Veroordeling wegens PGB-fraude. Uitleg TLL. Hof: Benadelingsbedrag staat in geen verhouding tot bedrag dat de Rb en AG als uitgangspunt hebben genomen. Vergelijking in vonnis met ‘Palm Invest’ gaat niet op.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5131

Blijkens de tekst van de tenlastelegging wordt verdachte onder 1 verweten dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd met betrekking tot diverse formulieren en cliënten. Waar de vermeende valsheid uit zou bestaan, is uitgewerkt na de zinsnede “bestaande die valsheid hieruit dat (…)”. Hetgeen hierop volgt houdt kort gezegd in dat op naam van de in de tenlastelegging genoemde personen formulieren zijn opgesteld terwijl die personen in werkelijk niet van (de juiste inhoud van) die formulieren op de hoogte waren en/of dat zij deze formulieren in werkelijkheid niet hadden opgemaakt/ingevuld. Onder feit 2 primair is op dezelfde wijze het gebruik maken van de betreffende formulieren ten laste gelegd.

De ten laste gelegde valsheid houdt nadrukkelijk niet in dat de inhoud van de betreffende formulieren onjuist zou zijn in die zin dat meer zorg zou zijn verantwoord dan aan de cliënten is geleverd, maar wordt aldus (enkel) gevormd door het feit dat de formulieren buiten de in de tenlastelegging genoemde cliënten om zijn opgemaakt/ingevuld.

Bevestiging voor deze opvatting is te vinden in hetgeen de advocaat-generaal in zijn schriftelijke standpunt ten behoeve van de zitting op 20 juli 2015 heeft meegedeeld, inhoudende: “De reden voor de opmerking dat de relevantie van het onderzoek wordt betwist is dat – zelfs al zou er zorg zijn verleend – dit onverlet laat dat de valsheid in geschrifte zoals onder 1 ten laste gelegd bewezen verklaard kan worden, nu hetgeen daar is verwoord niet afhankelijk is van de vraag of de zorg conform de aanvraag is geleverd. Ten laste gelegd is immers – verkort weergegeven – dat verdachte(n) valselijk aanvraagformulieren heeft/hebben opgemaakt, door deze blanco te laten ondertekenen en vervolgens later, zonder de aanvrager daarvan op de hoogte te stellen, deze aanvragen nader in te vullen”.

En voorts: “Het Openbaar Ministerie bestrijdt voorshands dat de zorg inderdaad volledig en conform de indicaties en aanvragen is verleend, hetgeen alleen al kan blijken uit de mate waarin verdachte(n) verkregen gelden ten eigen bate hebben besteed. Zo echter onomstotelijk vastgesteld zou worden dat er inderdaad op legale wijze juiste en volledige zorg is verleend, heeft dit allicht wel gevolgen voor de strafmaat en voor de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel” (het hof begrijpt: en zou die constatering derhalve geen invloed hebben op de bewijsvraag).

Uit het voorgaande blijkt dat de raadsman de tenlastelegging juist heeft uitgelegd: De kern van het verwijt dat onder 1 en 2 primair aan verdachte wordt gemaakt is dat zij buiten de in de tenlastelegging genoemde cliënten om formulieren uit hun naam heeft opgemaakt/ ingediend zonder dat zij (van de inhoud) daarvan op de hoogte waren.

Feit 1 (valsheid in geschrifte) en 2 primair (gebruik maken van valse geschriften)

Onder 1 wordt verdachte onder meer verweten dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd met betrekking tot zogenoemde leefgeldformulieren op naam van onder meer benadeelde 7, benadeelde 8, benadeelde 9 en benadeelde 10. Verdachte heeft dit onderdeel van de tenlastelegging bekend. Het feit kan in zoverre wettig en overtuigend worden bewezen.

Met betrekking tot de overige genoemde formulieren is voor de beoordeling van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, ten eerste van belang de verklaring die verdachte ter terechtzitting van de rechtbank heeft afgelegd. Deze verklaring houdt met betrekking tot het invullen van verantwoordingsformulieren onder meer in: “De voorzitter vraagt mij naar de verantwoordingsformulieren PGB die bij het zorgkantoor werden ingediend. Ik antwoord daarop dat deze formulieren soms wel samen met de cliënt werden ingevuld en soms niet. Bij het zorgkantoor moest ik elke zes maanden verantwoorden. Het was meer administratief. Wij hebben toen besloten om de cliënten alles te laten tekenen. Ik liet de cliënten tekenen. Op het moment van tekenen waren de formulieren niet altijd ingevuld. Soms werden de formulieren blanco getekend. Op het einde gebeurde dat heel vaak.”

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte in dit verband nog verklaard: "Ik heb inderdaad wel blanco formulieren door cliënten laten tekenen; het ging dan om formulieren ter stopzetting van het PGB na het vertrek van de cliënt in kwestie bij bedrijf ".

Voorts is van belang dat het dossier verklaringen bevat van de in de tenlastelegging genoemde cliënten van bedrijf, verdachtes bedrijf, inhoudende dat zij diverse blanco (oningevulde) formulieren moesten ondertekenen. benadeelde 1 heeft bijvoorbeeld verklaard: “Over het verantwoordingsformulier kan ik zeggen dat om die te tekenen wij met een aantal mensen naast elkaar moesten zitten en dan kregen wij allemaal een stapel. Wel 10 stuks. Die formulieren waren helemaal leeg. Mevrouw verdachte zei dat ze dit zo deed omdat ze ons dan niet steeds opnieuw hoefde te vragen om een handtekening te zetten”.

Benadeelde 3 heeft eveneens verklaard dat zij van verdachte een leeg formulier moest ondertekenen. Zij verklaart voorts: “Ik had een stapel papieren meegekregen toen ik weg ben gegaan bij bedrijf. Ik zag hiertussen zitten een formulier welke ik in het begin had getekend. Op dat moment was deze niet ingevuld. Nu zag ik dat deze was ingevuld. Ik had dit formulier niet ingevuld”.

Ook benadeelde 4 en benadeelde 5 hebben verklaard dat zij blanco formulieren hebben moeten ondertekenen. benadeelde 5 heeft daarbij verklaard dat zij de aan haar getoonde verantwoordingsformulieren, waarvan het hof op grond van de datumstempel aanneemt dat deze daadwerkelijk zijn ingediend, blanco heeft moeten tekenen. Zij verklaart daarbij: “Ik weet sowieso zeker dat ik die bedragen en data die daar staan nooit heb gezien.”

Hoewel benadeelde 2 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren of zij formulieren heeft ondertekend zonder dat deze waren ingevuld, blijkt uit het dossier dat dit wel het geval is geweest. Op p. 2272 van map 6 zijn verantwoordingsformulieren, zorgovereenkomsten en wijzigingsformulieren te vinden waarop slechts een handtekening staat. Deze handtekening komt overeen met de handtekening van benadeelde 2 onder haar aangifte. In combinatie met het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat ook benadeelde 2 blanco formulieren heeft ingevuld.

Dat de formulieren, genoemd in feit 2 primair, zijn ingediend bij Achmea Zorgverzekeringen en/of CIZ blijkt alleen al uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg. Die verklaring komt erop neer dat zij telkens CIZ-indicaties vroeg en verkreeg, op basis daarvan het PGB aanvroeg bij Achmea en vervolgens het verkregen PGB verantwoordde bij Achmea.

Naast het vervalsen van leefgeldformulieren kan op grond van het voorgaande wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte benadeelde 1, benadeelde 3, benadeelde 4, benadeelde 5 en benadeelde 2 diverse andere, blanco formulieren heeft laten ondertekenen en deze vervolgens heeft ingevuld en ingediend, zonder dat betrokkenen op de hoogte waren van de inhoud van het formulier, zoals onder 1 en 2 primair is ten laste gelegd.

Nu benadeelde 6 bij herhaling heeft verklaard dat zij geen blanco formulieren heeft ondertekend, kan ten aanzien van deze cliënte geen bewezenverklaring volgen.

Dit geldt eveneens voor het ten laste gelegde medeplegen, nu niet is gebleken dat verdachte bij het voorgaande bewust en nauw met een ander of anderen heeft samengewerkt.

Feit 3 (witwassen)

Onder 3 wordt verdachte verweten dat zij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen (zoals geldbedragen, sieraden, auto’s en woningen) te verwerven en/of voorhanden te hebben, terwijl zij en/of haar medeverdachte wist(en) dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Niet ter discussie staat dat verdachte en/of medeverdachte verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad. Vervolgens dient beoordeeld te worden of deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Terecht heeft de raadsman erop gewezen dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, die zoals hiervoor overwogen door het hof bewezen worden verklaard, geen voordeel hebben opgeleverd en derhalve niet als grondmisdrijf voor het onder 3 ten laste gelegde witwassen kunnen worden aangemerkt.

De advocaat-generaal lijkt overeenkomstig het vonnis van de rechtbank de mening te zijn toegedaan dat de inkomsten van het bedrijf bedrijf, bestaande uit PGB-gelden, (grotendeels) onrechtmatig zijn verkregen als gevolg van oplichting, en dat, nu de in het ten laste gelegde genoemde voorwerpen, via de door verdachte uit bedrijf verkregen winsten, van die gelden zijn betaald, zij van misdrijf afkomstig zijn en verdachte ter zake van witwassen kan worden veroordeeld.

Voor de beoordeling van de vraag of de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen inderdaad afkomstig zijn uit misdrijf, acht het hof van belang inzicht te verschaffen in het systeem van het PGB als zodanig en de plaats daarvan binnen het systeem van zorgverlening op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

“Wanneer iemand als gevolg van ziekte, handicap of ouderdom behoefte heeft aan zorg, kan hij die aanvragen bij het CIZ. Dit gebeurt door het indienen van een aanvraagformulier zorg. Dit is een standaardformulier van het CIZ. Op dit formulier moet onder andere aangegeven worden welke ziekte, aandoening of klacht de betrokkene heeft, welke problemen hij hierdoor ondervindt en welke zorg gewenst is. Bij het aanvraagformulier zorg hoort een verklaring waarin wordt aangegeven dat de gegevens op het aanvraagformulier juist en naar waarheid zijn ingevuld. In bepaalde situaties waarin het gaat om een betrokkene die al zorg ontvangt op grond van een bepaald type indicatiebesluit kan worden volstaan met een verkort aanvraagformulier zorg. Hier hoort eenzelfde verklaring bij als bij het gewone aanvraagformulier.

Zorg kan worden toegekend voor verschillende soorten zorg, te weten: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, kortdurend verblijf en verblijf. Deze soorten zorg worden aangeduid met de term functies.

Op basis van het aanvraagformulier zorg en eventuele aanvullende informatie en/of aanvullend onderzoek geeft het CIZ een indicatiebesluit af. Daarin staat of de betrokkene recht heeft op zorg en, zo ja, op welke zorg.

Het CIZ regelt de zorg niet zelf.

De betrokkene kan kiezen voor zorg in natura (hierna: ZIN) of een PGB.

Kiest de betrokkene voor ZIN dan stuurt het CIZ het indicatiebesluit naar het zorgkantoor en regelt het zorgkantoor dat een zorgverlener de juiste zorg aan de betrokkene levert.

Kiest de betrokkene voor een PGB, dan kent het zorgkantoor een budget toe waarmee de betrokkene zelf zorg kan inkopen.

Niet voor alle functies kan een PGB worden toegekend. Dit kan alleen voor verzorging, verpleging, begeleiding en kortdurend verblijf (enkele etmalen per week). (…) Heeft de betrokkene gekozen voor een PGB, dan kent het zorgkantoor op basis van het indicatiebesluit van het CIZ een budget toe.

Behelst het indicatiebesluit een zorgzwaartepakket (hierna: ZZP), een volledig pakket van zorg afgestemd op de kenmerken van bepaalde groepen mensen en de zorg die zij nodig hebben, dan past het zorgkantoor een zogenoemde toekenningstabel toe. Die tabel voorziet in een vertaling van een ZZP naar een PGB met de functies persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding.

Het door het zorgkantoor toegekende bruto budget wordt verminderd met een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het netto budget – het bruto budget minus de eigen bijdrage – wordt door het zorgkantoor bij wijze van voorschot betaald. Afhankelijk van de hoogte van het budget wordt het per maand, kwartaal, half jaar of jaar betaald.

Voor het toegekende budget kan de betrokkene zorg inkopen bij een zorgverlener. Hij sluit daartoe een zorgovereenkomst. In de zorgovereenkomst wordt neergelegd welke zorg afgesproken is en welke prijs daarvoor wordt betaald. De zorgovereenkomst moet door de betrokkene en de zorgverlener ondertekend worden. Een modelovereenkomst is bij het Servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) verkrijgbaar.

Over de besteding van het budget moet, afhankelijk van de hoogte van het budget, op een of meer tijdstippen per jaar verantwoording worden afgelegd. Dit gebeurt door het indienen van het standaard verantwoordingsformulier PGB bij het zorgkantoor. Op dit verantwoordingsformulier worden naast de gegevens van de budgethouder – de betrokkene aan wie het budget is toegekend – de verantwoordingsperiode en het in totaal aan de zorgverleners in die periode betaalde bedrag ingevuld. Op de bijlage bij het formulier wordt het totaalbedrag uitgesplitst naar zorgverlener en worden per zorgverlener de soorten hulpverlening (functies) aangekruist. Ter controle van hetgeen op het zorgformulier is ingevuld kan het zorgkantoor declaraties, zorgovereenkomsten en bankafschriften opvragen (de zogenoemde intensieve controle). Over 1,5% van het netto budget – het zogenoemde vrij besteedbare bedrag – hoeft de betrokkene geen verantwoording af te leggen.

Het PGB is gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor zorg. Blijkt een deel van het budget niet uitgegeven te zijn aan zorg, dan moet de betrokkene dat deel terugbetalen. (…)

Na ontvangst van de verantwoordingsformulieren en eventuele aanvullende controle wordt het budget definitief vastgesteld door het zorgkantoor.

Eventuele tussentijdse wijzigingen in de omstandigheden van de budgethouder dienen aan het zorgkantoor doorgegeven te worden middels een wijzigingsformulier PGB. Dit is een standaard formulier.

De budgethouder kan een persoon of een bedrijf, vertegenwoordigd door een bepaalde persoon, machtigen, als zaakwaarnemer, in zijn naam op te treden. Dit gebeurt via het standaard formulier machtiging zaakwaarnemer van het zorgkantoor.

Nederland is onderverdeeld in zorgkantoorregio’s. Voor Flevoland is het zorgkantoor Achmea Zorgkantoor, regio Flevoland.”

Het hof sluit zich bij deze overweging aan en neemt deze over. Ter verduidelijking van dit systeem zoals het destijds functioneerde wordt het volgende aan deze overweging toegevoegd.

Met name uit de verklaringen van getuigen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de budgethouder een grote vrijheid toekwam in de wijze waarop het PGB-budget werd besteed. Zo was het toegestaan om het PGB te besteden aan andere functies dan waarvoor de indicatie was verleend en kon met functies worden geschoven. Zo was het mogelijk dat iemand die een PGB had gekregen voor de functie “tijdelijk verblijf” het budget besteedde aan de inkoop van een andere functie, bijvoorbeeld, begeleiding. Anders dan de rechtbank heeft overwogen was het in de praktijk ook mogelijk om het PGB te besteden aan langdurig verblijf, zoals bij bedrijf gebeurde. Dat er op het verantwoordingsformulier vervolgens ‘tijdelijk verblijf’ werd aangekruist, terwijl in werkelijkheid derhalve sprake was van langdurig verblijf, werd eveneens geaccepteerd. De getuige getuige heeft in dit verband verklaard dat de controle die het Zorgkantoor aan de hand van de ingediende verantwoordingsformulieren verrichtte puur financieel van aard was en dat niet werd nagegaan welk deel van het budget aan welke zorg was besteed. Evenmin hoefde op de verantwoordingsformulieren te worden aangegeven hoeveel uren zorg per aangekruiste functie was verleend. Bovendien bestonden voor de kwaliteit van de geleverde zorg geen richtlijnen; het stond een budgethouder vrij om zorg ‘bij de buurman’ in te kopen en afspraken te maken over vergoeding van “niet afgenomen” uren.

Het begrip 'van misdrijf afkomstig', zoals tenlastegelegd, laat weliswaar ruimte voor bewezenverklaring van een ander misdrijf dan oplichting, maar de advocaat-generaal heeft zich beperkt tot het misdrijf van oplichting en, al uitgaande van het bestaan voor aanwijzingen voor dát misdrijf, geldt dat van enige aanwijzing voor een ander misdrijf dat voordeel heeft opgeleverd dan die oplichting geen sprake is. Het hof beperkt zich daarom tot de vraag of van het grondmisdrijf oplichting sprake was.

Verklaringen van verdachten of getuigen waarin concreet is aangegeven dat en hoe verdachte oplichting gepleegd heeft zijn niet beschikbaar. Dat betekent dat het onderling verband tussen overige feiten en omstandigheden de conclusie moet kunnen rechtvaardigen dat, desondanks, van oplichting sprake is geweest.

Naast het horen van getuigen en deskundigen in hoger beroep zijn door de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Fryslân (GGD) en Ernst & Young Accountants LLP (EY) uitgebreide rapportages uitgebracht hoe de zorgverlening en de financiering daarvan binnen bedrijf was georganiseerd. Op basis van het aldus verkregen dossier wordt als volgt geoordeeld.

In het oog springend in deze zaak kan worden genoemd het gegeven dat verdachte vele vermogensbestanddelen van aanzienlijke waarde heeft verworven. De tenlastelegging benoemt deze: contante geldbedragen van tienduizenden euro's, een banktegoed van ruim € 167.000,-, sieraden ter waarde van bijna vier ton, meerdere auto's en huizen. Het is in dit verband niet van belang vast te stellen of in bewijsrechtelijke zin kan worden vastgesteld dat verdachte al die, in de tenlastelegging genoemde, goederen heeft verworven. Van belang is slechts de, ook al zou op onderdelen een dergelijke vaststelling niet mogen plaats vinden, vaststelling dat zij hoe dan ook een aanzienlijk vermogen heeft verworven. Toen verdachte in 2005 met haar bedrijf bedrijf begon had ze geen cent. Haar vermogen heeft ze dus middels haar bedrijf bedrijf, waarvan zij enig aandeelhoudster was, verkregen. Wie de jaarcijfers, voor zover beschikbaar beziet, kan vaststellen dat de bedrijfswinst een dergelijke vermogensverwerving zeer wel toeliet. Uitgaande van de jaarrekeningen van bedrijf, zoals aanwezig in het dossier, valt waar te nemen dat de bedrijfswinst van bedrijf in het eerste jaar van exploitatie nog negatief was, maar vanaf 2006 opliep van € 77.601,- in dat jaar via € 441.715 in 2007 en € 534.168 in 2008 naar € 682.783 in 2009.

De enige inkomstenbron van bedrijf en dus de enige basis voor vermogensvorming door verdachte waren de PGB-budgetten van de cliënten van bedrijf. Met andere woorden: verdachte heeft, zo zal een gemiddeld burger dat gemakkelijk kunnen ervaren, aanzienlijke rijkdom verworven met gemeenschapsgeld.

Die enkele vaststelling rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat sprake geweest moet zijn van oplichting. Verdachte exploiteerde een bedrijf en dat bedrijf was gericht op het maken van winst, zoals vele anderen in de zorg en daarbuiten (maar met als inkomstenbron gemeenschapsgeld) bedrijven exploiteren en kans zien winst te maken.

In deze zaak is niet in geschil dat bedrijf aan de in de tenlastelegging genoemde cliënten en vele anderen feitelijk zorg heeft verleend. De voor de conclusie dat van oplichting sprake is geweest redengevende en archetypische situatie dat wel PGB-budgetten zijn aangevraagd en verkregen, maar in het geheel geen zorg is verleend doet zich dus niet voor. Gaande het onderzoek in hoger beroep is om die reden de vraag onderzocht of de verantwoorde zorg in wezenlijke mate niet is geleverd. Indien die situatie zich zou voordoen en daarin een structureel patroon zou kunnen worden onderkend, zou de conclusie gerechtvaardigd kunnen zijn dat het kennelijk van meet af aan de bedoeling was meer te declareren dan aan zorg te leveren. Daarmee zou de vaststelling dat oplichting gepleegd is wel onderbouwd kunnen worden.

De deskundigen van EY hebben de administratie van bedrijf doorgespit. Het onderzoek is, in overleg met de procespartijen, beperkt gebleven tot de zorg die verleend is aan de in de tenlastelegging genoemde zes cliënten van bedrijf. Uit dat onderzoek blijkt dat bedrijf claimt meer zorguren te hebben geleverd dan aan de desbetreffende cliënten zijn toegekend. Er is dus, uitgaande van de juistheid van de aan deze bevinding ten grondslag liggende bescheiden, meer zorg verleend dan waartoe bedrijf gehouden was. Deze vaststelling vormt eerder een contra-indicatie voor oplichting dan een aanwijzing voor de aanwezigheid daarvan.

Nu is papier geduldig en kunnen dus op dat papier zorguren opgenomen worden die niet geleverd zijn. Om die reden is het onderzoek van EY mede gericht geweest op de vraag of de door bedrijf beweerdelijk geleverde zorg feitelijk wel geleverd kon worden met het personeelsbestand dat bedrijf had. Daarbij verdient opmerking dat de door bedrijf beweerdelijk geleverde uren zorg veelal meer waren dan het volgens de indicatiestelling te leveren (minimum) aantal uren zorg.

EY heeft daartoe over de jaren 2005 tot en met 2010, per jaar, berekend welk aantal uren zorg aan de zes in de tenlastelegging genoemde cliënten is verleend en in kaart gebracht welk personeelsbestand in die periode (uitgedrukt in uren) beschikbaar was voor de zorgverlening aan die zes cliënten én alle overige in de desbetreffende jaren aanwezige cliënten. Op basis van die overzichten kan eenvoudig geconstateerd worden dat voldoende personeel beschikbaar was om de zorg aan de zes cliënten in kwestie te verlenen. Ook valt te constateren dat in ieder jaar een substantieel aantal beschikbare personeelsuren overbleef voor de zorg aan de overige cliënten. Over de vraag of dat aantal wezenlijk onvoldoende was bevat het rapport van EY geen conclusie. De vraag of met het beschikbare personeel alle zorg kon worden verleend was niettemin wel aan EY gesteld. Dat een conclusie is uitgebleven is geen onwil van de deskundigen, maar onmacht. Een onmacht die ook het hof voelt.

Dat de totale personeelscapaciteit tekort schoot - en dat dan ook nog eens in wezenlijke mate - om alle cliënten de zorg te bieden die hun op basis van ieders indicatie en PGB-budgettoekenning toekwam, zou slechts verantwoord geconcludeerd kunnen worden indien gegevens beschikbaar zouden zijn over de zorg die toekwam aan dan wel verleend is aan al die andere cliënten. Dat aspect van de zaak viel echter niet binnen de verleende onderzoeksopdracht en is om die reden niet onderzocht. Feitelijk gevolg is niettemin wel dat relevante gegevens ter zake ontbreken. Ook het hof kan daarom niet komen tot de conclusie dat, kort gezegd, bedrijf aan de zes in de tenlastelegging genoemde cliënten in wezenlijke mate de zorg heeft onthouden die is verantwoord aan het zorgkantoor.

Het rapport van de GGD bevat de conclusie dat in de onderzoeksperiode sprake was van een zodanig tekort aan fte's van de vaste gediplomeerde medewerkers dat het niet mogelijk was aan alle cliënten de toegekende uren zorg te verlenen. Die conclusie, indien juist, zou kunnen nopen tot heroverweging van het in de vorige alinea gegeven oordeel. Voor die heroverweging bestaat echter geen aanleiding. Op de eerste plaats geldt dat in het rapport van de GGD buiten beschouwing is gelaten het aantal zorguren dat door stagiaires is verleend. Daaraan liggen opvattingen over vereiste kwaliteit van de zorg ten grondslag, maar de PGB-regelingen bevatten dergelijke kwaliteitseisen niet voor de binnen het PGB-budget verleende zorg. Op de tweede plaats geldt ook voor dit rapport dat geen gegevens beschikbaar zijn kunnen komen over de zorgbehoefte van alle andere cliënten dan de zes onderzochte.

Het zicht op de urenverantwoording in vergelijking met de gegeven indicatie en daardoor op mogelijke onjuistheid van de zorgverantwoording wordt bovendien vertroebeld door hetgeen hierboven al is vastgesteld: Het PGB behoefde niet te worden besteed aan de functies waarvoor het was toegekend. Het was de cliënten ook duidelijk dat zij langdurig zouden verblijven bij bedrijf.

De advocaat-generaal heeft nog gesteld dat het streven van verdachte er enkel of voornamelijk op was gericht om zo hoog mogelijke indicaties en - daaraan gekoppeld - PGB’s te verwerven, zoals de rechtbank heeft overwogen. Bewijs voor onregelmatigheden bij de aanvraag indicatiestelling is echter in de deskundigenrapportages noch elders in het dossier te vinden.

Het voorgaande, in onderling verband bezien, maakt dat niet kan worden bewezen dat de onder 3 ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit misdrijf. Verdachte wordt om die reden van dit feit vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 2 primair: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF