Verzoek ex art. 577b Sv: Aan tijdsverloop van >7 jr kan veroordeelde niet gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat niet meer tot executie ontnemingsmaatregel zou worden overgegaan

Gerechtshof Den Haag 2 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1238

Het gerechtshof heeft bij arrest van 29 april 2008 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van €8.500,00. Deze ontnemingsmaatregel is op 13 juli 2010 door de verwerping van het cassatieberoep onherroepelijk geworden, waarbij de Hoge Raad het te betalen bedrag heeft verlaagd tot €8.075,00.

Namens de verzoeker is vervolgens bij een op 12 januari 2018 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift verzocht het ingevolge de ontnemingsmaatregel te betalen bedrag kwijt te schelden.

Beoordeling van het verzoekschrift

Artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering opent de mogelijkheid voor vermindering of kwijtschelding van het vastgestelde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel.

In hetgeen schriftelijk en ter nadere toelichting op het onderhavige verzoek mondeling in raadkamer is aangevoerd ziet het hof op dit moment geen aanleiding om te komen tot een kwijtschelding of vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Daarbij overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Op basis van het onderzoek in raadkamer stelt het hof, mede gelet op de brief van het Centraal Justitieel Incassobureau d.d. 5 februari 2018, vast dat de veroordeelde de hem bij voormeld arrest opgelegde betalingsverplichting nog niet heeft voldaan. Betalingsonmacht is niet gesteld of gebleken. Het verzoek tot kwijtschelding is uitsluitend gebaseerd op het tijdsverloop tussen het moment waarop de ontnemingsbeslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar werd en het moment waarop de executie daadwerkelijk ter hand is genomen.

Het hof stelt allereerst vast dat de tenuitvoerlegging erg lang op zich heeft laten wachten. Het tijdsverloop van meer dan zeven jaar maakt echter naar het oordeel van het hof niet dat de veroordeelde reeds daaraan de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat niet meer tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel zou worden overgegaan. In dat kader verdient opmerking dat artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering artikel 561 lid 1 van datzelfde wetboek niet van overeenkomstige toepassing verklaart op de executie van de ontnemingsmaatregel.

Voorts is het hof van oordeel dat - voor zover de verjaringsregels al van toepassing zouden zijn op de executie van een ontnemingsmaatregel – van verjaring nog geen sprake is. Het hof is voorts niet van oordeel dat met executie geen redelijk doel meer wordt gediend.

Het hof acht gelet op het bovenstaande geen termen aanwezig het vastgestelde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel kwijt te schelden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF