement is opgeheven.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft begaan. Het gaat om:
feitelijke leiding geven aan het door het bedrijf meermalen opzettelijk gebruikmaken van meerdere valse voorraadbestanden door toezending daarvan aan ING in het kader van de bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst, met uitzondering van één voorraadbestand en met uitzondering van het medeplegen;
als degene die in het faillissement van een ander wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk onjuiste en onvolledige inlichtingen geven over de voorraadadministratie, met uitzondering van het medeplegen;
als bestuurder van de failliete rechtspersoon opzettelijk niet terstond de administratie aan de curator verstrekken en opzettelijk niet voldoen aan de administratieplicht, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt, met uitzondering van het medeplegen.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 1 en van wat meer of anders is ten laste gelegd. Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 194, 225 en 344a Sr.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden op en ontzet de verdachte voor de duur van vijf jaren uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 Sr, met openbaarmaking van die ontzetting door registratie in het handelsregister. Bij de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte het vertrouwen in de juistheid van geschriften in het handelsverkeer heeft beschaamd, dat ING financieel is benadeeld en dat de verdachte de afwikkeling van het faillissement in aanzienlijke mate heeft bemoeilijkt. Zij rekent hem de listigheid van zijn handelen en zijn proceshouding zwaar aan. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het door de raadsman aangevoerde over de financiële teloorgang, het gestrande huwelijk, de reputatieschade en een nieuw bestaan in Oostenrijk brengt de rechtbank niet tot een andere straf. Het beroepsverbod legt zij op ter bescherming van het handelsverkeer en om herhaling te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn niet is geschonden. Anders dan de medeverdachte is de verdachte niet aangehouden en in verzekering gesteld, zodat de termijn aanvangt op 9 maart 2026, de datum van de dagvaarding. De opgelegde straf komt overeen met de eis van het Openbaar Ministerie, die de rechtbank alleszins redelijk acht.
De vordering van ING als benadeelde partij van € 675.004,54, bestaande uit € 673.804,54 aan materiële schade en € 1.200 aan onderzoekskosten, verklaart de rechtbank in het geheel niet-ontvankelijk. Zij stelt vast dat niet is komen vast te staan dat de verdachte door feit 2 rechtstreeks schade aan ING heeft toegebracht. ING heeft niet inzichtelijk gemaakt hoeveel krediet ten onrechte meer is verstrekt dan bij juiste voorraadlijsten het geval zou zijn geweest. Het alsnog laten onderbouwen van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat ING de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Lees hier de volledige uitspraak.
