Veroordeling wegens overtreding Sanctiewet: Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van zijn bedrijf 2 jaar handel gedreven met een bedrijf in Iran

Rechtbank Oost-Brabant 4 september 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4666

Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van zijn bedrijf twee jaar lang handel gedreven met een bedrijf in Iran terwijl dit toen op grond van Europeesrechtelijke sancties verboden was. Het bedrijf in Iran was geplaatst op een lijst met titel "bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen".
 

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot feit 1 is allereerst aangevoerd - kort samengevat - dat noch de bedrijf 2, noch de bedrijf 6 op de bijlage van EU-Verordening nr. 267/2012 staat vermeld. Subsidiair is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode feitelijk leiding gegeven aan het verzenden van goederen aan Iran. Het algemeen beleid van verdachte was er niet op gericht om het Iran-embargo te schenden. Op de eerste plaats wist verdachte ten tijde van de uitvoer van de goederen niet dat deze goederen voor Iran waren bestemd. De in dat verband door verdachte bij de Douane afgelegde (op het eerste oog mogelijk - deels - erkennende) verklaringen dienen te worden genuanceerd en moeten bezien worden in het licht van de feiten en omstandigheden ten tijde van het afleggen van die verklaringen. Van voorwaardelijk opzet kan evenmin worden gesproken, omdat uit het dossier niet onomstotelijk blijkt dat de aan ontvangers in Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten geleverde goederen daadwerkelijk in Iran terecht zijn gekomen.

Met betrekking tot feit 2 is onder meer aangevoerd - kort samengevat - dat verdachte er geen wetenschap van had dat hij valsheid in geschrift pleegde op het moment dat hij gehoor gaf aan het verzoek van de klant om de waarde op de invoices aan te passen. Voorts is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat (het bedrijf van) verdachte het oogmerk had om de invoices te gebruiken om daarmee de douaneautoriteiten te misleiden. Uit het dossier blijkt niet dat er daadwerkelijk iemand door de invoices is misleid. Tot slot is noch de Nederlandse Staat, noch de Europese Unie door de valse invoices benadeeld, aldus de raadsman.
 

Oordeel rechtbank

Feit 1

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen omdat de bedrijf 2 niet is opgenomen geweest in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012, overweegt de rechtbank - onder verwijzing naar het hierboven geschetste juridische kader - dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Het verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank merkt hierbij op dat voormelde entiteit eerst met ingang van 16 oktober 2012 op bijlage IX is vermeld, zodat te haren aanzien pas vanaf die datum sprake is van een strafbaarstelling voor het tenlastegelegde delict.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat bedrijf 1 B.V. economische middelen indirect ter beschikking heeft gesteld aan de bedrijf 2. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

In de tenlastelegging zijn zeven uitvoerzendingen opgenomen. De rechtbank stelt vast dat deze zendingen daadwerkelijk zijn verzonden door bedrijf 1, naar Dubai dan wel naar Turkije. De uitvoerzending van 19 oktober 2012 (order 207.378.044) werd verstuurd naar mr. betrokkene 4 in Dubai. De uitvoerzendingen van 11 december 2012 (order 207.378.045), 18 april 2014 (order 207.498) en 24 april 2014 (order 207.470H5), werden verstuurd naar betrokkene 3 Ltd. in Turkije. De uitvoerzendingen van 17 juli 2014 (orders 207.470H3 en 207.470I) en 6 februari 2015 (order 207.470D) werden verstuurd naar betrokkene 2 Ltd. in Turkije.

Deze uitvoerzendingen bevatten telkens economische middelen in de zin van de EU-verordening 267/2012. De term ‘economische middelen’ in de EU-verordening 267/2012 is breed gedefinieerd, zodat al hetgeen dat een economische waarde vertegenwoordigt hieronder valt. Daarvan is hier sprake. Uit de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt immers dat bedrijf 1 B.V. onderdelen verkocht voor motoren in zogeheten bedrijf 10 en dat de uitvoerzendingen deze onderdelen bevatten. Aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat de uitvoerzending van 19 oktober 2012 een garantielevering betrof, kan, anders dan verdachte heeft gesteld, niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het gaat om een uitvoerzending met een nul-waarde. Een goed dat wordt geleverd ter vervanging van een defect goed heeft onmiskenbaar een economische waarde. De vraag voor wiens rekening zo’n vervanging komt, staat daar los van.

De uitvoerzendingen zijn niet rechtstreeks naar de bedrijf 2 verzonden. Beoordeeld dient derhalve te worden of bedrijf 1 B.V. de inhoud van de uitvoerzendingen indirect aan de bedrijf 2 beschikbaar heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat dat het geval is, en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt allereerst dat de zeven uitvoerzendingen voor de bedrijf 2 bestemd waren. Over alle zeven uitvoerzendingen is steeds contact geweest met betrokkene 5, die mailde vanaf het adres emailadres 1 of emailadres 2 Ten aanzien van bedrijf 7 heeft verdachte verklaard dat dit de agent van bedrijf 8 in Iran was. bedrijf 8 is het bedrijf dat de motoren ontwikkelde waar bedrijf 1 B.V. onderdelen voor leverde. In de e-mailberichten is meermaals terug te vinden dat betrokkene 5 voor een klant onderdelen bestelde. In de e-mailwisseling tussen betrokkene 5 en bedrijf 1 B.V. over de offertes wordt in vier gevallen de bedrijf 2 – in de e-mails afgekort tot afkorting van naam bedrijf 2 – genoemd (270.378.045, 270.498, 270.470D en 207.378.044). Ten aanzien van één uitvoerzending (207.470D) bevat het dossier een bericht van de bedrijf 2, aan bedrijf 7 met het verzoek haar te informeren over de verzendstatus (AH-32, p. 375). De bedrijf 9 is een “subsidiary” van de bedrijf 2 (AH-32, p. 377-378).

In e-mailberichten tussen medewerkers van bedrijf 1 B.V. en betrokkene 5 met daarin offertes betreffende de uitvoerzendingen worden voorts ten aanzien van zes van de zeven ten laste gelegde zendingen (uitvoerzending 207.470D uitgezonderd) unieke motornummers genoemd die toebehoren aan bedrijf 10 waarvan de bedrijf 2 de eigenaar is en die gesitueerd zijn in Iran, zo is gebleken na navraag bij de legal counsel van bedrijf 8.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit diverse e-mailcorrespondentie in het procesdossier blijkt van instructies en mededelingen omtrent het vanuit Turkije en Dubai doorsturen van de zendingen naar Iran. Zo werd op 15 oktober 2012 (in het kader van order 207.378.044) door betrokkene 5 een e-mail gestuurd aan verdachte en betrokkene 1, waarin wordt gevraagd of de bestelling rechtstreeks naar Teheran kan worden verzonden. Door betrokkene 1 werd op diezelfde dag een e-mail gestuurd aan betrokkene 5 (en aan verdachte) waarin hij antwoordt dat dit niet mogelijk is. Vervolgens stuurde betrokkene 5 op 16 oktober 2012 aan verdachte en betrokkene 1 een e-mail waarin hij verzocht om de bestelling te versturen naar Dubai, aan welk verzoek vervolgens - blijkens de e-mail van betrokkene 1 van 19 oktober 2012 - gehoor werd gegeven. Verder werd er in een e-mail d.d. 7 december 2012 door betrokkene 5 aan mevrouw betrokkene 6 van betrokkene 3 Ltd., het Turkse bedrijf waar vier van de uitvoerzendingen naar verzonden zijn, medegedeeld dat betrokkene 5 zijn leverancier in Nederland (zijnde betrokkene 1 ) opdracht heeft gegeven om goederen te bezorgen bij betrokkene 3 Ltd. te Istanbul, waarbij tevens wordt gevraagd wat de kosten zijn voor het luchttransport van Istanbul naar Teheran (AH-12). Diezelfde betrokkene 5 verzocht per e-mail van 10 mei 2014 aan betrokkene 1 en CC aan verdachte, om al ‘onze’ verzendingen (de rechtbank begrijpt: vanaf dat moment) te versturen naar betrokkene 2 Ltd. te Istanbul, het Turkse bedrijf waar de laatste twee uitvoerzendingen naar verzonden zijn.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de inhoud van de uitvoerzendingen bestemd was voor de bedrijf 2, en dat de bedrijven in Dubai en Turkije waar de uitvoerzendingen naar verzonden zijn opdracht hadden gekregen deze zendingen door te sturen naar Iran.

Dat de uitvoerzendingen ook daadwerkelijk zijn ontvangen door de bedrijf 2, leidt de rechtbank af uit het volgende. In het dossier bevindt zich met betrekking tot de uitvoerzending van 17 juli 2014 een e-mailwisseling tussen verdachte en betrokkene 5 van 10 september 2014, waarin het gaat over de levering van verkeerde onderdelen aan de cliënt van betrokkene 5 (AH-17, p. 159 en 160). In eerdere e-mailwisseling over deze uitvoerzending van 9 september 2012 is als cliënt van betrokkene 5 “ afkorting van naam bedrijf 2 ” genoemd. De rechtbank stelt vast dat deze e-mailwisseling bevestigt dat de uitvoerzending daadwerkelijk bij de bedrijf 2 is terechtgekomen. In het dossier bevinden zich voorts in het geheel geen e-mailberichten die erop wijzen dat de voor de bedrijf 2 bestemde uitvoerzendingen niet zijn aangekomen, terwijl de handel tussen betrokkene 5 en bedrijf 1 B.V. ten aanzien van de bedrijf 2 in de tenlastegelegde periode steeds is doorgegaan.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de zeven hierboven genoemde door bedrijf 1 B.V. verzonden uitvoerzendingen - anders dan door de verdediging is betoogd -, telkens zijn doorgestuurd naar en ter beschikking zijn gesteld aan of ten behoeve van de bedrijf 2.

Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of sprake is geweest van opzet. De dader van een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten is strafbaar indien hij willens en wetens heeft gehandeld (of nagelaten) zoals in de strafbepaling is omschreven. Hierbij is voldoende dat het opzet van de betrokkene gericht was op de verboden feitelijke gedraging (in dit geval: het direct of indirect ter beschikking stellen van economische middelen aan de bedrijf 2 ) en niet op het overtreden van de wet. In dit geval is als dader aangemerkt de rechtspersoon bedrijf 1 B.V., en dient derhalve te worden beoordeeld of er bij haar opzet bestond.

In geval de delictsomschrijving van een strafbaar feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien een natuurlijk persoon steeds namens en ten behoeve van de rechtspersoon en in de sfeer van de rechtspersoon heeft gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat er bij de natuurlijke personen betrokkene 1 en verdachte opzet is geweest op het (in-)direct beschikbaar stellen van economische middelen in de zin van Verordening (EU) nr. 267/2012 aan de bedrijf 2. De rechtbank verwijst in dit verband nogmaals naar de e-mailberichten met daarin offertes in vier van de zeven gevallen (te weten de orders 207.378.044 en 207.378.045 en 207.498 en 207.470D) waarin de term ‘ afkorting van naam bedrijf 2 ’ vermeld is. Met name verwijst de rechtbank naar de e-mailwisseling van 7 december 2012 waarin betrokkene 5 aan betrokkene 1 verzoekt de goederen naar betrokkene 3 Ltd. in Turkije te zenden, en aan een medewerker van betrokkene 3 Ltd. om de goederen door te zenden naar Iran (D-66) en naar de e-mailwisseling tussen verdachte en betrokkene 5 over de orders voor, prijsafspraken met en betalingen van afkorting van naam bedrijf 2 aan bedrijf 1 B.V. (AH-17, p. 4). Tot slot verwijst de rechtbank nog naar een e-mailwisseling van 9 januari 2015 t/m 3 februari 2015 tussen verdachte en betrokkene 1 enerzijds en betrokkene 5 anderzijds, waarin betrokkene 5 onder meer opmerkt “as you know very well afkorting van naam bedrijf 2 is a governmental company” (D-145, p. 1033). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit genoegzaam dat het voor betrokkene 1 en verdachte duidelijk was dat er handel werd gedreven met ‘ afkorting van naam bedrijf 2 ’. De verklaringen van verdachte, inhoudende dat hij niet wist dat deze afkorting stond voor een Iraanse onderneming en dat hij niet wist dat de goederen naar Iran gingen, wordt door de rechtbank - mede gelet op de e-mailberichten waarin als bestemming Teheran is genoemd en de eerder in verband met de handel met Iran aan verdachte opgelegde boete - als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven. Ten aanzien van die uitvoerzendingen waarbij de afkorting ‘ afkorting van naam bedrijf 2 ’ in de betreffende e-mailcorrespondentie niet wordt vermeld (te weten de orders 207.470H5 en 207.470H3 en 207.470I) overweegt de rechtbank dat in die gevallen minst genomen een onderzoeksplicht bestond voor verdachte en betrokkene 1. Die correspondentie vermeldt immers telkens de naam ‘ bedrijf 7 ’ en verdachte wist, zo verklaart hij zelf, dat de oorspronkelijke offerte voor deze uitvoerzendingen uit Iran afkomstig was. Daarmee is ten aanzien van deze drie uitvoerzendingen minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet bij de natuurlijk personen die hierbij betrokken waren.

Het hiervoor omschreven opzet kan naar het oordeel van de rechtbank aan de rechtspersoon bedrijf 1 B.V. worden toegerekend. Aan dit oordeel legt de rechtbank het volgende ten grondslag:

  • betrokkene 1 en verdachte hebben steeds namens en ten behoeve van bedrijf 1 B.V. gehandeld;
  • de uitvoerzendingen betroffen normale bedrijfshandelingen voor bedrijf 1 B.V. en zijn derhalve in de normale sfeer van de rechtspersoon uitgevoerd;
  • gelet op de lange duur van de periode waarin de uitvoerzendingen hebben plaatsgevonden en de wetenschap en betrokkenheid van verdachte - directeur van bedrijf 1 B.V. - bij de uitvoerzendingen, kan worden aangenomen dat de handelingen ook door de rechtspersoon zijn aanvaard.

Hiermee is vastgesteld dat bedrijf 1 B.V. een strafbaar feit heeft begaan inhoudende – kort samengevat – dat zij in strijd heeft gehandeld met de Sanctieregeling Iran 2012.
 

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 2

Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de betreffende (pro forma) invoices onjuiste bedragen vermelden. Verdachte heeft erkend dat de invoices door hem en de pro forma invoices door betrokkene 1 zijn opgemaakt en dat daarin opzettelijk onjuiste bedragen zijn opgenomen. Het gegeven dat zulks op verzoek van de klant zou zijn gedaan en de transacties niet voor onjuiste bedragen door bedrijf 1 B.V. in haar financiële administratie zijn verwerkt, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat hiermee valsheid in geschrifte is gepleegd door degenen die de (pro forma) invoices hebben opgesteld. De (pro forma) invoices dienden voorts tot enig bewijs, nu deze werden meegezonden met de betreffende transporten. De overige door de verdediging aangevoerde omstandigheden zijn voor de beoordeling van een mogelijke bewezenverklaring van dit feit niet relevant.

Dit opzet kan naar het oordeel van de rechtbank aan de rechtspersoon bedrijf 1 B.V. worden toegerekend. Aan dit oordeel legt de rechtbank het volgende ten grondslag:

  • betrokkene 1 en verdachte hebben steeds namens en ten behoeve van bedrijf 1 B.V. gehandeld;
  • hun gedragingen houden verband met de financiële en logistieke afwikkeling van tot de normale bedrijfshandelingen van bedrijf 1 B.V. behorende uitvoerzendingen;
  • het zorgdragen voor de financiële en logistieke afwikkeling van de uitvoerzendingen behoort tot de normale taak van betrokkene 1 en verdachte;
  • gelet op de lange duur van de periode waarin de (pro forma) invoices zijn opgemaakt en de wetenschap en betrokkenheid van verdachte - directeur van bedrijf 1 B.V. - bij de (pro forma) invoices, kan worden aangenomen dat de handelingen ook door de rechtspersoon zijn aanvaard.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat bedrijf 1 B.V. – kort gezegd – valsheid in geschrift heeft gepleegd.
 

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 1 en feit 2

Feitelijk leidinggeven

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aan de voornoemde aan bedrijf 1 B.V. toe te rekenen strafbare gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte minst genomen op de hoogte is geweest van de verboden gedragingen. Voor zover deze verboden gedragingen niet reeds het gevolg zijn van actief gedrag van verdachte zelf, heeft hij in ieder geval - hoewel hij daartoe vanuit zijn zowel formele als feitelijke functie als leidinggevende bevoegd en gehouden was - niet ingegrepen. De rechtbank concludeert dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die zijn begaan door bedrijf 1 B.V., als bedoeld in artikel 51, tweede lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen

Het procesdossier bevat onvoldoende bewijs om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het onder 1. en onder 2. ten laste gelegde medeplegen, zodat verdachte daarvan in zoverre wordt vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977.

Feit 2: valsheid in geschrift.
 

Strafoplegging

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF