Veroordeling wegens medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Te betalen schadevergoeding hoger dan vermoedelijke opbrengst, afwijzing ontnemingsvordering.

Rechtbank Gelderland 15 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2248 Verdachte is op 15 april 2016 veroordeeld ter zake van het medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, Sr, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 119.050,00.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het door de officier van justitie gemaakte onderscheid met betrekking tot het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en medeveroordeelde opmerkelijk is. Enkel vanwege de verklaring van medeveroordeelde dat hij slechts € 7.500,00 euro zou hebben ontvangen voor de verduistering, gaat de officier van justitie uit van zijn verklaring en dient volgens hem het resterende deel voor rekening van veroordeelde te komen. Onduidelijk is waarom de officier van justitie de verklaring van medeveroordeelde als uitgangspunt neemt en niet de verklaring van veroordeelde. Daarnaast dient volgens de verdediging, gelet op het feitencomplex en de samenwerking tussen veroordeelde en medeveroordeelde, het spreekwoord ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ te gelden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Zij overweegt daartoe als volgt.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

In het strafdossier bevindt zich een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 495). Bij deze berekening is uitgegaan van een (gemiddelde) waarde van € 700,29 per telefoon.

Dit bedrag is vervolgens vermenigvuldigd met het aantal verduisterde telefoons: € 700,29 x 340 telefoons = € 238.100,00.

De berekening gaat uit van een wederrechtelijk voordeel van 50% van voornoemde waarde, naar aanleiding waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens het rapport dient te worden vastgesteld op €119.050,00 (€ 238.100,00 x 0,50).

Volgens de verklaring van veroordeelde zijn 210 telefoons verkocht (verklaring van veroordeelde ter terechtzitting van 01 april 2016). De rechtbank neemt op basis van die verklaring als uitgangspunt dat de opbrengst van de verkochte telefoons minimaal op 50% van de marktwaarde van de telefoons (€ 700,29 x 210 telefoons = € 147.060,90), zijnde € 73.530,45 (€ 147.060,90 x 0,50) kan worden geschat.

Artikel 36e, achtste lid, Sr

Het achtste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering worden gebracht.

Uit rechtspraak volgt dat in een ontnemingszaak rekening kan worden gehouden met een niet onherroepelijk vonnis omtrent de verschuldigdheid van schadevergoeding door de veroordeelde aan het slachtoffer, indien er ten tijde van de beslissing met betrekking tot de ontneming voldoende zekerheid bestaat over de omvang en de legitimiteit van die verschuldigdheid.

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 april 2016 bepaald dat veroordeelde schadevergoeding dient te betalen aan de benadeelde partij slachtoffer tot een bedrag van € 95.480,91, en heeft daarbij de maatregel van schadevergoeding opgelegd aan veroordeelde.

Voornoemd bedrag overstijgt het bedrag waarop de opbrengst van de goederen volgens de hiervoor weergegeven berekening door de rechtbank wordt geschat.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de aan de benadeelde partij in rechte toegekende vordering alsmede de verplichting tot betaling van een geldsom aan de staat in mindering brengen op het berekende voordeel.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten en zal de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF