Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen

Rechtbank Midden-Nederland 3 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4845

De rechtbank is op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte, medeverdachte 1 enmedeverdachte 2 hebben samen met anderen documenten vervalst, zoals facturen en rekeningoverzichten met daarop betalingsherinneringen of een brief. De originele documenten zijn onderschept en vervolgens voorzien van een vals bankrekeningnummer van een andere B.V. Deze documenten met daarop het valse rekeningnummer zijn ingediend bij een onderneming en de onderneming heeft daarbij een begeleidende brief met een toelichting over de wijziging van het rekeningnummer. De onderneming is op deze manier bewogen tot het overmaken van betalingen naar het bankrekeningnummer van de betreffende BV.

Om te voorkomen dat een betaling van de onderneming niet door de naam-nummercontrole van de bank heen komt, hebben de verdachten de tenaamstelling van de bankrekening van de B.V. aangepast. De naam van de bankrekening wordt steeds (deels) gewijzigd in de naam van de onderneming die de betaling eigenlijk hoort te ontvangen.

Als er vervolgens geld is overgemaakt naar het rekeningnummer van de B.V., wordt het geld via een vertakt netwerk doorgesluisd naar een tweede, derde of vierde B.V. en uiteindelijk (deels) contant opgenomen. Deze contante opnamen vinden langs de weg en in een casino plaats. Ook zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in het buitenland.

Het contant opnemen van gelden gebeurt op een gestructureerde wijze en houdt steeds verband met het maximale bedrag dat dagelijks kan worden opgenomen. Ook blijkt uit de bankafschriften dat het saldo van de bankrekeningen vóór de overboekingen niet hoog genoeg was om de overgeboekte bedragen over te maken. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de gestorte bedragen betreft die zijn overgeboekt en doorgesluisd naar andere B.V.’s en vervolgens contant zijn opgenomen.

Uit voornoemde bewijsmiddelen komen voorts pogingen tot benadeling van een particulier en tot benadeling van de overheid naar voren (zie OPV-4 en OPV-6). Daarnaast hebben verdachten op naam van verschillende B.V.’s opzettelijk onjuiste aangiften omzet- loon- of vennootschapsbelasting ingediend met een verzoek om teruggave (zie OPV-8). Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat deze bedragen in meerdere gevallen ook daadwerkelijk zijn uitbetaald.

Voor een veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Voor een criminele organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen.

Uit de bewijsmiddelen en de hiervoor beschreven modus operandi blijkt het volgende. Er is gedurende een langere periode gebruik gemaakt van dezelfde modus operandi. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een duurzaam karakter is. Daarbij is er steeds gebruik gemaakt van veelal dezelfde rechtspersonen en bankrekeningen en blijken iedere keer dezelfde personen (soms in wisselende samenstelling) betrokken te zijn. Verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 vormen naar het oordeel van de rechtbank de kern van deze organisatie. De rechtbank is ook van oordeel dat er een duidelijk gestructureerd samenwerkingsverband is geweest, op te splitsen in vier fasen te weten de selectie van een slachtoffer, de voorbereiding van de strafbare feiten, het plegen van de strafbare feiten en het witwassen van de verkregen gelden. Voor deze handelwijze is naar het oordeel van de rechtbank een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming vereist. De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat er sprake is geweest van een criminele organisatie.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen tevens vast dat het doel van deze organisatie het plegen van misdrijven was, namelijk misdrijven die gericht waren op het genereren van geld, te weten oplichting, valsheid in geschrifte, diefstal met een valse sleutel, belastingfraude en witwassen, en dat verdachte heeft deelgenomen aan deze organisatie.

Witwassen

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte en zijn mededaders geldbedragen hebben verkregen door het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrifte, oplichting, diefstal en het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Verdachte en zijn mededaders wisten dan ook dat de gelden van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank stelt voorop dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - witwassen.

Om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen, moet de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden hebben gehad, maar zijn gedragingen moeten ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte en zijn mededaders hebben de herkomst van het geld proberen te verhullen door de gelden door te sluizen naar verschillende B.V.’s en vervolgens geldbedragen contant op te nemen. Dit alles is gebeurd binnen zeer korte tijd na het storten van de geldbedragen. Hierdoor was het voor de bedrijven onmogelijk om het gestorte geld terug te krijgen en was er geen zicht op de geldstromen. Tot op heden is het ook onduidelijk waar al het geld gebleven is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van witwassen.

De rechtbank is tevens van oordeel, gelet op de lange periode en de hoeveelheid witgewassen geldbedragen, dat verdachte en zijn mededaders van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde bedragen heeft witgewassen.

Bewezenverklaring

Parketnummer 16/990302-12

Feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Feit 2: gewoontewitwassen.

Parketnummer 16/992002-13

Feit 1 en feit 2: telkens: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich samen met anderen meerdere jaren lang schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen.

Verdachte en zijn mededaders hebben verschillende misdrijven gepleegd om aan geld te komen. Dit geld hebben zij vervolgens op een zeer geraffineerde wijze weggesluisd, door het geld door te boeken naar verschillende zogenoemde plof BV’s en dit geld vervolgens contant op te nemen. Nog steeds is het niet duidelijk waar het geld is gebleven en in de meeste gevallen zullen de benadeelde partijen hun geld nooit meer terug krijgen. De rechtbank neemt dit verdachte en zijn mededaders zeer kwalijk.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF