Vrijspraak art. 10.1 lid 2 Wet milieubeheer: Niet kan worden bewezen dat de afvalstoffen bij de verdachte zijn ontstaan.

Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2470

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de afvalstoffen die de verdachte heeft achtergelaten bij hem zijn ontstaan. De verklaring van de verdachte tegenover de buitengewoon opsporingsambtenaar dat hij ‘het (het hof begrijpt: het afval) ergens kwijt moest’ en ‘het afval afkomstig is uit een tuin’ acht het hof hiertoe onvoldoende. Dit geldt temeer nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat het afval van een vriend was en hij deze vriend heeft geholpen, hetgeen het hof niet tegenstrijdig acht met zijn eerdere verklaring tegenover de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Gelet hierop zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Door de verdachte en twee andere personen zijn zakken zand en grindtegels op de openbare weg naast een inzamelvoorziening gedeponeerd. Dit afval is niet als grof (huishoudelijk) afval aan te merken dat op deze wijze ter inzameling had mogen worden aangeboden. Voorts is dit op een andere dag gebeurd dan op de dag dat de gemeentelijke inzameldienst het afval aldaar pleegt op te halen. Door zo te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de vervuiling van de stad, hetgeen nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Bewezenverklaring

Handelen in strijd met een voorschrift, gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,00 met een proeftijd van 1 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF