Column: Even Proeven

Door mr. A.A. Feenstra & mr. drs. A.D.M. Roerink (Hertoghs advocaten-belastingkundigen)

Als u op zaterdag (of een willekeurige andere dag) boodschappen doet, komt u vast wel eens een vrolijke juffrouw of meneer tegen die u iets wil aanbieden. Een blokje van de nieuwe 20+ kaas, een chipje ter introductie van een nieuwe smaak, een stukje koek in de laatste variatie. U kan het zo gek niet bedenken. Of u loopt het station uit en krijgt een blikje van de nieuwste biologische frisdrank in uw handen gedrukt. Deze hapjes/drankjes moedigen u aan te proeven in de hoop dat het u aanzet tot het kopen van het betreffende product.

Ook Den-Haag laat u regelmatig iets proeven van haar nieuwste ideeën. De smakelijkheid van de voorstellen van de bewindslieden daargelaten, bieden deze voorstellen ons een inkijkje in waar het naar toe gaat op wetgevingsterrein. Na lezing van het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (kort gemaakt: Awir) signaleerden wij het figuurlijke blokje 20+ kaas aangeboden door de wetgever.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Awir volgt op de grote commotie die was ontstaan na de zogenoemde ‘Bulgarenfraude’. In april van dit jaar raakte het publiek op de hoogte van de op grote schaal gepleegde fraude met toeslagen en uitkeringen in Nederland. De modus operandi was als volgt. Bendes brachten Bulgaarse burgers naar Nederland. Deze Bulgaren schreven zich in op een Nederlands adres dat op naam stond van de Bende. Vervolgens werden bankrekeningen geopend en toeslagen en uitkeringen aangevraagd. De aanvragers van de toeslagen en uitkeringen worden terug gebracht naar Bulgarije. De pinpassen van de geopende rekeningen blijven in Nederland in het bezit van de bende. De organisator van het geheel strijkt zo de aangevraagde toeslagen en uitkeringen op. De schade liep in de miljarden. Het aanpakken van de toeslagenfraude bleek moeilijk. De aanvragers waren reeds gevlogen en ook de organisatoren van de fraude konden maar moeizaam worden aangepakt met het huidig wettelijk instrumentarium.

In het nieuwe wetsvoorstel tot wijziging van de Awir wordt het toezicht instrumentarium versterkt onder ander door verlenging van de beslistermijn vanwege extra controle bij verhoogd frauderisico en de mogelijkheid tot opschorting van betaling bij twijfel voor het adres.[1] Echter niet alleen het toezichtinstrumentarium wordt uitgebreid. De wetgever voorziet in het wetsvoorstel ook een versterking van het boete- en strafrechtinstrumentarium.[2] In het wetsvoorstel vindt voor de Awir een uitbreiding plaats van het ‘overtredersbegrip’ uit de Algemene wet bestuursrecht. De wetgever zoekt daarbij aansluiting bij het strafrecht. De wetgever stelt voor het overtredersbegrip voor de Awir uit te breiden met de doenpleger, de uitlokker en de medeplichtige.

Bij invoering van de vierde tranche Awb achtte de wetgever een dergelijk ruim spectrum aan mogelijke overtreders niet nodig. De wetgever was van mening dat doen plegen, uitlokking en medeplichtigheid niet zouden voorkomen in het bestuurlijk sanctierecht. Daarnaast overwoog de wetgever dat bij overtredingen waarop een bestuurlijke boete staat meestal sprake is van lichtere delicten waarbij met een beperkt aantal deelnemingsvormen kon worden volstaan. Bovendien zou veelal een uitvoerig feitenonderzoek nodig zijn voor de bewijsvoering van doen plegen en uitlokking, waarvoor de bestuursrechtelijke procedure zich minder goed zou lenen, aldus de memorie van toelichting.[3] Voor medeplichtigheid bestond voor de wetgever geen ruimte, nu medeplichtigheid aan een overtreding niet strafbaar is.[4]

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Awir schrijft de wetgever dat de laatst genoemde twee argumenten niet opgaan voor de Awir, in tegenstelling tot het overige bestuursrecht. De wetgever voert aan dat een uitvoerig feitenonderzoek bij toeslagfraude ook nu al eerder regel dan uitzondering is. Daarnaast voert de wetgever aan dat bij de overtreding geen, onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen verstrekken, opzet of grove schuld vereist is. De boeten op deze overtredingen zijn bovendien vanaf 1 juli 2012 aanzienlijk verhoogd tot 100 tot 150 procent van het terug te vorderen bedrag. De wetgever concludeert vervolgens dat, zowel naar de aard van de overtreding als de sanctie, de voorgenoemde overtredingen niet langer kwalificeren als lichtere delicten. Tenslotte is ook medeplichtigheid niet langer uitgesloten nu het vereiste van opzet of grove schuld betekent dat deze overtredingen in strafrechtelijke zin misdrijven zijn, zodat het uitsluiten van medeplichtigheid niet langer op gaat, aldus de wetgever.[5]

Hoe moeten wij dit blokje 20+ kaas van de wetgever waarderen? Na lezing van de voorgenoemde argumenten uit de memorie van toelichting voor uitbreiding van de kring van potentiële overtreders in de Awir vroegen wij ons hardop af of het bovenstaande niet slechts een voorproefje is van een uitbreiding voor het gehele fiscale sanctierecht. Immers, voorgenoemde argumenten gaan ook op voor de sancties uit de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en zijn zeker niet nieuw, zoals ook de Raad van State terecht heeft opgemerkt. Grote boekenonderzoeken zijn immers aan de orde van de dag in de fiscale praktijk, om van de omvang van de fiscale boeten nog maar te zwijgen. Kortom blijft het bij dit blokje 20+ kaas of is binnenkort een uitgebreide lijn met slanke kazen te verwachten?



[1] Kamerstukken II, 33 754, nr. 3, p. 3-7.

[2] Kamerstukken II, 33 754, nr. 3, p. 7-13.

[3] Kamerstukken II, 29702, nr. 3, p. 78 e.v.

[4] Kamerstukken II, 29702, nr. 3, p. 78 e.v.

[5] Kamerstukken II, 33 754, nr. 3, p. 8.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF