Vordering benadeelde partij: Overeenkomst benadeelde & verdachte

Gerechtshof Amsterdam 13 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2589

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 62.074,26. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte medegedeeld dat de verdachte en de benadeelde partij overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van het aan de benadeelde partij te betalen bedrag aan schadevergoeding. De raadsvrouw heeft het hof verzocht de hoogte van de vordering tot schadevergoeding gelijk te stellen met het overeengekomen bedrag. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw e-mail correspondentie tussen haar en de directeur van benadeelde partij, de heer benadeelde 1, in het geding gebracht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de hoogte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de hoogte van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel zullen worden gelijkgesteld met de bedragen die partijen onderling zijn overeengekomen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is tot de overtuiging gekomen – na kennisname van de inhoud van de tussen de raadsvrouw en de benadeelde partij gevoerde correspondentie en gelet op hetgeen door de raadsvrouw ter toelichting op deze stukken is meegedeeld – dat partijen over en weer aan elkaar voldoende en duidelijke informatie hebben verstrekt ten aanzien van hetgeen werd beoogd om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en dat partijen zonder dwang hebben deelgenomen aan de daartoe strekkende onderhandelingen alsmede partijen zich rekenschap hebben gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel.

Het hof stelt vast dat uit het vorenstaande blijkt dat met de benadeelde partij is overeengekomen dat het door de verdachte aan hem te betalen bedrag wordt vastgesteld op een bedrag van € 45.000,00 en voorts dat ter zake de betalingswijze hiervan is overeengekomen dat terstond een bedrag van € 35.000,00 zal worden voldaan – ten behoeve waarvan dit bedrag inmiddels op de derdenrekening van het kantoor van de raadsvrouw is gestort – en dat de verdachte het restant van € 10.000,00 een jaar later aan de benadeelde partij zal voldoen.

Het hof ziet aanleiding, gelet op het vorenstaande, de tot stand gekomen overeenkomst in zijn uitspraak te vervatten en het overeengekomen bedrag tot vergoeding van de schade gelijk te stellen met het overeengekomen bedrag van € 45.000,00. Daarbij zal het hof bepalen dat – in overeenstemming met hetgeen de partijen onderling zijn overeengekomen – € 35.000,00 binnen 24 uur na heden moet worden betaald en dat € 10.000,00 over een jaar moet worden betaald.

Om te bevorderen dat het resterende schadebedrag van € 10.000,00 over een jaar door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Het hof wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij benadeelde 2 ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 45.000,00 ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil en bepaalt dat door de verdachte een bedrag ter hoogte van € 35.000,00 binnen 24 uur na heden wordt betaald aan de benadeelde partij en dat het resterende bedrag ter hoogte van € 10.000,00 door de verdachte over een jaar na heden wordt betaald aan de benadeelde partij.

Het hof legt aan de verdachte de verplichting op om over een jaar na heden aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd benadeelde 2, ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Tot slot bepaalt het hof dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF