Absolute verjaringstermijn schuldwitwassen

Hoge Raad 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:842

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 1 tenlastegelegd dat:

"zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2004 tot en met 25 april 2008, te Wageningen en/of Lathum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) heeft omgezet een aantal voorwerp(en) en/of geldbedragen, te weten geldbedragen van 130.000,-- euro en/of 51.000,-- euro, althans enig geldbedrag, gebruikt voor de aanschaf van chalets en/of kavels (op een recreatieterrein in Lathum, a-straat ) en/of voor de verbetering en/of inrichting van voornoemde kavels en/of chalets, door deze eerst aan te kopen en/of op te knappen en/of in te richten en - na investering daarin van genoemde bedragen, althans enig geldbedrag - deze te verkopen, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde geldbedragen, althans enig bedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf."

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"zij op tijdstippen in de periode van de maand januari 2004 tot en met 25 april 2008, te Lathum, tezamen en in vereniging met een ander telkens heeft omgezet een aantal geldbedragen, te weten geldbedragen van 130.000,- euro en enig geldbedrag, gebruikt voor de aanschaf van chalets (op een recreatieterrein in Lathum, a-straat ) en voor de verbetering en inrichting van voornoemde chalets, door deze eerst aan te kopen en op te knappen en in te richten en - na investering daarin van genoemde bedragen, althans enig geldbedrag - deze te verkopen, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk -afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het (impliciet) primair tenlastegelegde (medeplegen van) witwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 420bis Sr. Op witwassen was tot de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit), Stb. 2014, 445, een gevangenisstraf van vier jaren gesteld. Sedertdien is op dat misdrijf een gevangenisstraf van zes jaren gesteld.

Het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van) schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 420quater Sr. Op schuldwitwassen was tot de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de onder 2.2.1 vermelde wet een gevangenisstraf van een jaar gesteld. Sedertdien is op dat misdrijf een gevangenisstraf van twee jaren gesteld.

De feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van de maand januari 2004 tot en met 25 april 2008.

Van het primair tenlastegelegde witwassen is de verdachte vrijgesproken. Het Hof heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als "medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd". De verdachte is te dier zake veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.
 

Middel

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
 

Beoordeling Hoge Raad

Op grond van art. 70, aanhef en onder 3°, Sr in verbinding met het tweede lid van art. 72 Sr beloopt de verjaringstermijn wat betreft het primair tenlastegelegde witwassen ten hoogste tweemaal twaalf jaren. Daarentegen beloopt op grond van art. 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van art. 72 Sr de verjaringstermijn wat betreft het subsidiair tenlastegelegde en door het Hof bewezenverklaarde schuldwitwassen ten hoogste tweemaal zes jaren.

Daaruit vloeit rechtstreeks voort dat het Openbaar Ministerie ten tijde van 's Hofs arrest van 12 april 2017 nog slechts ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk kon zijn in zijn vervolging ter zake van het subsidiair tenlastegelegde.

De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven, ook niet wat betreft de beslissingen ter zake van het primair tenlastegelegde nu het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld en nadien niet op de voet van de art. 453-455 Sv gedeeltelijk is ingetrokken (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59, rov. 2.2).
 

Conclusie AG

8. Ambtshalve merk ik het volgende op. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij op tijdstippen in de periode van de maand januari 2004 tot en met 25 april 2008 geldbedragen van €130.000,-- en enig geldbedrag heeft omgezet door deze geldbedragen te gebruiken voor de aanschaf, verbetering en inrichting van chalets op een recreatieterrein in Lathum, a-straat, door deze chalets eerst aan te kopen, op te knappen en in te richten en deze na investering daarin van genoemde bedragen, althans enig geldbedrag, te verkopen.

9. Het hiervoor vermelde feit is bij art. 420quater Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar is gesteld. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Dit betekent dat het bewezenverklaarde is verjaard voor zover het is begaan voor het jaar 2006.

10. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het omzetten van geldbedragen van €130.000,-- en enig geldbedrag in - kort gezegd - chalets door de aankoop en betaling daarvan plaatsgevonden in het jaar 2004. Ik wijs in het bijzonder op bewijsmiddel 7. In zoverre is het bewezenverklaarde dus verjaard.

11. De bewezenverklaarde chalets zijn blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 7, verkocht op 17 april 2008. De vraag is of daarin nog een zelfstandige vorm van omzetten van bedoelde geldbedragen kan worden gezien. Mijns inziens is dat niet het geval. De geldbedragen waren in 2004 al omgezet in - kort gezegd - chalets. Zoals volgt uit de bewijsoverwegingen van het hof was daarmee naar het oordeel van het hof het omzetten van bedoelde geldbedragen voltooid. Door deze chalets vervolgens weer om te zetten in een geldbedrag is geen sprake van het omzetten van geldbedragen in chalets maar van het omzetten van chalets in geldbedragen.

12. Het voorgaande betekent dat het bewezenverklaarde is verjaard omdat het bewezenverklaarde omzetten reeds in het jaar 2004 was voltooid.2Het middel kan derhalve buiten bespreking blijven.

13. In aanmerking genomen dat het middel niet klaarblijkelijk ongegrond is3, dient het arrest van het hof voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde te worden vernietigd, behalve voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, en dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde behalve voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF