Vrijspraak gewoontewitwassen van illegale inkomsten partner, wel veroordeling schuldwitwassen

Rechtbank Oost-Brabant 14 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5081

Verdachte heeft gedurende de periode periode van 1 januari 2009 tot en met 25 april 2014 een relatie gehad met een man die zijn inkomsten genereerde uit criminele activiteiten. Verdachte heeft tijdens die relatie een quad en geld ontvangen waarvan zij had moeten vermoeden dat die quad en dat geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Vrijspraak gewoontewitwassen

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het door de officier van justitie gestelde gewoontewitwassen moet worden bewezen dat verdachte wist dat haar gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betrof. Er moet dus sprake zijn geweest van opzet daarop, op mijn minst genomen voorwaardelijk opzet. Om tot een dergelijke bewezenverklaring te kunnen komen zal de rechtbank in ieder geval moeten vaststellen dat verdachte wist dat het geld waarop de tenlastelegging doelt uit enig misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft ter terechtzitting van 31 augustus 2016 verklaard dat zij in de veronderstelling was dat haar toenmalige partner [persoon 1] zich bezighield met autohandel en dat het geld dat zij van hem kreeg daaruit afkomstig was. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om het door verdachte gestelde te weerleggen. Anders dan de officier van justitie maar met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet onomstotelijk kan worden bewezen dat verdachte op de hoogte was van de criminele herkomst van de gelden.

Schuldwitwassen

De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tussenconclusie

De feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande de herkomst van de geldbedragen en de quad.

Verklaringen verdachte

Nadat verdachte aanvankelijk de wetenschap van de aanwezigheid van het geldbedrag van € 15.000,- in haar woning had ontkend, heeft verdachte later hierover (aanvankelijk als getuige) wel een verklaring afgelegd. Verdachte zou, gedurende een periode van vijf jaar, € 15.000 hebben verdiend als nagelstyliste. Verdachte heeft echter geen agenda’s met afspraken, geen kasadministratie waaruit blijkt van contante betaling door klanten en/of bankafschriften waaruit blijkt van een girale betaling die mogelijk verband zou kunnen houden met de aankoop van benodigdheden voor haar nagelsalon, overgelegd. Ook verdachtes verklaringen ten aanzien van de lcd-tv en het geldbedrag van € 1.850 worden op geen enkele wijze met stukken onderbouwd.

Verdachte zou de € 6.000 die is aangetroffen in de douchekolom in haar badkamer in variabele termijnen hebben gekregen van een vriend van persoon 1, te weten persoon 2, om te behouden. De verklaringen van verdachte en persoon 2 lopen, zoals hiervoor verwoord onder het kopje ‘geldbedrag van € 6.000‘, op details uiteen. Ook ten aanzien van de quad is wisselend en strijdig met elkaar door verdachte en de getuigen persoon 3 en persoon 4 verklaard.

De rechtbank stelt vast dat verdachte over de aangetroffen geldbedragen en goederen geen concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd. Daarbij betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte zich in eerste instantie – met uitzondering van de aangetroffen € 15.000, waarvan ze in eerste instantie verklaarde daar niets van te weten - heeft beroepen op haar zwijgrecht en pas eerst ter terechtzitting – nadat zij kennis heeft kunnen nemen van alle processtukken - met een verklaring is gekomen die zij verder op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

Uit de kasopstelling blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 april 2014 een bedrag van € 38.784,49 meer voorhanden heeft gehad dan dat verdachte legaal contant beschikbaar had. Verdachte heeft gedurende deze periode een relatie gehad met persoon 1. Gedurende die relatie heeft verdachte cadeaus en geld voor zogenaamde Nibud-kosten van persoon 1 gekregen.

Met betrekking tot de quad overweegt de rechtbank voorts dat er veel onderzoek is gedaan naar degene die de quad daadwerkelijk heeft betaald. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank nauwelijks ter zake nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij de quad van persoon 1 heeft gekregen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat persoon 1 zich gedurende de ten laste gelegde periode bezighield met criminele activiteiten en vrijwel geen legale inkomsten genoot.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op vorenstaande in onderlinge samenhang bezien het niet anders kan dan dat de geldbedragen en/of goederen die hiervoor aan de orde zijn geweest door persoon 1 aan verdachte zijn geschonken, terwijl ze uit enig misdrijf afkomstig waren.

Ondanks verdachtes onjuiste verklaring, die ook als onvoldoende verifieerbaar terzijde wordt geschoven, dat het geldbedrag van € 15.000,- door haarzelf is verdiend, acht de rechtbank niet bewezen dat zij wist dat de geldbedragen en de quad die zij van haar partner kreeg van misdrijf afkomstig waren. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte dat redelijkerwijs had moeten vermoeden. Ze had immers een relatie met persoon 1, die niet over (voldoende) legale inkomsten beschikte om dergelijke cadeaus of bijdragen aan het levensonderhoud te doen.

Conclusie

De rechtbank is op grond van de in onderling verband te beschouwen bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2009 tot en met 25 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van geldbedragen tot een totaal van € 38.784,49 en een quad.

Bewezenverklaring

  • Schuldwitwassen

Strafoplegging 

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 10.000,- en verbeurdverklaring van geld en de quad.

Lees hier de volledige uitspraak. 
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF