Vrijspraak oplichting: ontbreken oorzakelijk verband tussen de handelingen van verdachte en het bewogen worden van het slachtoffer

Rechtbank Noord-Nederland 19 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:1447

Rb: Oplichting doet zich voor, wanneer iemand met ‘bedrieglijke middelen’ een ander beweegt tot afgifte van een goed. In de jurisprudentie van de Hoge Raad komt als toetssteen naar voren of sprake is van op bedrieglijke wijze gebruik maken van een in het maatschappelijk verkeer geldend gedragspatroon. Toegespitst op het hotelwezen houdt dit in dat de bezoeker een kamer boekt, (veelal) daags na de overnachting een ontbijt gebruikt en bij vertrek betaalt. De Hoge Raad heeft aangenomen dat het zich voordoen als motelgast die de rekening zou kunnen en willen betalen, valt onder ‘het aannemen van een valse hoedanigheid' zoals bedoeld in art. 326 Sr (HR 22 mei 1990, NJ 1990, 801).

In dit geval is echter niet tenlastegelegd dat verdachte zich heeft voorgedaan als een gast die de rekening zou kunnen en willen betalen. De feitelijke handelingen in de tenlastelegging zijn weliswaar gepleegd (verdachte heeft gezegd dat hij geld ging pinnen om de rekening te voldoen en dat hij alsnog zou betalen zodra hij geld had) maar het zijn niet deze uitspraken geweest die slachtoffer 1 ertoe brachten om verdachte een overnachting met ontbijt te bieden. Deze uitspraken werden pas gedaan nadat verdachte de overnachting en het ontbijt al had genoten. Anders dan de tenlastelegging doet voorkomen, ontbreekt het oorzakelijk verband tussen de handelingen van verdachte en het bewogen worden van slachtoffer 1. Dat betekent dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF