Vrijspraak oplichting via Marktplaats.nl: geen oorzakelijk verband tussen het aanwenden van het bedrieglijk middel (de valse naam) en het afgeven van geld

Rechtbank Den Haag 3 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:8128

De verdenking komt er op neer dat verdachte zich in de periode van 1 december 2011 tot en met 3 januari 2012 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van vele personen. Hij zou dit hebben gedaan door via de website www.Marktplaats.nl onder een valse naam kaartjes te koop aan te bieden en bestellingen van die personen te accepteren, waardoor zij werden bewogen tot afgifte van geldbedragen, terwijl verdachte wist dat hij die kaartjes niet kon leveren.

Daarnaast zou verdachte zich in de periode van 29 augustus 2011 tot en met 27 januari 2012 schuldig hebben gemaakt aan witwassen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten alsmede de ad informandum gevoegde feiten heeft begaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand, met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen door:

  1. het aannemen van een valse naam of
  2. het aannemen van een valse hoedanigheid of
  3. listige kunstgrepen of
  4. een samenweefsel van verdichtsels,

een ander beweegt tot afgifte van enig goed. In juridische zin is derhalve sprake van oplichting, indien iemand door één of meer van de hiervoor genoemde middelen een ander heeft bewogen tot de afgifte van het goed.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat verdachte zich op Marktplaats.nl heeft voorgedaan als een bona fide verkoper van toegangsbewijzen en daardoor de kopers heeft bewogen tot afgifte van geld. Verdachte heeft daarbij bovendien gebruik gemaakt van valse namen.

Het enkele aangaan van een overeenkomst en het vervolgens in gebreke blijven levert op zichzelf, ook als degene die de overeenkomst is aangegaan al voorzag niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep op in de zin van artikel 326 Sr (Hoge Raad 2 november 2010, BM4208). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.

Zo’n omstandigheid zou kunnen zijn, dat verdachte in meerdere gevallen gebruik heeft gemaakt van een valse naam.

De rechtbank merkt op, dat het gebruik van een andere dan de eigen naam bepaald niet ongewoon is op het internet. Op Marktplaats.nl gebruiken velen alleen een voor- of bijnaam. Wil er sprake zijn van oplichting, dan is bovendien een oorzakelijk verband vereist tussen het aanwenden van het bedrieglijk middel (de valse naam) en het afgeven van, in casu, het geld. Dat het gebruik van een valse naam door verdachte de betrokkenen heeft bewogen tot de afgifte van het geld, blijkt nergens uit. Niet alleen gebruikte verdachte steeds zijn eigen bankrekeningnummers en gaf hij daarbij ook meermalen zijn eigen achternaam door, de naam die hij noemde heeft op geen enkele manier een rol gespeeld bij de beslissing van de betrokkenen om te betalen. Zonder uitzondering zijn zij pas achteraf, toen zij de plaatsbewijzen waarvoor zij hadden betaald niet kregen, op internet gaan zoeken naar informatie over verdachte.

Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen om tot bewezenverklaring te komen dat verdachte door middel van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels de aangevers heeft bewogen tot het overmaken van de geldbedragen.

Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank beseft dat de aangevers de uitkomst van deze zaak als onbevredigend zullen ervaren. Naar haar oordeel ligt het op de weg van de wetgever om, indien het aan verdachte verweten gedrag strafbaar gesteld zou moeten worden, terzake actie te ondernemen. De bescherming van het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf oplichting is blijkens de wetsgeschiedenis beperkt, omdat van de deelnemers aan het handelsverkeer wordt gevergd dat zij zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van overeenkomsten en zij de daaraan verbonden risico’s in beginsel dienen te aanvaarden. Hierbij is ongetwijfeld niet voorzien dat ooit het handelsverkeer grotendeels via internet zou gaan verlopen, waar mensen niet snel geneigd zijn en vaak ook weinig mogelijkheden hebben om eerst te controleren met wie zij zaken doen voor ze betalen.

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van onder 2 ten laste gelegde witwassen nu, gelet op het hiervoor overwogene, niet bewezen kan worden dat het geldbedrag van in totaal € 9448,46 afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht overigens de beschrijving van wat verdachte ad informandum wordt verweten zodanig vaag, dat daarmee reeds om die reden geen rekening had kunnen worden gehouden bij een eventuele strafoplegging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF