Bewijsklachten valsheid in geschrift

Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1230

Medeverdachte staat geregistreerd als enig aandeelhouder en tevens bestuurder van A B.V. (de Verdachte in deze zaak), een Rechtspersoon die handelt in autosloopmateriaal en auto’s. In de administratie van deze onderneming zijn facturen aangetroffen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat zij vals zijn; goederen zijn in werkelijkheid niet geleverd en/of zijn de facturen voorzien van handtekeningen van personen die verklaard hebben die handtekeningen nooit te hebben gezet etc. Deze valse facturen zijn, aldus het hof, ten grondslag gelegd aan de aangiften omzetbelasting van de Verdachte ten einde het systeem van de heffing van de omzetbelasting te misbruiken.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde nietig verklaard en de Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €72.500 wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een Rechtspersoon (feit 1) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een Rechtspersoon (feit 2) en medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een Rechtspersoon (feit 3).

Aangaande het bewijs heeft het hof het volgende overwogen:

“Met betrekking tot feit 1 In de administratie van Verdachte zijn meer facturen gevonden op Naam van B, C, D, E, F B.V. en G.

In het dossier bevinden zich verschillende Getuigenverklaringen inhoudende dat de Getuigen tegen betaling facturen hebben verstrekt aan de vertegenwoordiger van Verdachte, Medeverdachte, zonder dat zij goederen afleverden. Zo heeft Betrokkene 1 verklaard dat hij in 2007 vier tot vijf blanco facturen met zijn handtekening heeft verkocht aan Medeverdachte voor €500. Op zijn facturen stond de Naam B. Ook Betrokkene 2 heeft verklaard dat hij op verzoek van Medeverdachte facturen heeft gemaakt en dat hij daar per factuur €500 voor heeft gekregen. Aan hem zijn ook facturen getoond, die in de administratie van Verdachte zijn gevonden. De auto’s die op de facturen staan, heeft hij niet geleverd, aldus Betrokkene 2.

Betrokkene 3 van E heeft verklaard de in de administratie van Verdachte aangetroffen facturen niet te hebben opgemaakt en de daarop vermelde goederen niet te hebben geleverd. Wel heeft hij verklaard dat hij op verzoek van ene Betrokkene 4 zijn Bedrijf heeft opgericht en dat die Betrokkene 4 facturen heeft laten drukken en dat die Betrokkene 3 ongeveer 25 facturen blanco heeft getekend voor Betrokkene 4 en aan Betrokkene 4 heeft gegeven. De in de administratie van Verdachte aangetroffen drie facturen zijn volgens Betrokkene 3 drie van de door hem getekende 25 blanco facturen.

Betrokkene 5 heeft verklaard dat hij zich met Betrokkene 6 heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat dit een idee van Betrokkene 6 was. Hij kent het Bedrijf C niet. Hij heeft de facturen van dit Bedrijf nooit gezien. Hijzelf kan niet schrijven. Hij weet dat Betrokkene 6 facturen op zijn Naam heeft besteld. In de tijd dat dit gebeurde, was hij vaak dronken en gebruikte hij heroïne. Uit de verklaring van Betrokkene 7 blijkt dat F B.V. van hem is geweest. Aan hem zijn facturen getoond, die in de administratie van Verdachte zijn gevonden. Hij heeft verklaard dat hij deze facturen nooit heeft gemaakt en dat hij nooit onderdelen of een vrachtwagen aan Medeverdachte heeft verkocht.

Medeverdachte heeft verklaard dat alle bovengenoemde verklaringen onjuist zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Alle hiervoor genoemde Getuigen verklaren dat zij de goederen op de bewuste bij Verdachte aangetroffen facturen niet hebben geleverd. De Getuigen hebben verklaard over de handel in facturen, te weten het los verstrekken aan, dan wel het verkrijgen door Medeverdachte of derden van (getekende) blanco facturen of op verzoek opgemaakte facturen. Dat al deze mensen Verdachte een loer hebben willen draaien, acht het hof ongeloofwaardig. Nu de verklaringen van de Getuigen op voornoemde onderdelen van al deze Getuigen facturen in de administratie van Verdachtes Bedrijf zijn aangetroffen, acht het hof - met de rechtbank - de verklaringen van de Getuigen betrouwbaar. Deze zullen voor het bewijs worden gebruikt.

In de administratie van Verdachte zijn bovendien ook drie blanco facturen aangetroffen van andere bedrijven, waarvan vertegenwoordigers hebben verklaard de facturen niet te kennen of niet aan Verdachte te hebben geleverd. De valsheid is ook hierin gelegen dat er sprake is van valse handtekeningen. Betrokkene 1 en Betrokkene 7 hebben verklaard dat zij niet hebben geleverd, maar hun facturen zijn wel - voorzien van een handtekening - in de administratie van Verdachte opgenomen. Het hof is van oordeel dat de handtekeningen op deze facturen op grond daarvan als vals dienen te worden aangemerkt.

Hieruit volgt dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3

Het hof overweegt - grotendeels conform de rechtbank - als volgt. Uit de jurisprudentie volgt dat er geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, als de identiteit van de leverancier niet vaststaat of als de op de facturen vermelde leverancier een andere is dan degene die de op de facturen vermelde leveringen heeft verricht. Naar het oordeel van het hof heeft Verdachte daarom ten onrechte voorbelasting afgetrokken. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat er facturen in de administratie van Verdachte zijn aangetroffen, waarvan de identiteit van de leverancier niet vaststaat dan wel dat de goederen zijn geleverd door een ander (Bedrijf) dan op die facturen vermeld en dat Verdachte daarvan wist. Voor zover deze facturen ten grondslag zijn gelegd aan aangiften omzetbelasting zijn deze aangiften opzettelijke onjuist gedaan. Uit het voorgaande volgt dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.”
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
 

Conclusie AG

Eerste middel

Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de valsheid in geschrift niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu er een discrepantie bestaat tussen de bewijsmiddelen – voor zover inhoudende dat de goederen niet daadwerkelijk aan de Verdachte zijn geleverd – en hetgeen door het hof bewezen is verklaard, namelijk dat de op de facturen genoemde leveranciers onjuist zijn en/of de handtekeningen daarop vals zijn, en voorts de door de Getuigen afgelegde belastende verklaringen, met name die van Betrokkene 1 en Betrokkene 7, onbetrouwbaar zijn.

Van de gestelde discrepantie is echter geen sprake. Het aanwezig hebben van facturen met een valse handtekening en/of facturen waarop staat vermeld dat er goederen geleverd zijn, is niet strijdig met de vaststellingen van het hof dat de goederen telkens in werkelijkheid niet zijn geleverd. Daaraan doet niet af dat zich in de administratie van de Verdachte of de Medeverdachte Medeverdachte hier en daar ook facturen bevonden die aannemelijk maken dat er ook goederen daadwerkelijk zijn geleverd (en weer zijn doorverkocht). Voorts merk ik hier nog maar eens op dat de feitenrechter, binnen de door de wet getrokken grenzen, vrij is om van het beschikbare materieel datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt.2 Het hof heeft niet onbegrijpelijk de verklaringen van de Getuigen, ook die van Betrokkene 1 en Betrokkene 7, betrouwbaar bevonden en kon deze derhalve tot het bewijs bezigen.

Het eerste middel faalt.
 

Tweede middel

Het tweede middel, dat op het eerste middel doorborduurt en klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ter zake, deelt het lot van het eerste middel. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijk vastgesteld dat de vrachtwagen in kwestie niet is geleverd. Dat er mogelijk ‘bewijsmiddelen’ zijn die anders willen doen vermoeden, maakt dat niet anders. Voor zover het middel inhoudt dat de verdediging ter zake een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen ten aanzien waarvan het hof in de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zou zijn tekortgeschoten, wordt over het hoofd gezien dat hetgeen de raadsman ten aanzien van dit punt op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd aan de hand van de pleitnota, niet kan gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

Ook het tweede middel faalt.
 

Derde middel

Het derde middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet bij feit 1, inhoudend valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), begaan door een Rechtspersoon, waarbij wederom wordt betoogd dat de door de verschillende Getuigen afgelegde verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve onbetrouwbaar zijn.

In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat de Medeverdachte andere personen heeft verzocht om facturen op te maken, of blanco facturen te fabriceren, dat deze personen daarvoor betaald kregen, dat die andere personen hebben verklaard dat dit op verzoek van de Medeverdachte gebeurde en dat in werkelijkheid de goederen nooit zijn geleverd dan wel zij nooit een handtekening hebben gezet, is het oordeel van het hof dat de Verdachte met opzet heeft gehandeld allerminst onbegrijpelijk. Voor zover het middel nog wil betogen dat het hof te dezen “op geen enkele wijze gereageerd heeft” op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, faalt het ook in zoverre, nu hetgeen door de verdediging in dit verband naar voren is gebracht niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert. Overigens, ook als daar anders over wordt gedacht treft de klacht geen doel, omdat dan kan worden gezegd dat de weerlegging van dat standpunt besloten ligt in ’s hofs bewijsvoering.
 

Vierde middel

Het vierde middel houdt in dat geen sprake is van valse facturen en dat de belastingontduiking is gebaseerd op “louter aannames” dat de facturen vals zijn, waardoor de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 op losse schroeven komen te staan. Het vijfde middel klaagt met betrekking tot de feiten 2 en 3 erover dat het hof opzet heeft bewezenverklaard, althans dat het hof het desbetreffend bewijsverweer zonder enige redengevende motivering is gepasseerd.

Ook deze twee middelen falen gelet op de bewijsconstructie van het hof, meer in het bijzonder voor zover deze betrekking heeft op de valse facturen die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften omzetbelasting, en hetgeen ik in mijn bespreking van de eerste drie middelen heb opgemerkt.
 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF