Verzoek tot vergoeding van kosten op grond van artikel 591a Sv: Vergoedbaarheid kosten van door verzoekster zelf geëntameerde procedure op grond van artikel 12 Sv.

Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3441

Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van schade op grond van het bepaalde in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.).

De rechtbank stelt vast dat het begrip zaak in de hier bedoelde zin in het Wetboek van Strafvordering of daarop gebaseerde regelgeving niet is gedefinieerd. De rechtbank zal derhalve aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval dienen te bepalen of sprake is van een zaak. De rechtbank stelt in dat verband vast dat, ter verkrijging van telefoongegevens van verzoekster, sprake is geweest van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 126n Sv. Dit is geschied op bevel van de officier van justitie van 11 mei 2016, waarbij verdachte in zoverre als verdachte is aangemerkt. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank reeds sprake geweest van een zaak in de hier bedoelde zin. Dat de toepassing van deze opsporingsbevoegdheden op oneigenlijke gronden is geschied, zoals de officier van justitie heeft betoogd en wat hiervan verder ook zij, doet daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze zaak voorts als beëindigd worden beschouwd, waarbij de rechtbank verwijst naar de brief van de officier van justitie van 3 november 2016, waarin de officier van justitie aan verzoekster heeft bericht dat het strafbare feit dat de grondslag heeft gevormd voor het opvragen van de desbetreffende telefoongegevens wordt geseponeerd met de grond 01, inhoudende dat de verdenking tegen verzoekster onterecht is gebleken. Ook overigens zijn geen beletselen voor de ontvankelijkheid van verzoekster gebleken. Verzoekster is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
 

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Bij deze beoordeling is leidend de vraag of gronden van billijkheid bestaan voor het, geheel of gedeeltelijk, toekennen van de gevraagde vergoeding aan verzoekster.

De rechtbank stelt in dit verband op grond van het dossier en de behandeling in raadkamer de volgende feiten vast. Ten opzichte van verzoekster is behoudens de eerder genoemde opsporingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 126n Sv. geen sprake geweest van de toepassing van opsporingsbevoegdheden of andere dwangmiddelen. Ook blijkt niet dat verzoekster strafrechtelijk, als verdachte of als getuige, is gehoord. Wel is duidelijk dat verzoekster vanaf begin 2016 is verwikkeld in een arbeidsrechtelijk conflict met haar werkgever, organisatie dan wel de leiding organisatie. In dit kader heeft ook onderzoek naar verzoekster plaatsgevonden.

Verzoekster heeft de stelling ingenomen dat omdat het verwijt dat haar arbeidsrechtelijk wordt gemaakt tevens een strafbaar feit oplevert, reeds vanaf het ontstaan van het arbeidsrechtelijk conflict tevens sprake is van een strafzaak. Deze opvatting is echter onjuist. Verzoekster, voorzien van rechtskundige bijstand, had dit ook behoren te weten. Ook de door verzoekster in dit verband genoemde term strafontslag duidt niet op het bestaan van een strafzaak, maar van een arbeidsrechtelijke zaak. Ook overigens blijkt niet dat verzoekster op enig moment voorafgaand aan de door de officier van justitie afgegeven bevelen als bedoeld in artikel 126n Sv. strafrechtelijk als verdachte is aangemerkt of het voornemen bestond om verzoekster te vervolgen. Uit (onder meer) het e-mailbericht van 22 april 2016 van de leiding organisatie aan verzoekster blijkt ook uitdrukkelijk dat er geen strafrechtelijk onderzoek naar verzoekster zal worden ingesteld. De rechtbank trekt hieruit reeds de conclusie dat voor zover vergoeding wordt verzocht van kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de door verzoekster, bij klaagschrift ontvangen op 2 mei 2016, geëntameerde beklagprocedure geen gronden van billijkheid bestaan om het verzoek van verzoekster toe te wijzen.

De rechtbank constateert voorts dat verzoekster bij klaagschrift ingekomen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch op 2 mei 2016, voor zover hier relevant, heeft verzocht om het instellen van een strafrechtelijk onderzoek naar de tegen verzoekster geuite beschuldiging van valsheid in geschrifte en het vervolgen van verzoekster, alsmede om de vervolging van de leden van het managementteam van organisatie. Bij beschikking van 17 oktober 2016 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het beklag in al zijn onderdelen niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster wenst mede vergoeding te verkrijgen van de in verband met die procedure bij het gerechtshof gemaakte kosten.

Voor zover de beklagprocedure betrekking heeft gehad op de vervolging van de leden van het managementteam van het organisatie ontbreken gronden van billijkheid om aan verzoekster een vergoeding voor de in zoverre gemaakte kosten toe te kennen, omdat het klaagschrift in zoverre betrekking heeft op de vervolging van anderen dan verzoekster. Van voldoende samenhang tussen deze kosten en de zaak tegen verzoekster in de hier bedoelde zin is geen sprake. Het verzoek van verzoekster komt daarom in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor het probleem gesteld dat in de onderbouwing van het verzoekschrift is nagelaten onderscheid te maken tussen de kosten die verband houden met het klaagschrift voor zover dit betreft het verzoek tot vervolging van anderen dan verzoekster enerzijds en het verzoek tot het verrichten van onderzoek en de vervolging van verzoekster zelve anderzijds. De rechtbank kan dit punt echter verder onbesproken laten gelet op de navolgende overwegingen.

De rechtbank zal thans beoordelen of voor wat betreft de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de beklagprocedure voor zover daarbij is verzocht om onderzoek naar en vervolging van verzoekster zelve gronden voor billijkheid aanwezig zijn om de daarmee samenhangende kosten te vergoeden. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat uit voornoemd e-mailbericht van de hoofdofficier van justitie van 22 april 2016 kan worden afgeleid dat op dat moment geen voornemen bestond om verzoekster te vervolgen. Het dossier en het verhandelde in raadkamer bieden geen aanknopingspunten om te oordelen dat in dit standpunt tot aan de indiening van het klaagschrift enige verandering was gekomen. Desondanks heeft verzoekster het klaagschrift ingediend. Het doel van verzoekster met de indiening van het klaagschrift was, zo heeft zij verklaard, dat zij in een na gegrondverklaring van het beklag te volgen strafrechtelijke procedure haar onschuld zou kunnen aantonen. In de gegeven situatie had verzoekster op dat moment naar het oordeel van de rechtbank bij het voeren van de beklagprocedure voor zover die betrekking had op het verzoek tot het doen van onderzoek en de vervolging van verzoekster zelve geen - in het kader van de onderhavige procedure - rechtens te respecteren belang. Ook de hier bedoelde kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

De door verzoekster verzochte vergoeding van kosten van rechtsbijstand gemaakt op 19 en 20 oktober 2016, alsmede de verzochte reiskosten hangt, zo begrijpt de rechtbank, samen met de behandeling van de gevoerde beklagprocedure. Ook deze kosten komen gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de beklagprocedure niet voor vergoeding in aanmerking.

Voor wat betreft de door verzoekster verzochte vergoeding van kosten van rechtsbijstand op 3 november 2016 acht de rechtbank genoegzaam duidelijk dat deze kosten verband houden met de eerdergenoemde door de officier van justitie aan (de raadsman van) verzoekster op 3 november 2016 gezonden brief waarmee de zaak is beëindigd. Deze kosten komen daarmee voor vergoeding in aanmerking en worden op grond van het verzoekschrift vastgesteld op 50 minuten maal €280 per uur, te vermeerderen met zes procent kantoorkosten en vervolgens met 21 procent BTW, zijnde in totaal €299,27.

Nu verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek, komen de verzochte kosten voor de indiening van het verzoekschrift en de behandeling ervan in raadkamer, forfaitair te bepalen op een bedrag van in totaal €550, voor vergoeding in aanmerking. Verzocht noch anderszins is aannemelijk geworden dat reden bestaat om af te wijken van de ter zake vastgestelde forfaitaire bedragen. Voor wat betreft de door verzoekster verzochte vergoeding van kosten van rechtsbijstand op 8 en 9 november 2016 overweegt de rechtbank dat dit kosten zijn die zijn gemaakt na de beëindiging van de zaak. Deze kosten moeten daarmee worden geacht te zijn begrepen in de hiervoor genoemde forfaitaire vergoeding voor de kosten van indiening van het verzoekschrift en de behandeling ervan in raadkamer, zodat separate vergoeding hiervan zoals verzocht niet aan de orde kan zijn.

Van overige, hiervoor niet beoordeelde, kosten van rechtsbijstand of andere kosten waarvan thans vergoeding wordt gevraagd is de rechtbank niet gebleken.
 

Conclusie

Gelet op al het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van verzoekster tot vergoeding van kosten toewijzen tot een bedrag van €299,27 plus €550,00, derhalve tot in totaal €799,27, en voor het overige afwijzen.

De rechtbank hecht er aan nog op te merken dat het voorgaande niet betekent dat verzoekster in het geheel niet in aanmerking komt voor vergoeding van een groter deel van de door haar gestelde kosten, maar enkel dat zij deze overige schade in de onderhavige procedure niet vergoed kan krijgen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF