Vrijspraak van feitelijk leidinggeven aan het doen van een onjuiste belastingaangifte

Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:496

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat: rechtspersoon in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 15 mei 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over het/de jaar/jaren 2002 (D 108) en/of 2003 (D 26) en/of 2004 (D 28) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft rechtspersoon (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Amsterdam ingeleverde aangiftebiljet(ten) vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans een te lage belastbare winst, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, door (telkens) een herinvesteringsreserve, althans een herbestedingsreserve, althans een fiscale reserve, op te nemen ten bedrage van 645.266,00 euro, althans enig bedrag, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovensomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen , althans alleen , (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

Omvang hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken met betrekking tot de aangiften Vennootschapsbelasting over de jaren 2003 en 2004. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen die in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vrijspraak

De verdediging heeft, kort gezegd, aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de door rechtspersoon ingediende aangifte Vennootschapsbelasting over het jaar 2002 onjuist dan wel onvolledig is geweest. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op het doen van een onjuiste dan wel een onvolledige aangifte en meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het doen van een onjuiste dan wel onvolledige aangifte.

De advocaat-generaal heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de door rechtspersoon ingediende aangifte Vennootschapsbelasting over het jaar 2002 onjuist is geweest en dat de verdachte aan die handeling feitelijk leiding heeft gegeven en zijn opzet op het doen van die onjuiste aangifte was gericht. De verdachte zou volgens de advocaat-generaal binnen rechtspersoon de macht hebben gehad ten tijde van het tenlastegelegde, op de hoogte zijn geweest van de materie en hebben bepaald dat er een herinvesteringsreserve moest worden gevormd.

Het hof overweegt als volgt.

Vastgesteld wordt dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit formeel geen functie (meer) bekleedde binnen het bestuur van de vennootschap rechtspersoon. Hoewel dit onverlet laat dat, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, de verdachte het nog wel feitelijk voor het zeggen zou kunnen hebben gehad binnen rechtspersoon, is dit uit de stukken van het dossier onvoldoende gebleken. De advocaat-generaal heeft in dit kader gewezen op een door rechtspersoon georganiseerde bespreking van 30 maart 2004, waarbij de verdachte aanwezig zou zijn geweest en tijdens deze bespreking in het kader van de aangifte Vennootschapsbelasting over het jaar 2002 zou hebben opgemerkt dat er een vervangingsvoornemen was. Wat van het vorenstaande ook zij, de feitelijke rol en mogelijke mededelingen van de verdachte tijdens deze bespreking – en dan met name met het oog op het indienen van de aangifte Vennootschapsbelasting 2002 – blijven, gelet op de stukken van het dossier en het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde, zodanig in het ongewisse dat het hof geen aanknopingspunt naar voren ziet komen de verdachte als feitelijke leidinggever als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het handelen van rechtspersoon, voor zover dit handelen betrekking heeft gehad op het doen van aangifte Vennootschapsbelasting over het jaar 2002.

Nog daargelaten of al sprake was van een onjuiste dan wel onvolledige aangifte dient de verdachte reeds om vorenbedoelde reden te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF