Vrijspraak: Niet verdachte was ingevolge de AWR als belastingplichtige gehouden gegevens en inlichtingen te verstrekken en kan ook niet worden aangemerkt als een derde als bedoeld in art. 48 AWR

  Rechtbank Breda 30 januari 2013, LJN BZ0337

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

  1. feitelijk leiding heeft gegeven aan het (meermalen) opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting door B.V., welk feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
  2. als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (de inhoud van) (andere) gegevensdragers, deze opzettelijk in valse of vervalste vorm heeft (laten) verstrekken.

Standpunt OvJ

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangiften over de betreffende tijdvakken, de 13 valselijk opgemaakte facturen van B.V., de valse voorraadlijst en kasoverzicht, de verklaring van de getuige getuige 1, de verklaring van verdachte en de verklaringen van de medeverdachten.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Ten laste is gelegd dat verdachte, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking gesteld. Vast is komen te staan dat, na de aankondiging door de belastingdienst van een boekenonderzoek bij B.V., verdachte samen met zijn zoon en schoonzoon de administratie van B.V. sluitend heeft gemaakt door een fake administratie, bestaande uit facturen, een kasboek en een voorraadlijst samen te stellen. Verdachte heeft deze fake administratie aan de controlerend ambtenaar van de belastingdienst ter hand heeft gesteld.

Het ten laste gelegde zou daarmee naar het oordeel van de rechtbank bewezen kunnen worden, ware het niet dat naar het oordeel van de rechtbank het niet verdachte was die ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen als belastingplichtige gehouden was gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het was immers B.V. die als belastingplichtige meerdere keren een aangifte omzetbelasting heeft ingediend en op grond van artikel 47 AWR was het dan ook de rechtspersoon B.V. op wie de verplichting rustte als belastingplichtige ten dienste van de belastingheffing inlichtingen te verstrekken.

Verdachte heeft verklaard dat hij directeur groot aandeelhouder was van B.V.. Op grond van artikel 42 AWR kunnen de bevoegdheden van B.V.worden uitgeoefend en haar verplichtingen worden nagekomen door de bestuurder, in deze dus door verdachte. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verdachte daarmee ook normadressaat was en op hem de verplichting rustte ten dienste van de belastingen tot inlichtingenverstrekking.

Ook kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een derde, als bedoeld in artikel 48 AWR. Dit artikel 48 ziet naar het oordeel van de rechtbank immers niet op de bestuurder van de belastingplichtige vennootschap indien de gegevensdragers zich feitelijk bevinden bij die vennootschap zelf. Artikel 48 ziet juist op situaties waarbij de gegevensdragers zich niet (meer) feitelijk bevinden bij de belastingplichtige zelf, zoals bijvoorbeeld bij een administratiekantoor of boekhoudbureau . Hiervan is geen sprake in dit berechte geval.

Wel is het zo dat verdachte als bestuurder feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Nu het feitelijk leidinggeven niet aan verdachte ten laste is gelegd, dient verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF