Veroordeling wegens o.a. omkoping ambtenaar van het CIZ

Rechtbank Den Haag 15 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15428

Verdachte heeft een ambtenaar van het CIZ omgekocht, teneinde valse indicatiestellingen voor familieleden en andere personen afgegeven te krijgen. Vervolgens heeft verdachte samen met zijn partner, zijn neef, diens vrouw en anderen door middel van een criminele organisatie bijna twee jaar lang zorguren gedeclareerd en daarmee voor ruim 500.000 euro gefraudeerd. Deze criminele organisatie heeft veelvuldig documenten vervalst, zorgkantoren en CIZ opgelicht en aanzienlijke bedragen witgewassen.

Aan de verdachte is het volgende ten laste gelegd:

In onderzoek Norwood

1: primair: dat hij in de periode van 1 april 2010 tot en met 17 april 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit onder meer verdachte, medeverdachten 4, 10, 5 en 12, die het oogmerk had op het plegen van de volgende misdrijven: oplichting, valsheid in geschrift, witwassen en het opzettelijk nalaten de benodigde gegevens te verstrekken als bedoeld in artikel 227b Sr;

subsidiair: dat hij in de periode van 16 juni 2010 tot en met 4 juni 2012 tezamen en in vereniging CIZ en zorgkantoren heeft opgelicht;

meer subsidiair: dat hij in de periode van 3 juli 2010 tot en met 17 april 2012 tezamen en in vereniging facturen en digitale cliëntdossiers heeft vervalst;

2. primair: dat hij in de periode van 16 juni 2010 tot en met 1 juni 2011 een ambtenaar heeft omgekocht waardoor die ambtenaar in strijd met zijn plicht heeft gehandeld;

subsidiair: dat hij in de periode van 16 juni 2010 tot en met 1 juni 2011 een ambtenaar heeft omgekocht zonder dat die ambtenaar in strijd met zijn plicht heeft gehandeld;

In onderzoek Concibo

3. dat hij in de periode van 28 maart 2006 tot en met 29 april 2010 onjuiste belastingaangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan hetgeen er toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven;

4. dat hij omstreeks 25 juni 2010 valse administratie aan de belastinginspecteur ter beschikking heeft gesteld hetgeen er toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven;

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1. primair, 2. primair, 3. en 4. wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. Kort samengevat heeft de verdediging in dit verband het volgende aangevoerd.

Er was geen sprake van een criminele organisatie. Het samenwerkingsverband noch verdachte hebben het oogmerk gehad om strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft niemand opgelicht, geen wederrechtelijk voordeel beoogd of stukken vervalst (feit 1).

Medeverdachte 3 was geen ambtenaar, verdachte heeft medeverdachte 3 geen gift of belofte gedaan en verdachte heeft medeverdachte 3 niet gevraagd om de aanvragen te vervalsen. Verdachte heeft enkel enige bemoeienis gehad met de aanvragen van betrokkene 1, 6, 2, 3, 4 en 5 (feit 2).

De aangiften omzetbelasting zagen alleen op bedrijfsnaam medeverdachte 7 (feiten 3 en 4).

Bij de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank nader ingaan op de specifieke nadere onderbouwing van de verweren.

De beoordeling van de tenlastelegging

Onderzoek Norwood

Algemeen

In het onderzoek Norwood is jegens verschillende personen de verdenking ontstaan dat zij betrokken zijn geweest bij fraude met Persoons Gebonden Budgetten.

Het PGB is een voorziening uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) waarmee een verzekerde die vanwege ziekte, handicap of ouderdom zorg nodig heeft, deze zelf kan inkopen bij (bijvoorbeeld) een zorgbureau. Om een PGB te krijgen is een indicatie nodig. Deze indicatie moet worden aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling (CIZ).

Binnen het CIZ worden indicatieaanvragen beoordeeld door screeners, die controleren of de aanvraag volledig is voor wat betreft de medische inhoud. Vervolgens wordt de aanvraag beoordeeld door de indicatiesteller die uiteindelijk de beslissing neemt of een zorgvrager in aanmerking komt voor een PGB. De screeners en indicatiestellers hebben altijd een medische achtergrond. Zij moeten beslissingen kunnen nemen omtrent de benodigde medische hulp.

Indien de indicatieaanvraag is goedgekeurd, geeft het CIZ een indicatiebesluit af waarin op basis van de toegekende indicatie de zorgbehoefte wordt vermeld, te weten het aantal toegekende uren, de klasse en het type zorg. De zorgaanvrager kan op basis van een dergelijk indicatiebesluit een PGB aanvragen bij een zorgkantoor. Het zorgkantoor gaat vervolgens over tot uitbetaling van het toegekende PGB, in beginsel op een daarvoor speciaal bestemde bankrekening op naam van de zorgvrager.

De zorgaanvrager, inmiddels budgethouder, sluit een zorgovereenkomst af met personen of bedrijven die vervolgens zorg leveren en die worden betaald uit het PGB. Het zorgkantoor is bevoegd te controleren of het PGB aan zorg is besteed en om in dit verband de onderliggende overeenkomsten en declaraties op te vragen bij de budgethouder.

Verdenking

In het onderzoek Norwood is de verdenking gerezen dat valselijk, en op onjuiste gronden voor twaalf personen een indicatie bij het CIZ is aangevraagd. Met de verkregen indicatiebesluiten zou in een aantal gevallen ten onrechte PGB’s zijn aangevraagd, en door de zorgkantoren uitgekeerd. De besteding van de PGB’s zou vervolgens zijn verantwoord met daartoe valselijk opgemaakte facturen, zorg-overeenkomsten en (verantwoordings- c.q. declaratie-)formulieren. De verdenking richt zich in dit verband tegen de volgende personen: medeverdachte 3 (hierna: medeverdachte 3), verdachte, medeverdachte 8, medeverdachte 5, medeverdachte 4, medeverdachte 12 en medeverdachte 10.

Verdachte wordt er in het bijzonder van verdacht dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich het plegen van verschillende misdrijven ten doel hebben zou hebben gesteld, te weten oplichting, valsheid in geschrift, witwassen en het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken als bedoeld in artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (feit 1, primair). Subsidiair wordt verdachte ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van het CIZ en verschillende zorgkantoren (feit 1, subsidiair), en meer subsidiair valsheid in geschrift (feit 1, meer subsidiair onder 1e t/m 4e cumulatief/alternatief). Ten slotte wordt verdachte ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (actieve) ambtelijke omkoping, (feit 2 primair), dan wel begunstiging (feit 2, subsidiair).

Verdachten

Medeverdachte 3 was in 2010 en 2011 in dienst van het CIZ en aldaar werkzaam als administratief medewerker en super user binnen de back office afdeling.

Verdachte is een bekende van medeverdachte 3; zij kennen elkaar van het CIZ. Verdachte was daar tot 2010 werkzaam als districtscoördinator ICT en werkplekbeheerder.

Medeverdachte 8 drijft meerdere ondernemingen, waaronder bedrijfsnaam medeverdachte 8. Deze vennootschap heeft zich (vanaf eind 2008) bezig gehouden met zorgbemiddeling. Medeverdachte 8 is een vriend van verdachte en zij hadden contact via e-mail.

Medeverdachte 5 is aandeelhouder/bestuurder van bedrijfsnaam medeverdachte 5. Deze vennootschap is aandeelhouder/bestuurder van bedrijfsnaam medeverdachte 5. (hierna ook: bedrijfsnaam medeverdachte 5), opgericht op 21 juli 2011 en actief in de thuiszorg. Vóór de oprichting van deze vennootschap dreef medeverdachte 5 sinds 23 september 2009 een eenmanszaak in de thuiszorg onder de naam bedrijfsnaam medeverdachte 5. Medeverdachte 4, de partner van medeverdachte 5, was in 2010 part-time en vanaf januari 2011 full-time werkzaam in het bedrijf van medeverdachte 5. Zij had samen met hem de dagelijkse leiding over het bedrijf. Medeverdachte 5 onderhield de contacten met ziekenhuizen, verpleeghuizen, de cliënten en de door bedrijfsnaam medeverdachte 5 ingehuurde zorgverleners. Daarnaast verleende zij ook zelf zorg. Medeverdachte 4 verrichtte administratieve werkzaamheden en maakte de facturen. Sinds 1 juli 2010 werkte medeverdachte 12, de broer van medeverdachte 4 en zwager van medeverdachte 5, bij bedrijfsnaam medeverdachte 5. Hij was verantwoordelijk voor het controleren van de urenbriefjes en de daarop gebaseerde facturen die de zorgverleners inleverden bij bedrijfsnaam medeverdachte 5. Ook bezocht hij cliënten om te horen of men tevreden was over de geleverde zorg.

Medeverdachte 12 dreef bedrijfsnaam medeverdachte 12 (Particuliere Thuiszorg en Welzijn), een eenmanszaak die op 1 juni 2011 is opgericht en op 14 november 2011 is opgeheven. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat dat de activiteiten van bedrijfsnaam medeverdachte 12 bestonden uit het verlenen van thuiszorg aan particulieren en het bemiddelen hierin.

Medeverdachte 10, de partner van verdachte, dreef bedrijfsnaam medeverdachte 10. Dit is een eenmanszaak die op 1 september 2011 is opgericht. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat dat de activiteiten van bedrijfsnaam medeverdachte 10 bestaan uit het bemiddelen en uitvoeren van thuiszorgwerkzaamheden.

De onderhavige PGB-dossiers

Uit informatie van het CIZ is gebleken dat medeverdachte 3 in de periode van 16 tot en met 18 juni 2010 indicatieaanvragen in het GINO-systeem van CIZ heeft ingevoerd ten behoeve van betrokkene 1 (de moeder van verdachte), betrokkene 2 (de moeder van medeverdachte 10), betrokkene 3 betrokkene 3, de zus van verdachte), betrokkene 4 (een vriend van verdachte) en betrokkene 5 (betrokkene 5, de nicht van medeverdachte 10). Op 26 mei 2011 is een aanvraag ten behoeve van betrokkene 6 (de ex-partner van verdachte) ingevoerd. Bij de aanvragen van betrokkene 1 en betrokkene 5 was vermeld dat zij zorg vragen omdat zij (onder meer) lijden aan “vergevorderde” c.q. “zeer progressieve MS.” Bij betrokkene 6, betrokkene 2 en betrokkene 3 is in dit verband vermeld dat zij lijden aan (onder meer) een “incomplete dwarslaesie.” Bij de aanvraag van betrokkene 4 is vermeld dat hij (onder meer) aan polio zou lijden. Bij ‘gevraagde functies’ zijn steeds meerdere van de volgende functies vermeld: “PV”, “VP” en BG-IND” (de rechtbank begrijpt: Persoonlijke Verzorging, Verpleging, Begeleiding Individueel). Bij de aanvragen van betrokkene 1,betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 is onder de contactgegevens het telefoonnummer vermeld. Dit is het telefoonnummer van bedrijfsnaam medeverdachte 5.

Voorts is uit informatie van het CIZ gebleken dat medeverdachte 3 op 14 februari 2011 en op 1, 28 en 29 juni 2011 indicatieaanvragen in het GINO systeem heeft ingevoerd ten behoeve van betrokkene 8,betrokkene 9, betrokkene 10, betrokkene 11, betrokkene 12 en betrokkene 13. Bij de aanvragen van betrokkene 9 en betrokkene 13 was aangegeven dat zij zorg vragen omdat zij lijden aan (onder meer) “vergevorderde” c.q. “zeer progressieve MS.” Bij betrokkene 8, betrokkene 10 en betrokkene 12 is in dit verband vermeld dat zij lijden aan (onder meer) een “incomplete dwarslaesie.” Bij de aanvraag van betrokkene 11 is vermeld dat hij (onder meer) aan polio zou lijden. Ook hier zijn bij ‘gevraagde functies’ steeds meerdere van de volgende functies vermeld: “PV”, “VP” en “BG-IND.” In alle dossiers is medeverdachte 8 als contactpersoon en/of ‘cliëntondersteuner’ vermeld, steeds (zij het met uitzondering van betrokkene 12) inclusief zijn NAW-gegevens.

Het CIZ heeft in alle twaalf voormelde dossiers een indicatiebesluit afgegeven, waarbij is beslist dat de aanvragers in aanmerking komen voor de aangevraagde AWBZ-zorg.

Op grond van dat besluit zijn vervolgens aan alle aanvragers, met uitzondering van betrokkene 8,betrokkene 9 en betrokkene 13, PGB’s uitbetaald. In alle gevallen gaat het om betalingen verricht door Zorgkantoor CZ B.V, met uitzondering van de betalingen aan betrokkene 3. Haar PGB is door Zorgkantoor DSW B.V. betaald.

Het dossier bevat verschillende facturen van bedrijfsnaam medeverdachte 5 en bedrijfsnaam medeverdachte 5,bedrijfsnaam medeverdachte 12 en bedrijfsnaam medeverdachte 10 gericht aan de desbetreffende zorgaanvragers c.q. budgethouders. In de facturen wordt steeds het maximaal aantal uren, zoals door het CIZ geïndiceerd, gedeclareerd. De facturen bestrijken grofweg de periode vanaf juni 2010 tot en met maart 2012.

In de dossiers die de zorgkantoren van de onderhavige budgethouders hebben bijgehouden, zijn verschillende documenten teruggevonden die betrekking hebben op te verlenen of verleende zorg conform het door het CIZ geïndiceerde aantal uren zorg. In dit verband zijn verschillende zorgovereenkomsten met bedrijfsnaam medeverdachte 5 en bedrijfsnaam medeverdachte 12 aangetroffen. In één geval is sprake van een overeenkomst met bedrijfsnaam getuige 15. Voorts zijn in verschillende dossiers ‘overeenkomsten PGB’ en verantwoordings- c.q. declaratieformulieren teruggevonden waarin sprake is van verantwoording van zorg, verleend door bedrijfsnaam medeverdachte 5,bedrijfsnaam medeverdachte 12, bedrijfsnaam medeverdachte 10 en/of bedrijfsnaam getuige 15.

Onregelmatigheden

Ten aanzien van alle twaalf zorgaanvragers staat vast dat zij ten tijde van de op hen betrekking hebbende indicatieaanvragen niet leden aan het ziektebeeld zoals dat in die aanvragen was vermeld en dat zij de daarvoor aangevraagde zorg derhalve niet (geheel) nodig hadden. Voorts staat vast dat bij het aantal uren zoals vermeld op de facturen in de bewuste zorgdossiers niet is uitgegaan van daadwerkelijke zorgverlening, maar van het maximaal aantal uren aan geïndiceerde zorg, conform de indicatiebesluiten. Voorts staat vast dat verschillende budgethouders in het geheel geen zorg hebben gehad. Volgens de berekeningen van Zorgkantoor CZ B.V. en DSW B.V. hebben zij ten gevolge van het voorgaande bedragen van in totaal €522.227,49 ten onrechte aan de budgethouders betaald.

Betrokkenheid verdachten

Medeverdachte 3

medeverdachte 3 heeft verklaard dat zijn werkzaamheden bij het CIZ bestonden uit het sorteren en inscannen van post en het controleren of indicatieaanvragen volledig waren ingevuld. Hij keek daarbij niet naar de medische stukken; dat deden de screeners. Volgens medeverdachte 3 is sprake van een fraudegevoelig systeem en kon hij als back office medewerker zelf een aanvraag afhandelen en een indicatie afgeven. Op een gegeven moment is medeverdachte 3 door verdachte benaderd. Verdachte gaf aan dat hij een paar zorginstellingen kende en zei dat als medeverdachte 3 een indicatie kon regelen, hij daarmee wat centen kon verdienen. Het ging om een eenmalig bedrag van €6.000. Medeverdachte 3 heeft vervolgens samen met verdachte bedacht hoe dit het beste gedaan kon worden. Medeverdachte 3 is vervolgens bij verdachte thuis geweest, heeft op diens laptop op afstand ingelogd in het GINO-systeem en toen samen met verdachte indicaties gemaakt. Medeverdachte 3 voerde de gegevens in aan de hand van de informatie die verdachte hem aanleverde en gebruikte daarbij de namen van indicatiestellers van het CIZ. Medeverdachte 3 beschikte niet over onderliggende (medische) stukken. Hij heeft bij de door hem aangemaakte indicaties gegevens uit andere dossiers van bestaande cliënten gekopieerd. Medeverdachte 3 voerde “hoge indicaties” in, dat werd hem door verdachte gezegd. Medeverdachte 3 was tijdens zijn werk dossiers tegen gekomen waarbij personen een hoge indicatie hadden. Nadat hij twee of drie van deze dossiers had verzameld, kopieerde hij het ziektebeeld uit deze dossiers en plakte hij deze in de indicatieaanvragen. Na het invoeren van de indicaties werden deze door GINO automatisch naar het zorgkantoor doorgestuurd. Medeverdachte 3 heeft verklaard dat verdachte hem in één keer €6.000 betaalde nadat de cliënten van wie hij de dossiers had opgemaakt, de betalingen hadden ontvangen. Verdachte heeft medeverdachte 3 een keer op zijn laptop een overzicht laten zien, waarop te zien was wat er aan PGB-gelden binnen was gekomen, wat de kosten daarvan waren en tussen wie het restant zou worden verdeeld. Verdachte zei dat er geld van het PGB moest worden afgedragen aan de zogenaamde cliënten die het PGB kregen en aan de zorgbureaus die deze cliënten zogenaamd zorg zouden verlenen. Ook stonden op dat overzicht de inkomsten voor verdachte en medeverdachte 3. Dat was een bedrag van €7.000 per dossier per jaar. Dit bedrag zou tussen hen beiden verdeeld worden.

Verdachte

verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij zijn ex-vriendin betrokkene 6 heeft geholpen met het aanvragen van zorg. Dit had hij samen gedaan met medeverdachte 3, zij hebben daarvoor bij verdachte thuis gezeten. Medeverdachte 3 kwam na het werk langs en logde in in het systeem van CIZ. Nadat medeverdachte 3 van verdachte een ingevuld aanvraagformulier had gekregen voerde hij de aanvraag in en maakte de indicatie zelf aan. Na enige tijd kreeg betrokkene 6 het bericht van het CIZ dat zij in aanmerking kwam voor de aangevraagde zorg. Daarop stuurde verdachte de gegevens op naar het Zorgkantoor Haaglanden en na enige tijd werd aan betrokkene 6 een PGB toegekend. Zij kreeg dat in één keer op haar bankrekening. verdachte heeft voorts verklaard dat hij de zorg voor betrokkene 6 vóór september 2011 had ondergebracht bij bedrijfsnaam medeverdachte 5, een zorgbureau van zijn neef medeverdachte 4. Na bedrijfsnaam medeverdachte 5 werd de zorg op verzoek van laatstgenoemde vervolgens even geleverd doorbedrijfsnaam medeverdachte 12. Daarover heeft verdachte verklaard: “De afspraak was dat alles hetzelfde zou blijven, maar dat de zorg verleend zou worden door bedrijfsnaam medeverdachte 12.”

Verdachte heeft later bekend dat hij medeverdachte 3 een keer €6.000 heeft gegeven “om de indicatie te stellen.” Hij had hem het geld gegeven bij het kantoor van het CIZ. Volgens verdachte “is het frauderen geweest.” betrokkene 6 had nooit echt zorg gehad, niet van bedrijfsnaam medeverdachte 5, niet van bedrijfsnaam medeverdachte 12 en niet van bedrijfsnaam medeverdachte 10. Verdachte had het geld dat op de bankrekening van betrokkene 6 binnen kwam beheerd. betrokkene 6 schoot hier niets mee op, aldus verdachte, “het was pure hebzucht van mij." Het ziektebeeld van betrokkene 6 dat bij het CIZ is opgegeven, was door medeverdachte 3 opgemaakt. Dat ziektebeeld had hij volgens verdachte waarschijnlijk gekopieerd uit een ander dossier. Verdachte heeft over verschillende andere budgethouders verklaard: hij had zijn moeder ondergebracht bij bedrijfsnaam medeverdachte 5 en betrokkene 4 geholpen met zijn PGB-aanvraag; die had ook zorg via bedrijfsnaam medeverdachte 5.

Medeverdachte 8

medeverdachte 8 heeft zich ten aanzien van vragen over de zorgdossiers waarin zijn naam was vermeld, grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht. Wel hebben verschillende zorgaanvragers/budgethouders verklaringen over medeverdachte 8 afgelegd. In dit verband heeft betrokkene 13 verklaard dat medeverdachte 8 op een dag zei dat hij van een van zijn connecties had gehoord dat deze ervoor kon zorgen dat bij het CIZ een hoge indicatie geregeld kon worden. Dit kon voor iedereen geregeld worden. Volgens de connectie zouden alle dossiers die werden aangedragen zeker doorgaan. Toen betrokkene 13 dat van medeverdachte 8 hoorde, leek het hem aantrekkelijk om wat extra’s te verdienen. betrokkene 13 vroeg toen aan medeverdachte 8 of het ook voor hem geregeld kon worden. Vervolgens heeft betrokkene 13 zijn gegevens op een indicatieaanvraagformulier vermeld, en dat aan medeverdachte 8 gegeven. Medeverdachte 8 gaf als voorbeeld dat als er een bedrag binnen zou komen, daarvan de helft voor betrokkene 13 zou zijn. De andere helft zou betrokkene 13 moeten afstaan aan de contactpersoon van het CIZ. betrokkene 11 heeft verklaard dat hij de naam medeverdachte 8 kent, hij had het adres van medeverdachte 8 gezien op een aanvraagformulier of begeleidende brief in verband met zijn PGB. Medeverdachte 8 zou de aanvraag regelen. Het PGB dat hij binnenkreeg droeg hij vanaf oktober 2011 af aan medeverdachte 8. De correspondentie over het PGB verliep via bedrijfsnaam medeverdachte 8. In november of december 2011 heeft betrokkene 11 gezegd dat hij zijn bankpas terug wilde hebben, die kreeg hij toen terug via medeverdachte 8.

Medeverdachte 5

medeverdachte 5 heeft verklaard dat zij en medeverdachte 4 verdachte wilden helpen. Die had problemen met de belasting en kon daarom niet zijn eigen zorgbureau beginnen. Verdachte zorgde voor het aanbrengen van de PGB-cliënten. Hij heeft dat overlegd met medeverdachte 4 en medeverdachte 5 was daarbij. Medeverdachte 5 werd ook om toestemming gevraagd. Verdachte zou zelf de zorg regelen en bedrijfsnaam medeverdachte 5 zou alleen de belastingafdracht en de verantwoording naar CZ doen, “het financiële plaatje compleet maken zeg maar.” Medeverdachte 4 maakte de facturen op basis van de indicaties die door verdachte werden aangeleverd. Volgens medeverdachte 5 heeft zij zich niet met het zorggedeelte bemoeid, “dat was het pakkie aan van verdachte.” medeverdachte 5 heeft verklaard niets te weten van de zorg aan deze cliënten en dus ook niet of de zorg overeenkwam met het toegekende PGB.

Medeverdachte 5 heeft wel de zorgovereenkomsten tussen bedrijfsnaam medeverdachte 5 en (respectievelijk) betrokkene 2, betrokkene 1 en betrokkene 4 opgemaakt. Daarop stond de naam van medeverdachte 5, maar de overeenkomsten zijn volgens haar getekend door medeverdachte 4, die namens haar tekende.

Medeverdachte 4

medeverdachte 4 heeft verklaard dat bedrijfsnaam medeverdachte 5 verdachte heeft geholpen bij diens bedrijf met PGB-patiënten. Verdachte leverde de PGB-patiënten aan en bedrijfsnaam medeverdachte 5 regelde alle administratie voor verdachte: de financiële afwikkeling, dus (ook) de belastingafdracht, en het opmaken en verzenden van facturen. De verantwoording van de facturen stuurde bedrijfsnaam medeverdachte 5 naar de desbetreffende zorgkantoren. Verdachte regelde zelf de zorg, aldus medeverdachte 4. De afspraak met betrekking tot de ‘fee’ van bedrijfsnaam medeverdachte 5 was dat een percentage van het factuurbedrag evenals de belastingafdracht aan bedrijfsnaam medeverdachte 5 werd betaald door verdachte namens de patiënten, van wie hij de bankpasjes in beheer had. Volgens medeverdachte 4 ging alles in goed vertrouwen en had bedrijfsnaam medeverdachte 5 geen toezicht op de zorg. Wel viel het op dat het ziektebeeld van verdachtes cliënten “vrij hoog” was. Medeverdachte 4 stelde de facturen van bedrijfsnaam medeverdachte 5 op aan de hand van de indicatie die hij had van de cliënten. Op een gegeven moment heeft bedrijfsnaam medeverdachte 5 aangegeven dat zij geen PGB-patiënten in haar bestand wilde hebben. Toen heeft verdachte medeverdachte 12, de broer van medeverdachte 4, benaderd. Medeverdachte 12 is toen met bedrijfsnaam medeverdachte 12 begonnen. Bedrijfsnaam medeverdachte 12 heeft toen de facturatie van bedrijfsnaam medeverdachte 5 overgenomen. Dit was puur ter facilitatie van verdachte.

Medeverdachte 12

Medeverdachte 12 heeft verklaard dat hij in mei/juni 2011 is begonnen met bedrijfsnaam medeverdachte 12 en dat dit zorgbureau vijf patiënten heeft ondergebracht. Na ongeveer drie maanden wilde verdachte alles zelf gaan doen en toen zijn de patiënten weer teruggegaan. Volgens medeverdachte 12 heeft verdachte zijn bedrijf gebruikt om zelf patiënten te kunnen verzorgen. medeverdachte 12 kreeg van de patiënten de PGB-dossiers, maar heeft deze niet goed bekeken. Medeverdachte 12 heeft erkend dat betrokkene 6, die hij kende als betrokkene 6, gezond was en dat de haar betreffende (zorg)documenten niet op waarheid zijn gebaseerd. Over betrokkene 3, die medeverdachte 12 persoonlijk kende, heeft hij verklaard dat zij “normaal gezond” is en geen zorg nodig heeft. Medeverdachte 12 deed namens bedrijfsnaam medeverdachte 12 de facturatie en regelde de belasting. Verdachte gaf aan welke uren er aan zorg verleend waren en welke facturen medeverdachte 12 moest maken. Volgens medeverdachte 12 verstuurde verdachte de facturen naar “de zogenaamde patiënten” en die maakten het PGB over naar de rekening van bedrijfsnaam medeverdachte 12. Medeverdachte 12 haalde de te betalen belasting van dit bedrag af en hield het afgesproken deel. De rest gaf hij aan verdachte. Alleen medeverdachte 12 beschikte over de bankpas van bedrijfsnaam medeverdachte 5. Eenmaal geconfronteerd met de bevindingen dat nagenoeg alle ontvangsten op de bankrekening van bedrijfsnaam medeverdachte 12 (in totaal een bedrag van €22.200) kort na de ontvangst contant werden opgenomen bij geldautomaten, heeft medeverdachte 12 verklaard: “alles was van verdachte en ging naar verdachte.” Bij het oprichten van bedrijfsnaam medeverdachte 12 waren wel afspraken gemaakt over de percentages die medeverdachte 12 voor zijn werkzaamheden zou gaan ontvangen.

Medeverdachte 10

medeverdachte 10 heeft verklaard dat verdachte haar had voorgesteld om haar moeder als ZZP-er te verzorgen en dat zij zodoende in 2011 met bedrijfsnaam medeverdachte 10 is begonnen. Panchams moeder kreeg haar PGB al in 2010. Zij kreeg hulp voor haar persoonlijke verzorging. Die was door bedrijfsnaam medeverdachte 5 geleverd. Medeverdachte 10 zag dat zij dezelfde zorg kon leveren die door anderen werd gedaan. “Voor mijn moeder was het ook prettiger om door haar eigen gezin te worden verzorgd.” Later ging medeverdachte 10 ook andere familieleden dan haar moeder verzorgen. Medeverdachte 10 heeft verklaard dat zij gedurende vijf, zes maanden ook zorg aan betrokkene 6 heeft verleend en dat zij daar uiteindelijk helemaal mee is gestopt, “nadat het niet meer nodig was.” Medeverdachte 10 factureerde aan de hand van het aantal geleverde uren per functie. Of de uren goed waren bijgehouden, controleerde medeverdachte 10 naar eigen zeggen zelf bij de patiënten, die bijhielden hoeveel er werd gewerkt. Medeverdachte 10 werkte “volgens de toekenningsbeschikking.”

Later heeft medeverdachte 10 erkend dat het zorgplan en de zorgovereenkomst van betrokkene 6 vals zijn, en ten aanzien van een factuur van bedrijfsnaam medeverdachte 10 gericht aan betrokkene 6 dat daar “niets van klopt.” medeverdachte 10 had betrokkene 6 nimmer verzorgd. Over een zorgovereenkomst tussenbedrijfsnaam medeverdachte 10 en betrokkene 2 heeft medeverdachte 10 verklaard: “ongeveer de helft van deze uren die hier zijn genoemd, zijn op waarheid gebaseerd” Volgens medeverdachte 10 komen de gegevens die zij heeft gezien, de zorgdossiers zoals die in haar administratie zaten, niet overeen met de klachten die zij bij haar patiënten (haar moeder, verdachtes moeder en zus) zag. Dit had medeverdachte 10 gezien na de doorzoeking van de FIOD in augustus 2011. Het bedrag dat bedrijfsnaam medeverdachte 10 in verband met haar PGB-cliënten vanaf 1 september 2011 had verkregen, stond volgens medeverdachte 10 nog op de rekening van bedrijfsnaam medeverdachte 10, zij het dat medeverdachte 10 één keer een bedrag van €13.000 heeft overgemaakt op haar rekening. Dit werd gebruikt voor een BMW X5, een gezamenlijke auto van medeverdachte 10 en verdachte. Medeverdachte 10 heeft verder verklaard dat zij zich heeft bemoeid met betrokkene 5 in verband met haar PGB. betrokkene 5 had medeverdachte 10 verteld dat zij wilde stoppen met het PGB en dat zij daar hulp voor nodig had. betrokkene 5 heeft toen de benodigde formulieren gegeven om haar PGB te stoppen.

Bewijsuitsluiting?

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte afstand neemt van zijn “zelf incriminerende uitlatingen” die staan opgetekend in het politieverhoor van 24 april 2012. verdachte had bij zijn aanhouding te lijden onder een zware jichtaanval. In een poging de pijn en de druk van het verhoor te verlichten maakte verdachte op doktersadvies gebruik van medicatie die hem versufte. Hij is vervolgens mede doordat het verhoorkoppel hem niet geloofde, in een vlaag van overdreven sarcasme onwaarheden gaan verklaren. Met die valse verklaring hoopte hij te bereiken dat de verhoorreeks zo snel mogelijk tot een einde zou komen. De rechtbank verstaat het verweer aldus dat deze verklaringen niet als bewijsmiddel moeten worden gebezigd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding op 23 april 2012 omstreeks 14:00 uur heeft gemeld dat hij last had van een acute aanval van jicht in enkels en knieën en daardoor niet kon lopen. Hij bewoog zich voort op een bureaustoel. Verdachte is daarop zittend op de bureaustoel naar de politieauto gereden en is in de auto gestapt. Op dezelfde dag is verdachte om 19:10 uur voor het eerst gehoord, nadat hij zijn raadsman had gesproken. Bij de aanvang van dat verhoor zat verdachte in een rolstoel. Op de vraag of hij in staat was gehoord te worden antwoordde hij bevestigend. Verdachte heeft een aantal vragen wel beantwoord, bij andere vragen beriep hij zich op zijn zwijgrecht.

Het tweede verhoor vond plaats op 24 april 2012 vanaf 14:00 uur. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat zijn lichamelijke toestand (de rechtbank begrijpt: de pijn in verband met de jichtaanval) nog onveranderd was. Verdachte heeft vervolgens aangegeven dat hij heeft kunnen nadenken over wat er is gebeurd en dat hij in wilde gaan op de zaak van mevrouw betrokkene 6. Vervolgens heeft hij een verklaring afgelegd. Toen hem werd gevraagd of de politiearts nog is langs geweest, heeft verdachte geantwoord dat hij de arts in de ochtend had gezien. Hij kreeg om de twee uur een medicijn. Ook heeft verdachte aangegeven dat hij versuft is als hij een medicijn krijgt. Vervolgens heeft hij nadere verklaringen afgelegd. Het verhoor is onderbroken van 16:20 uur tot 17:30 uur. Verdachte heeft bij de aanvang van de voortzetting verklaard dat hij brood had gegeten, zijn medicijn had ingenomen en dat hij hoopte dat de medicijnen een beetje werken. Vervolgens heeft hij de vragen die hem werden gesteld beantwoord. Aan het eind van het verhoor (omstreeks 20:45 uur) heeft verdachte aangegeven dat hij zelf geen vragen meer had, het verhoor heftig vond gaan en zich een beetje opgelucht voelde, waarbij hij het jammer vond dat de verhoorders hem niet altijd geloofden. Verdachte is op 26 april 2012 gehoord bij de rechter-commissaris, waarna per 4 mei 2012 de voorlopige hechtenis is geschorst. Op 3 mei 2012 en op 28 juni 2013 is hij nogmaals gehoord. In die verhoren heeft hij zich nagenoeg voortdurend op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank heeft in het verhoor en de wijze waarop dat op 24 april 2012 is verlopen geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden dat van de zijde van de verhorende verbalisanten ongeoorloofde druk is uitgeoefend op verdachte. Zij hebben aandacht gehad voor zijn lichamelijke toestand en daarmee is blijkens het proces-verbaal van de verschillende verhoren in voldoende mate rekening gehouden. Verdachte heeft op geen enkel moment aangegeven dat hij niet in staat zou zijn om verhoord te worden, of dat hij het verhoor wilde onderbreken vanwege zijn toestand. Voorts constateert de rechtbank dat verdachte op 26 april 2012 in aanwezigheid van zijn raadsman mr. Gonesh bij de rechter-commissaris is gehoord. Verdachte heeft ook daar niet gerept over het feit dat hij niet in staat was gehoord te worden en evenmin gemeld dat hij in het verhoor twee dagen eerder valse verklaringen zou hebben gedebiteerd.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding de bedoelde verklaring als bewijsmiddel buiten beschouwing te laten, nu niet aannemelijk is geworden dat die verklaring onder bezwarende omstandigheden is afgelegd en derhalve daarvan niet gezegd kan worden dat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Ten aanzien van feit 1

In het licht van al hetgeen hierboven is overwogen stelt de rechtbank het volgende vast.

medeverdachte 3 heeft in de periode vanaf 16 juni 2010 tot en met 29 juni 2011 in het systeem van het CIZ twaalf cliëntendossiers aangemaakt en daarin aanvragen opgenomen, teneinde indicatiebesluiten te verkrijgen waarmee op naam van deze cliënten een PGB kon worden aangevraagd. Daartoe heeft medeverdachte 3 valselijk ziektebiografieën, ziektebeelden, en de daaruit voortvloeiende zorgbehoefte uit bestaande dossiers gekopieerd en deze in de onderhavige dossiers geplakt. Dit heeft ertoe geleid dat het CIZ indicatiebesluiten heeft afgegeven aan twaalf personen waarin wordt uitgegaan van niet daadwerkelijk bestaande gezondheidsklachten.

Medeverdachte 3 heeft dit gedaan in opdracht van en in samenwerking met verdachte, die hem hiertoe de (NAW)gegevens van de cliënten aanleverde. Steeds ging het om (schoon)familieleden van verdachte en in een enkel geval om een vriend (betrokkene 4). Bij deze personen trad bedrijfsnaam medeverdachte 5 als contactpersoon op. In alle andere gevallen ging het om relaties van een vriend van verdachte, medeverdachte 8, die in die gevallen als contactpersoon en/of ‘cliëntondersteuner’ optrad.

Vervolgens werden met behulp van de afgegeven indicatiebesluiten bij zorgkantoren C.Z. Zorgkantoor B.V. en DSW Zorgkantoor B.V. PGB’s aangevraagd. Dit heeft in negen gevallen geleid tot uitbetaling van PGB’s, veelal op rekeningen die op naam van de budgethouders stonden, maar die door verdachte en/of (mede door) medeverdachte 8 werden beheerd. De zorgkantoren hebben berekend dat zij in dit verband in totaal €522.227,49 ten onrechte hebben uitgekeerd. De PGB-gelden werden niet besteed aan het doel waarvoor zij waren uitgekeerd, maar onder andere personen (contant) verdeeld. De budgethouders kregen op hun beurt een vergoeding voor hun medewerking.

De op onterechte gronden verstrekte PGB-gelden werden verdeeld onder (in ieder geval) verdachte, medeverdachte 10, medeverdachte 8, medeverdachte 4 en/of medeverdachte 12 en verantwoord met valse documenten, te weten zorgovereenkomsten, facturen en verantwoordingsformulieren op naam van bedrijfsnaam medeverdachte 5,bedrijfsnaam medeverdachte 12 en/of bedrijfsnaam medeverdachte 10. Met deze documenten werd de indruk gewekt dat er conform het (maximaal) geïndiceerde aantal uren zorg was, of zou worden verleend, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. In de dossiers van drie budgethouders zijn bovendien verantwoordingsformulieren en facturen aangetroffen van een zorgbureau dat in het geheel geen activiteiten ontplooide bedrijfsnaam getuige 15.

Tussen verdachte enerzijds, en medeverdachte 5 en medeverdachte 4 (bedrijfsnaam medeverdachte 5) anderzijds, bestonden specifieke afspraken over hun samenwerking, met name over de onderlinge rolverdeling en de verdeling van de PGB-gelden. Deze afspraken zijn neergelegd in verschillende documenten en nadien nog onderwerp van (whatsapp-)gesprekken geweest. Ook met medeverdachte 12 bedrijfsnaam medeverdachte 12) en medeverdachte 10 (AC) bestonden dergelijke afspraken. Zo was verdachte verantwoordelijk voor de indicatieaanvragen en beheerde verdachte de bankrekeningen van de budgethouders en hielden de zorgbureaus (bedrijfsnaam medeverdachte 5,bedrijfsnaam medeverdachte 12 en bedrijfsnaam medeverdachte 10) zich bezig met de administratie (zorgovereenkomsten, facturen, verantwoordingsformulieren) en het betalen van de belasting.

In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte opzettelijk deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkingsverband dat in ieder geval bestond uit hemzelf, medeverdachte 4, medeverdachte 5 en medeverdachte 12, en uit andere natuurlijke personen (medeverdachte 3, medeverdachte 8 en de zorgaanvragers c.q. budgethouders). Het oogmerk van deze organisatie was gericht op het plegen van verschillende misdrijven, te weten de oplichting van het CIZ en de betrokken zorgkantoren, valsheid in geschrift in relatie tot het CIZ en die zorgkantoren, het witwassen van de PGB-gelden die uit de oplichting en/of valsheid in geschrift waren verkregen en het opzettelijk nalaten tijdig aan CIZ de benodigde (juiste) gegevens te verstrekken, één en ander als bedoeld in artikel 227b Sr. Verdachte heeft in deze organisatie een aandeel gehad door betrokken te zijn geweest bij de indicatieaanvragen, het verkrijgen van PGB’s voor de zogenaamde zorgaanvragers en het beheer van de bankrekeningen van de betrokken budgethouders.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank – op na te melden wijze – wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte 4 zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie, zoals onder feit 1 ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2

Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte medeverdachte 3, die destijds werkzaam was bij het CIZ, een bedrag van €6.000 heeft beloofd en in ruil daarvoor diende medeverdachte 3 in het systeem van het CIZ cliëntendossiers aan te maken. Nadat medeverdachte 3 dit had gedaan en het tot uitbetaling van PGB’s was gekomen, heeft verdachte voormeld bedrag aan hem betaald. Medeverdachte 3 was in zijn hoedanigheid van back office medewerker en super user niet bevoegd om zich bezig te houden met de (medische) inhoud van cliëntendossiers (dit in tegenstelling tot screeners en indicatiestellers).

De verdediging heeft het voorgaande feitencomplex niet weersproken, maar betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu medeverdachte 3 geen ambtenaar was. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

De grondslag van het CIZ en haar werkzaamheden is neergelegd in artikel 9a van de AWBZ. Ingevolge dit artikel voorzien Burgemeester en Wethouders erin dat in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg (lid 1). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de samenstelling en werkwijze van het indicatieorgaan, alsmede over de geldigheidsduur van besluiten als genoemd in het eerste lid (2). Een indicatieorgaan verricht geen andere dan bij of krachtens de wet opgedragen taken (lid 3).

Het voorgaande betekent dat het CIZ een ‘zelfstandig bestuursorgaan’ is, dat uitsluitend publiekrechtelijke taken verricht en waarop van overheidswege controle wordt uitgeoefend. Onder deze omstandigheden moet medeverdachte 3 (voor zover hier relevant) als ambtenaar worden aangemerkt. Het verweer slaagt niet.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank – op na te melden wijze – wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte medeverdachte 3 heeft omgekocht, zoals onder feit 2 primair ten laste gelegd.

Onderzoek Concibo

Feit 3 (onjuiste aangiften omzetbelasting – zaak Concibo))

verdachte drijft sinds 8 november 2004 een eenmanszaak onder verschillende handelsnamen. Een van de handelsnamen is bedrijfsnaam medeverdachte 7, gevestigd op het adres adres te Den Haag. Dit is tevens het gba (/BRP)-adres van verdachte. Op 28 maart 2006 heeft verdachte een aangifte omzetbelasting ingediend over het eerste kwartaal van 2006. Deze aangifte is op die dag ontvangen bij de Belastingdienst te Apeldoorn. verdachte heeft per kwartaal een aangifte omzetbelasting ingediend – voor zover hier relevant – laatstelijk over het vierde kwartaal van 2009 op 25 januari 2010.

verdachte heeft verklaard dat hij geen hoge omzetten heeft gehad. De bedragen aan voorbelasting die op de aangiften zijn vermeld zijn geschat. De hoogte is gebaseerd op voorgenomen investeringen. Deze bedragen aan voorbelasting zijn niet aan verdachte in rekening gebracht. De aangiften zijn ingediend vanaf een computer op adres te Den Haag. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring bevestigd.

Feit 4 (Valsheid in geschrift – zaak Concibo)

Over het eerste kwartaal van 2010 heeft verdachte een aangifte omzetbelasting ingediend met een terug te ontvangen bedrag van €6.950. Naar aanleiding van deze aangifte heeft de Belastingdienst facturen opgevraagd. Daarop heeft verdachte afschriften van zes facturen en zes kwitanties aan de Belastingdienst overgelegd. Bij brief van 25 juni 2010 heeft verdachte deze stukken aan de Belastingdienst Haaglanden gezonden. Op 29 juni 2010 zijn deze stukken door de Belastingdienst ontvangen.

Deze facturen staan op naam van bedrijfsnaam betrokkene 18, gevestigd aan de adres te Arnhem, en zijn gericht aan bedrijfsnaam medeverdachte 7, de heer verdachte. De facturen zijn gedateerd in januari, februari en maart 2010 en betreffen advies en consultancy.

Uit onderzoek van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat bedrijfsnaam betrokkene 18 bij de Belastingdienst bekend is op het adres te Arnhem. Het betreft een rechtspersoon die vrijgestelde prestaties in de zin van de Wet op de omzetbelasting verricht. Enig aandeelhouder en bestuurder is betrokkene 18, adres te Arnhem. Deze rechtspersoon is niet actief geweest in 2010, binnen het bedrijf hebben geen activiteiten plaatsgevonden. betrokkene 18 heeft verklaard dat bedrijfsnaam betrokkene 18. op zijn naam heeft gestaan, maar dat hij geen enkele activiteit heeft ontplooid. De in de tenlastelegging vermelde facturen en kwitanties heeft hij nog nooit gezien en hij heeft deze niet opgemaakt. De vermelde werkzaamheden zijn niet uitgevoerd. De handtekening op de kwitanties zijn niet van hem.

verdachte heeft verklaard dat de Belastingdienst facturen en betaalbewijzen had gevraagd, maar dat hij die niet had. Een kennis van verdachte had facturen van bedrijfsnaam betrokkene 18 die verdachte kon overleggen aan de Belastingdienst. Die kennis heeft één factuur over de mail gestuurd en de andere facturen persoonlijk aan hem gegeven. De kwitanties kreeg hij ook van die kennis. De facturen en de kwitanties zijn vals. Deze facturen en kwitanties heeft verdachte aan de belastingdienst overgelegd. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring bevestigd. Hij heeft verklaard dat de kennis van wie hij de facturen en de kwitanties kreeg medeverdachte 8 (de rechtbank begrijpt: medeverdachte 8) is.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Bewezenverklaring

  1. deelneming aan criminele organisatie;
  2. aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;
  3. het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
  4. opzettelijk als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in valse vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF