Vrijspraak rechtspersoon van "fosfaatfraude"

Rechtbank Overijssel 25 april 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1442

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, een (met een) rechtspersoon (gelijkgestelde entiteit), 'fosfaatfraude' heeft gepleegd. Deze fraude is als vijf feiten ten laste gelegd, die er telkens op neer komen dat de V.O.F. zogenoemde grondgebruikersverklaringen en/of gecombineerde opgaven valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, dan wel dat de V.O.F. van die valse of vervalste geschriften opzettelijk gebruik heeft gemaakt.

Inleiding

Verdachte wordt kort gezegd verdacht van het valselijk opmaken van grondgebruikersverklaringen en gecombineerde opgaven en het opzettelijk gebruik maken van valselijk opgemaakte gecombineerde opgaven. Door op papier meer land in gebruik te hebben dan in werkelijkheid het geval was, zou verdachte een grotere hoeveelheid mest kunnen verantwoorden en in het verlengde daarvan een grotere hoeveelheid vee kunnen hebben. Op die manier zou de fraude een economisch voordeel voor verdachte hebben opgeleverd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2

Verdachte wordt onder 1 en 2 verweten dat zij een grondgebruikersverklaring valselijk heeft opgemaakt respectievelijk een gecombineerde opgave valselijk heeft opgemaakt, dan wel gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakte gecombineerde opgave. Deze verwijten lenen zich voor gezamenlijke bespreking nu voornoemde documenten telkens betrekking hebben op percelen grond (ter grootte van in totaal 17,03 hectare) die medeverdachte naam 1 aan verdachte - volgens deze documenten - in gebruik heeft gegeven.

Beide vennoten van de V.O.F. hebben ter terechtzitting van 5 april 2019 een verklaring afgelegd die er, samengevat, op neerkomt dat medeverdachte naam 1 (ter vereffening van een uitstaande schuld bij verdachte) het gebruikersrecht ten aanzien van percelen grond heeft aangeboden aan verdachte.

Het dossier bevat onder meer de verklaringen van de daadwerkelijke gebruikers van de betreffende percelen in de ten laste gelegde periode en de verklaring van medeverdachte naam 1 inhoudende dat hij niet bevoegd was om over deze percelen te beschikken.

Door de verdediging is niet betwist dat verdachte, anders dan op de grondgebruikersverklaring en op de gecombineerde opgave is vermeld, de grond niet daadwerkelijk in gebruik heeft gehad. Verdachte heeft echter volgens haar vennoten erop vertrouwd dat medeverdachte naam 1 over de door hem aangeboden percelen kon en mocht beschikken. Zij was voornemens om die percelen ook daadwerkelijk te gaan gebruiken, door deze onder meer te gaan bemesten, zodra die percelen daarvoor gereed waren gemaakt door naam 1. De vennoten van verdachte hebben ter terechtzitting verklaard dat zij de aangeboden percelen ook ter plekke hebben bekeken. Vervolgens heeft naam 1 echter op verschillende momenten - met name in de periode van juni tot en met augustus van 2014 - aan verdachte medegedeeld dat de percelen nog niet gereed waren voor gebruik en daardoor is verdachte niet tot het daadwerkelijk gebruik van de percelen gekomen, aldus de vennoten.

De rechtbank overweegt dat deze namens verdachte geschetste gang van zaken niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven en dat de juistheid ervan bovendien niet kan worden uitgesloten op grond van stukken in het dossier. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van de tenlastelegging dan ook vanuit dat verdachte ten tijde van het opmaken van de grondgebruikersverklaring (feit 1) en het opmaken dan wel gebruik maken van de gecombineerde opgave (feit 2 primair en subsidiair) voornemens was de aan haar op papier in gebruik gegeven grond ook feitelijk te gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het opmaken van de grondgebruikersverklaring respectievelijk de gecombineerde opgave het oogmerk had om valselijk opgemaakte documenten te gebruiken als waren deze echt en onvervalst. Dat later is gebleken dat verdachte de percelen feitelijk niet in gebruik heeft gehad kan aan dat oordeel niet afdoen.

Nu, kortgezegd, het oogmerk van misleiding niet kan worden bewezen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Feit 3

Verdachte wordt onder 3 verweten dat zij een grondgebruikersverklaring valselijk heeft opgemaakt door daarop in te vullen dat zij percelen grond in gebruik heeft gekregen van naam 7, terwijl naam 7 niet bevoegd was over deze percelen te beschikken en de rechthebbende – eigenaar naam 8 – de grond daadwerkelijk in gebruik had.

Beide vennoten van de V.O.F. hebben ter terechtzitting van 5 april 2019 een verklaring afgelegd, die er, samengevat, op neerkomt dat verdachte in de ten laste gelegde periode feitelijk alle werkzaamheden - waaronder echter overigens geen bemesting - op de percelen van naam 8 heeft verricht, omdat naam 8 zelf door ziekte daartoe niet in staat was. naam 7 trad daarbij als tussenpersoon op, omdat hij als buurman een goed contact met naam 8 onderhield. Verdachte heeft de betreffende percelen in 2014 niet in de gecombineerde opgave vermeld, omdat zij op de percelen slechts bij wijze van vriendendienst werkzaamheden voor naam 8 verrichtte. In het kader van een bestuursrechtelijke procedure - waarin aan de orde was dat een deel van de opgegeven plaatsingsruimte voor mest (namelijk: de percelen genoemd onder feiten 1 en 2) mogelijk niet daadwerkelijk bij verdachte in gebruik was geweest - is verdachte vervolgens gevraagd om zienswijzen in te dienen. In die procedure is onder meer aan de orde gekomen of verdachte grond in gebruik had, die niet in de gecombineerde opgave was vermeld. Verdachte heeft vervolgens samen met naam 7 een grondgebruikersverklaring opgesteld om daarmee aan te tonen dat zij de percelen van naam 8 feitelijk in gebruik heeft gehad. Ter terechtzitting hebben de beide vennoten verklaard dat de percelen van naam 8 een bijzondere botanische samenstelling hadden, waardoor zij de grond niet mochten bemesten; dit bleef in handen van naam 8. naam 8 heeft volgens de vennoten steeds stilzwijgend met deze feitelijke gang van zaken ingestemd en heeft zich ook niet verzet tegen het – achteraf – opstellen van de grondgebruikersverklaring door naam 7 met als doel de feitelijke gang van zaken alsnog schriftelijk vast te leggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaringen van de vennoten van verdachte te twijfelen en zal daarom bij de beoordeling van de tenlastelegging uitgaan van de juistheid van de hiervoor geschetste gang van zaken.

Voor die beoordeling is relevant of verdachte wist dat zij de grond niet voor haar gebruiksruimte bij de zienswijzen mocht opgeven, en derhalve met het opmaken en gebruiken van de grondgebruiksverklaring en het GDI het oogmerk zou hebben gehad om deze als echt en onvervalst te gebruiken, en of verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling mocht verkeren dat zij als gebruiker van de gronden in de zin van de Meststoffenwet (Msw) kon worden aangemerkt. In dat verband is de rechtspraak van de CBB over de invulling van het begrip “tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond” van artikel 1, eerste lid, onder m van de Msw leidend. Uit die rechtspraak volgt dat een landbouwer landbouwgrond tot zijn bedrijf mag rekenen als deze grond in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is. Daarvoor is onder meer bepalend of de landbouwer de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had, in die zin dat hij in de praktijk in staat was het teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en in staat was deze plannen in samenhang te realiseren (CBB 16 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:442).

Uit deze rechtspraak leidt de rechtbank af dat niet op voorhand is uit te sluiten dat het enkele recht om te telen of te bemesten voldoende is om van feitelijke beschikkingsmacht te kunnen spreken. Immers, ook een teler kan in staat zijn om zijn teeltplan – in samenspraak met de bemester – af te stemmen op het bemestingsplan en deze afstemming ook daadwerkelijk te realiseren (en vice versa). Wel sluit het vereiste van feitelijke beschikkingsmacht het enkele fictieve gebruik van grond uit.

Gelet op hetgeen de vennoten hebben verklaard over het feitelijke gebruik van de betreffende percelen grond, hoefde het daarom naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte niet op voorhand duidelijk te zijn dat zij deze percelen niet voor haar gebruiksruimte bij de zienswijzen mocht opgeven. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om een valselijk opgemaakte grondgebruikersverklaring als echt en onvervalst te gebruiken. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 4 en 5  

Verdachte wordt onder 4 en 5 verweten dat zij twee grondgebruikersverklaringen valselijk heeft opgemaakt respectievelijk dat zij een gecombineerde opgave valselijk heeft opgemaakt, dan wel gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakte gecombineerde opgave. Deze verwijten lenen zich voor gezamenlijke bespreking nu voornoemde documenten telkens betrekking hebben op percelen grond die naam 9 aan verdachte - volgens deze documenten - in gebruik heeft gegeven, terwijl een ander deze percelen feitelijk gebruikte.

Beide vennoten van de V.O.F. hebben ter terechtzitting van 5 april 2019 een verklaring afgelegd, die er, samengevat, op neerkomt dat verdachte de betreffende percelen in de jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde periode (2015) telkens in gebruik heeft gehad en dat zij ervan uitging ook in 2015 van deze percelen gebruik te kunnen maken. In juni 2015 bleek echter dat de grond aan een derde was verpacht en dat verdachte de grond feitelijk niet langer kon gebruiken. Tot op heden bestaat er een civielrechtelijk geschil over wie er aanspraak kan maken op deze percelen, aldus de vennoten.

De rechtbank ziet ook ten aanzien van deze feiten geen aanleiding om aan de verklaringen van de vennoten van verdachte te twijfelen en zal daarom bij de beoordeling van de tenlastelegging uitgaan van de juistheid van de hiervoor geschetste gang van zaken.

De rechtbank overweegt voorts dat één van de vennoten van verdachte heeft verklaard dat hij een handtekening van naam 9 onder een grondgebruikersverklaring ( nummer 16 ) heeft gekopieerd, maar dat de valsheid van dit document in de tenlastelegging niet op dat aspect van het document is toegespitst; verdachte wordt immers onder 4, onder A, verweten dat de valsheid van het document erin is gelegen dat gesteld wordt dat er grond bij verdachte in gebruik was, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat verdachte in de jaren voorafgaand aan 2015 bestendig gebruik maakte van de percelen grond van naam 9 en er kennelijk tot in juni 2015 op rekende in het jaar 2015 opnieuw van deze percelen gebruik te kunnen maken. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, van oordeel dat uit de stukken niet zonder meer blijkt dat verdachte reeds in december 2014 afstand heeft gedaan van aanspraken op deze percelen. Hoewel is gebleken dat verdachte er, achteraf bezien, te lichtvaardig op heeft vertrouwd dat zij de percelen opnieuw voor haar gebruiksruimte bij de RVO kon opgeven, is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het opmaken van de grondgebruikersverklaringen respectievelijk ten tijde van het opmaken en gebruikmaken van de gecombineerde opgave heeft gehandeld met het oogmerk om valselijk opgemaakte documenten als echt en onvervalst te gebruiken. De rechtbank zal verdachte daarom ook van het onder 4 (onder A en B) en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verdachte van alle haar ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

  

Zie ook:

 

 

Print Friendly and PDF ^