Veroordeling werkgever voor feitelijk leidinggeven aan overtreding van art. 6 WvW na verkeersongeval werknemer met aanhangwagen en door werkgever zelf vervaardigde stalen koppelpen

Rechtbank Oost-Brabant 11 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4263

Op 29 augustus 2015 reed medeverdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een loader met een aanhangwagen (een zogenaamde mobiele puinzeef) over de weg, straatnaam , in Heeze, gemeente Heeze-Leende. De aanhangwagen was met de loader verbonden door middel van een door de verdachte zelf vervaardigde stalen koppelpen met daaraan een stalen driehoeksoog gelast. Tijdens het rijden is ongeveer ter hoogte van de woning met nummer huisnummer de verbinding tussen de loader en de aanhangwagen verbroken doordat het driehoeksoog van de stalen koppelpen is afgebroken. De aanhangwagen met een gewicht van ongeveer 20.790 kilogram was geheel niet beremd en niet voorzien van een goed werkende reminrichting. De inmiddels onbestuurbare aanhangwagen is vervolgens genoemde woning binnengereden. Ten gevolge hiervan heeft slachtoffer, die zich ten tijde van het verkeersongeval in de woonkamer van genoemd pand bevond, zwaar lichamelijk letsel, een wervelfractuur aan de lendewervel, bekomen. Medeverdachte was ervan op de hoogte dat de originele koppelpen was vervangen was door een door verdachte zelf vervaardigde koppelpen. medeverdachte wist ook dat de aanhanger niet was voorzien van remmen.

Strafbaarheid van medeverdachte

Er bestaat geen discussie over het feit dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden dat werd veroorzaakt door het motorrijtuig waarmee de medeverdachte reed, en waardoor iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Allereerst moet beoordeeld worden of dit verkeersongeval aan de schuld van medeverdachte te wijten is, in die zin dat deze zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank stelt voorop dat van medeverdachte, omdat hij als verkeersdeelnemer handelde in de uitoefening van een beroep en gelet op het voertuig waarmee hij reed, meer gevergd kan worden dan van de verkeersdeelnemer in het algemeen. Door het gewicht van de loader en de puinzeef die daaraan was gekoppeld, kan bij een verkeersongeval de schade aan anderen immers al snel zeer ernstige vormen aannemen.

Voorts is van belang dat de combinatie van de loader en de puinzeef niet voldeed aan de voorschriften uit de Regeling Voertuigen. Op grond van deze regeling had de puinzeef voorzien moeten zijn van een werkende reminrichting, die in werking had moeten treden op het moment dat de verbinding verbroken raakte. Daarbij maakt het geen verschil of de puinzeef als aanhanger of als landbouwaanhanger moet worden beschouwd. In zowel artikel 5.12.40 van de Regeling Voertuigen (als ervan wordt uitgegaan dat de puinzeef een aanhangwagen in de zin van deze Regeling is), als in artikel 5.14.31 jo. artikel 15.14.40 van de Regeling Voertuigen (als ervan wordt uitgegaan dat de puinzeef een landbouwaanhanger in de zin van deze Regeling is) is dit voorschrift opgenomen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat medeverdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen. Hij had nooit met dit voertuig de openbare weg op mogen gaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

medeverdachte was er van op de hoogte dat er in het geheel geen beremming op de puinzeef aanwezig was. Hij wist ook dat de verdachte op de ochtend van het ongeval de originele koppelpen van de loader had vervangen door een zelfgemaakt exemplaar. medeverdachte heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Onder meer uit het oogpunt van verkeersveiligheid moet een loader, voordat die op de weg wordt toegelaten, aan allerlei veiligheidseisen voldoen. Met het eigenhandig vervangen van de koppelpen bestond er geen enkele waarborg meer dat de puinzeef veilig was gekoppeld aan de loader. De nieuwe koppeling is ook niet door de verdachte en de medeverdachte op enigerlei wijze getest voordat de medeverdachte ermee op de openbare weg is gaan rijden.

Naar het oordeel van de rechtbank mag van medeverdachte worden verwacht dat hij de risico’s van het rijden met de ongeremde puinzeef, aan de loader gekoppeld door een niet geteste zelf gefabriceerde koppelpen onderkent. Door zich met deze loader en puinzeef op de openbare weg te begeven heeft medeverdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Om die reden concludeert de rechtbank dat het verkeersongeval aan de schuld van de medeverdachte is te wijten.

Strafbaarheid van de rechtspersoon

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen verklaard dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Op grond van vaste jurisprudentie kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank overweegt dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van een gedraging gepleegd in de sfeer van de rechtspersoon. Medeverdachte was ten tijde van het verkeersongeval uit hoofde van een dienstbetrekking als kraanmachinist en chauffeur werkzaam ten behoeve van de rechtspersoon bedrijf . Zijn gedragingen die hebben geleid tot het ten laste gelegde (het vervoeren van de mobiele puinzeef) pasten in de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersoon. Deze gedragingen zijn de rechtspersoon bovendien dienstig geweest in het door de verdachte uitgeoefende bedrijf. Tot slot vermocht de rechtspersoon erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en de gedragingen werden blijkens de feitelijke gang van zaken waarover de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard ook door de rechtspersoon aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de desbetreffende gedraging aldus redelijkerwijs aan genoemde rechtspersoon worden toegerekend en kan de rechtspersoon als dader worden aangemerkt.

De vraag of de rechtspersoon schuld heeft aan het verkeersongeval, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat de schuld van de rechtspersoon kan worden afgeleid uit het handelen van de verdachte. De verdachte is tekortgeschoten in zijn plicht voldoende maatregelen te treffen die uit het oogpunt van veiligheid van hem konden worden gevergd. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte ervoor zorg had moeten dragen dat de aanhangwagen was voorzien van een te allen tijde goed functionerende reminrichting en een veilige koppeling tussen de loader en de aanhangwagen.

Feitelijke leidinggeven door de verdachte

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is.

De rechtbank stelt allereerst op grond van de verklaring van de verdachte vast dat de verdachte directeur is van de rechtspersoon bedrijf en dat zijn personeel als zodanig altijd in opdracht van hem werkt. In het onderhavige geval heeft de verdachte zijn werknemer medeverdachte zelf opdracht gegeven om de puinzeef naar Tilburg te brengen.

De verdachte wist blijkens zijn verklaringen dat puinzeef niet was voorzien van een werkend remsysteem en dat de koppeling een nagemaakte koppelpen bevatte. Hij heeft immers bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de remmen van de mobiele puinzeef ongeveer 20 jaren geleden onklaar heeft laten maken. De originele koppelpen als verbinding tussen de loader en de aanhangwagen in opdracht van de verdachte tijdens het vervoer niet gebruikt, omdat die pen in de ogen van de verdachte te kort was en hij daar geen vertrouwen in had. Op dezelfde dag dat de aanhangwagen van het bedrijfsterrein in Someren naar Tilburg vervoerd werd, heeft de verdachte samen met een werknemer een (vervangende) langere stalen koppelpen vervaardigd. De verdachte heeft zelf een stalen driehoeksoog gebogen en deze aan de koppelpen gelast.

Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er met de mobiele puinzeef een verkeersongeval zou kunnen ontstaan op het moment dat de verbinding tussen de loader en die mobiele puinzeef zou worden verbroken en deze laatste onbestuurbaar zou worden mede door het ontbreken van een goed functionerend remsysteem. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd aan het complex van gedragingen dat uiteindelijk heeft geleid tot de verboden gedraging en voorts daarbij een zodanig initiatief genomen, dat hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.

Vordering van de benadeelde partij

Benadeelde partij slachtoffer heeft een civiele vordering ingediend, maar hij heeft verzuimd om daarin een bedrag op te geven. Omdat het bedrag van de vordering ontbreekt, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Bewezenverklaring

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

  • een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;
  • voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF