Veroordeling wegens gedurende meerdere jaren opzettelijk doen onjuiste aangiften OB en IB, het vervalsen facturen en het voeren van een Nederlandse academische titel zonder daartoe gerechtigd te zijn

Rechtbank Overijssel 17 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4003

Een man uit Assen is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden en een geldboete van 1000 euro. De man deed gedurende meerdere jaren opzettelijk onjuist belastingaangifte. Hierdoor liep de Staat 50.000 euro aan belastinginkomsten mis.

Verder is hij schuldig aan het vervalsen van een viertal facturen en heeft hij een Nederlandse academische titel gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn.

De man is in het verleden meerdere malen veroordeeld voor onder meer valsheid in geschrift. De rechtbank rekent hem zwaar aan dat hij met de strafbare handelingen is begonnen terwijl hij nog gedetineerd was in verband met een eerdere veroordeling. Zijn vrouw, medeverdachte in deze zaak, is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. 

Verdenking

  • Feit 1: op zijn naam staande aangiften omzetbelasting (hierna: OB) over het tweede kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2013 opzettelijk onjuist heeft gedaan, dan wel valsheid in geschrift heeft gepleegd door die aangiften valselijk op te maken;
  • Feit 2: op zijn naam staande aangiften inkomstenbelasting (hierna: IB) over de jaren 2008 tot en met 2012 opzettelijk onjuist heeft gedaan;
  • Feit 3: valsheid in geschrift heeft gepleegd door een viertal facturen valselijk op te maken;
  • Feit 4: zonder daartoe gerechtigd te zijn een meestertitel heeft gevoerd.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onjuist doen van aangiften OB en aangiften IB en dat verdachte daarnaast facturen heeft vervalst en, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een meestertitel heeft gevoerd.

De verdediging heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de zakelijke kosten die verdachte in de aangiften OB en IB heeft opgevoerd betrekking hebben op het juridisch adviesbureau 'bedrijf 1’ van verdachte.

Voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte deze facturen niet vervalst heeft.

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden.

Overwegingen van de rechtbank

Feit 1 en 2

Algemeen

Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is verdachte op 1 maart 2008 gestart met een eenmanszaak onder de naam ‘Juridisch adviesbureau bedrijf 1’.

Op 15 april 2013 is bedrijf 1 opgegaan in de eenmanszaak ‘Juristenpraktijk bedrijf 2’. Deze eenmanszaak had evenals bedrijf 1 het geven van juridische adviezen als bedrijfsomschrijving.

Verdachte heeft op zijn naam staande aangiften OB gedaan over het tweede kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2013. Alle ingediende aangiften OB waren negatief. Volgens de aangiften is er in de genoemde kwartalen niet of nauwelijks omzet gerealiseerd, maar er is wel telkens voorbelasting opgevoerd.

Voorts heeft verdachte over de jaren 2008 tot en met 2012 op zijn naam staande aangiften IB gedaan. In deze aangiften zijn telkens bij de ‘winst uit onderneming’ bedrijfskosten in aftrek gebracht en is de zelfstandigenaftrek opgevoerd.

Onderzoek Belastingdienst/FIOD

De Belastingdienst heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de door verdachte ingediende aangiften OB en IB en naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek verricht. Om inzicht te verkrijgen in de onderbouwing van de aangiften OB en IB heeft de FIOD de in beslag genomen administratie van verdachte en de gegevens uit de controle van de Belastingdienst onderzocht. Uit dat onderzoek is het volgende gebleken.

Verdachte heeft alle genoemde aangiften OB en IB zelf ingevuld en ingediend, aan de hand van door hemzelf gemaakte jaaroverzichten van kosten en opbrengsten van bedrijf 1. De FIOD heeft over de jaren 2008 tot en met 2011 dergelijke jaaroverzichten aangetroffen. Een boekhouding met resultaten van bedrijf 1 is echter niet gevonden.

Uit de in beslag genomen ordners en mappen met administratie blijkt dat verdachte’s privé-administratie en de bedrijfsadministratie van bedrijf 1 door elkaar lopen.

Verder is er geen aansluiting tussen de gegevens in de jaaroverzichten van verdachte en de in de aangiften OB en IB opgenomen kosten. De totale kosten die uit de aangiften OB kunnen worden herleid (ad € 347.816,--) en in de aangiften IB zijn opgevoerd (ad € 108.095,--) zijn (veel) hoger dan de kosten die uit de jaaroverzichten blijken (ad € 94.850,--).

Gebleken is dat verdachte in de aangiften OB voorbelasting heeft opgevoerd ter zake van door hem in privé gemaakte kosten en van kosten waarvan geen onderliggende facturen aanwezig waren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met opzet onjuiste aangiften OB over het tweede kwartaal 2008 tot en met het eerste kwartaal 2013 heeft gedaan.

Met betrekking tot de aangiften IB over 2008 tot en met 2012 (feit 2) acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan.

Verdachte heeft niet alleen verschillende privé kosten als zakelijke kosten in aftrek gebracht, maar ook valselijk opgemaakte facturen ten grondslag gelegd aan zijn aangifte IB over 2010 (zie feit 3). Daarnaast heeft hij telkens de zelfstandigenaftrek en over 2010 ook de meewerkaftrek opgevoerd, terwijl niet voldaan is aan het criterium van 1225 (door hemzelf) respectievelijk 525 (door zijn echtgenote) gewerkte uren.

Feit 3

In de administratie van verdachte zijn vier facturen aangetroffen, gedateerd in 2010, afkomstig van naam 1 en gericht aan verdachte. Naam 1 is geconfronteerd met deze facturen en heeft verklaard dat de facturen hem niet bekend voorkomen en ook niet door hem verstuurd zijn. De facturen verschillen volgens naam 1 qua lay-out van de facturen die hij verstuurt. Verder heeft naam 1 heeft verder verklaard dat hij eerst in 2011 is gestart met zijn kantoor.

In de administratie van verdachte zijn kopieën aangetroffen met daarop alleen het briefhoofd van het advocatenkantoor van naam 1.

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 3 genoemde facturen valselijk heeft opgemaakt.

Feit 4

De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 4 ten laste gelegde van oordeel dat, gelet op het aanvullend proces-verbaal van 3 augustus 2016 (OPV-1a) en de verklaring van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 20 mei 2014, verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van ‘mr.’ heeft gevoerd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair en feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 4: zonder daartoe gerechtigd te zijn een in artikel 7.20 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde titel voeren.

Strafoplegging

 Gevangenisstraf van 7 maanden en een geldboete van 1000 euro


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF