Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk voor deel dat ziet op kosten doordat zij in rechte is betrokken door verzekeringsmaatschappij

Rechtbank Rotterdam 12 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5898

Op 30 juni 2014 is aangifte gedaan van de diefstal van acht containers met daarin ferro-nikkel. De containers waren opgeslagen bij de Euromax terminal en zijn opgehaald door vier chauffeurs die waren ingeschakeld door de verdachte naam verdachte. De containers zijn vervolgens vervoerd naar de plaats delict in Rotterdam alwaar deze werden opgehaald door andere chauffeurs.

Over de wijze van totstandkoming van de vervoersopdracht van de acht gestolen containers heeft de verdachte als volgt verklaard. De verdachte was op 25 juni 2014 op het terrein van een autoverhuurbedrijf waar hij een groep mensen hoorde praten over het transport dat op 26 juni 2014 nodig was voor het vervoer van meerdere containers. De medeverdachte naam medeverdachte 1 maakte deel uit van deze groep. De overige mensen waren onbekend voor de verdachte. De verdachte heeft op 25 juni 2014 de vervoersopdracht geaccepteerd zonder enig onderzoek dienaangaande in te stellen, ook niet toen de vervoersopdracht een dag later per e-mail werd bevestigd door het bedrijf genaamd ‘ naam bedrijf ’. Er waren geen vrachtbrieven aangaande het transport.

Over de wijze van uitvoering van de vervoersopdracht blijkt uit het dossier het volgende. Op 26 juni 2014 heeft de verdachte van de medeverdachte naam medeverdachte 1 een briefje gekregen met daarop containernummers met daarachter pincodes om containers bij de Euromax terminal op te halen, alsmede het adres waar de containers losgekoppeld moesten worden en zouden worden opgehaald door chauffeurs. De door de verdachte ingeschakelde chauffeurs hebben op zijn aanwijzingen de trailers opgehaald, dagkaarten bij de Euromax terminal gekocht, aldaar geïnformeerd naar de containernummers, de containers opgehaald en vervoerd naar de plaats delict alwaar deze zonder kingpin-slot stonden en werden opgehaald door andere chauffeurs. In totaal hebben de door de verdachte ingeschakelde chauffeurs op 26 juni 2014 tussen 11.33 uur en 23.59 uur acht containers opgehaald en vervoerd naar de plaats delict. Gedurende die periode hadden de verdachte en de medeverdachte naam medeverdachte 1 meermalen persoonlijk en telefonisch contact.

Gelet op de wijze waarop de vervoersopdracht van de acht gestolen containers tot stand is gekomen, alsmede op de uitvoering daarvan, waarbij de containers niet werden afgeleverd op hun plaats van bestemming maar op straat werden losgekoppeld, later weer door andere chauffeurs werden opgehaald en zonder de benodigde papieren werden vervoerd, kan het niet anders, gezien de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het doel van de vervoersopdracht was de diefstal van de containers.

De complexiteit van de diefstal en de verschillende handelingen die daarvoor door de verdachte en de medeverdachte(n) verricht zijn, maakt dat de betrokkenheid van de verdachte voldoende is om aan te nemen dat er sprake is van gezamenlijke uitvoering. Dat de verdachte geen feitelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, doet hieraan niet af. De verdachte en zijn medeverdachte naam medeverdachte 1 en/of de mensen rondom de medeverdachte naam medeverdachte 1 hebben immers de door de verdachte ingeschakelde chauffeurs gebruikt om de acht containers te stelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich tevens, samen met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde oplichting.
 

Vordering benadeelde partij

De gevoegde benadeelde partij vordert een vergoeding van € 503.569,84 aan materiële schade, inclusief rente en kosten met hoofdelijke toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman stelt primair, in het verlengde van de door hem bepleite vrijspraak, dat de vordering van naam benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair stelt de raadsman dat het gevorderde schadebedrag aanzienlijk moet worden gematigd omdat niet is gebleken dat de verdachte enig voordeel uit het ten laste gelegde heeft genoten. Voorts verzoekt de raadsman de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen en de vordering voor wat betreft de proceskosten af te wijzen. Als de gevorderde kosten al voor vergoeding in aanmerking komen, dient dit gebaseerd te worden op het liquidatietarief, aldus de raadsman.

Beoordeling

Op grond van artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.

De rechtbank stelt vast dat naam benadeelde door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 14.554,12, de onbetwiste waarde van de gestolen containers die haar eigendom waren. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen en wel (omdat de verdachte de feiten in vereniging met een of meerdere anderen heeft gepleegd) op hoofdelijke basis.

De rechtbank stelt verder vast dat het overige gedeelte van de vordering van naam benadeelde ziet op de schade die zij heeft geleden doordat zij in rechte is betrokken door naam verzekeringsmaatschappij, de (hoofd)verzekeraar van naam slachtoffer 1 (de expediteur van de onderhavige containers). naam verzekeringsmaatschappij vorderde vergoeding kennelijk (mede) uit hoofde van een of meerdere cessies, zoals beschreven in de overgelegde uitspraak van het Hanseatisches Oberlandesgericht uit Hamburg. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde strafbare feiten staan. De enkele stelling dat naam benadeelde ook zonder de schikking gehouden zou zijn tot schadevergoeding – wat daar verder ook van zij – maakt dit niet anders: zij heeft betaald aan naam verzekeringsmaatschappij op de wijze en basis zoals hiervoor geschetst. Naam benadeelde wordt daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 900,-, aan salaris voor de advocaat (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en 1 punt per zittingsdag voor het verschijnen ter terechtzitting met een waarde per punt van € 300,-, waarbij de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij het in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken).

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF