Veroordeling wegens feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte door vennootschap ten behoeve van subsidiefraude in het kader van meerdere filmproducties

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2865 De verdachte heeft via zijn vennootschap subsidieaanvragen bij de Europese Commissie ingediend voor de producties ‘Is this the will of Allah’, ‘On the edge of death and life’ en ‘Trails from the East’, waarin ten onrechte werd voorgedaan dat omroep 1 dan wel de omroep 3 deelnam in een aantal filmproducties c.q. waarbij het bedrag van die deelname (fors) te hoog werd voorgesteld. Daarbij zijn documenten vals opgemaakt en subsidieverleners voorgelogen en er zijn tonnen aan subsidies toegekend en deels ook uitgekeerd op die onjuiste basis.

Feit 1 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte via zijn vennootschap opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften bij het doen van subsidieaanvragen bij de Europese Commissie voor de producties ‘Is this the will of Allah’, ‘On the edge of death and life’ en ‘Trails from the East’ .

De valsheid bestaat erin dat in de subsidieaanvragen en bijbehorende intentieverklaringen op naam van omroep 1 bijdragen van deze omroep 1 genoemd worden die niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Zo staat bijvoorbeeld in de aanvraag voor ‘Is this the will of Allah’ d.d. 27 april 2005 en de intentieverklaring d.d. 21 april 2005 een bijdrage van omroep 1 van €420.000 vermeld, terwijl in werkelijkheid een bijdrage van €150.000 of lager werd voorzien.

Effect van de aanvragen en intentieverklaringen

Met de aanvragen en de bijgevoegde intentieverklaringen is door verdachte naar de Europese Commissie toe een onjuist beeld geschetst. De documenten zijn dan ook valselijk opgemaakt en gebruikt. Het verweer dat intentieverklaringen in de subsidiepraktijk van de mediawereld geen werkelijke betekenis hebben, wordt verworpen. De rechtbank acht op zich aannemelijk dat de bindende kracht van een dergelijke verklaring gering is, in de betekenis dat omroepen in de praktijk hierop terug (kunnen) komen en dat ook de Europese Commissie weet dat toegezegde bijdragen kunnen veranderen of zelfs worden ingetrokken, zonder dat hierdoor in de praktijk de subsidie in gevaar komt. Dat is echter geen vrijbrief om aan de subsidiegever een op voorhand al fictieve deelname voor te spiegelen.

Medeplegen

Medeverdachte 1 heeft als directeur van omroep 1, in nauwe samenwerking met de verdachte de intentieverklaringen voor ‘Is this the will of Allah’ en ‘Trails from the East’ getekend in de wetenschap dat deze bedoeld waren om subsidieaanvragen te doen. Zijn aandeel daarin was essentieel en in zoverre is er sprake van medeplegen. Dit ligt anders voor de productie ‘On the edge of death and life’. Medeverdachte 1 heeft ontkend de intentieverklaring voor deze productie te hebben getekend en ook de FIOD heeft geverbaliseerd dat er twijfel is over de authenticiteit van de ondertekening van dit document door medeverdachte 1. Voor deze productie wordt er daarom vanuit gegaan dat de verdachte alleen handelde.

Overige

Naar aanleiding van overige gevoerde verweren wordt nog het volgende overwogen.

  1. Met de verdediging wordt vastgesteld dat de tenlastelegging melding maakt van subsidieaanvragen ingediend bij Information Society and Media Directorate-General van de Europese Commissie, terwijl in het dossier verschillende andere benamingen worden gebruikt voor de afdeling waarmee gecorrespondeerd. Dit leidt echter niet tot vrijspraak; bewezen zal worden verklaard dat de valselijk opgemaakte stukken zijn toegezonden aan de Europese Commissie.
  2. Het verweer dat de intentieverklaringen geen harde, maar zachte toezeggingen zijn en dus niet kwalificeren als ‘bewijs van deelname’ zoals tenlastegelegd, leidt evenmin tot een vrijspraak. De intentieverklaringen worden aan de Europese Commissie toegezonden als bewijs van de beoogde deelname van omroep en dat de bindende kracht van die verklaringen gering is, doet daaraan niet af.
  3. Het verweer dat de verdachte vertrouwde op zijn subsidieconsulent, slaagt evenmin. De bijstand van een deskundige neemt niet weg dat de verdachte moet hebben begrepen dat het niet toegestaan is om op papier een fictieve voorstelling van zaken te geven. Uit hetgeen hiervoor over de bewijsmiddelen is overwogen, volgt dat de rechtbank geen geloof hecht aan het verweer dat de verdachte niet wist van en niet betrokken was bij de valsheid in geschrifte.
  4. Het verweer dat de verdachte niet als feitelijk leidinggevende of opdrachtgever kan worden aangemerkt is niet nader onderbouwd en wordt reeds om die reden verworpen.

Feit 2

De verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij de directeur van omroep 1 (medeverdachte 1) heeft omgekocht, door aan hem een creditcard en apparatuur ter beschikking te stellen. Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode van 20 juni 2004 tot en met 4 december 2008.

Vast staat dat de verdachte aan de directeur van omroep 1, een American Express creditcard ter beschikking heeft gesteld. Echter, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte redelijkerwijs had moeten aannemen dat medeverdachte 1 met deze creditcard betalingen zou doen die hij voor zijn werkgever zou verzwijgen.

De verdachte heeft de kaart aan de directeur van omroep 1 verstrekt zodat deze, die nauw betrokken was bij de producties van de verdachte, kosten die daarop betrekking hadden niet afzonderlijk hoefde te declareren maar rechtstreeks voor rekening van de verdachte kon voldoen. Dat medeverdachte 1 met deze kaart vervolgens ook privé-uitgaven heeft gedaan was bij de verdachte bekend, maar was niet de bedoeling, zo verklaarde de verdachte op zitting. Volgens de verdachte heeft hij de directeur van omroep 1 hierop ook aangesproken, maar heeft hij niet meer gecontroleerd of de directeur van omroep 1 privé-uitgaven ook daadwerkelijk aan hem heeft terugbetaald. Deze door de verdachte beschreven gang van zaken kenschetst het gemak waarmee, blijkens het dossier en het verhandelde ter zitting, aan hem beschikbaar gestelde filmbudgetten werden uitgegeven. Echter, hoewel dit kritische vragen oproept staat daarmee niet vast dat de verdachte bekend had moeten zijn met het verzwijgen van betalingen met de American Express creditcard door medeverdachte 1 tegenover zijn werkgever. Dit geldt zowel voor de privé uitgaven die door medeverdachte 1 met de creditcard zijn gedaan, maar zeker ook voor de creditcard uitgaven die door de directeur van omroep 1 dubbel zijn gedeclareerd bij omroep 1.

Ten aanzien van de televisie en DVD recorder met toebehoren wordt vastgesteld dat deze in maart 2004 zijn gekocht voor rekening van de vennootschap van verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij deze apparatuur aan medeverdachte 1 in bruikleen heeft gegeven voor werkzaamheden ten behoeve van de verdachte vennootschap. Toen de verdachte na twee jaar die bruikleen achterhaald vond, heeft hij de apparatuur niet meer teruggevraagd en ook niet teruggekregen. Deze op voorhand niet onaannemelijke lezing wordt door het dossier niet weerlegd. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het in bruikleen geven van de apparatuur als zodanig ten behoeve van werkzaamheden van de verdachte vennootschap geen gift als bedoeld in de tenlastelegging. Vanaf het moment dat de directeur van omroep 1 besluit af te zien van zijn aanspraak op die apparatuur ligt dit anders. Echter, evenals ten aanzien van de creditcard, biedt ook hier het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen bewijs dat de verdachte op dat moment redelijkerwijs had moeten aannemen dat medeverdachte 1 deze gift in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever, nog daargelaten de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op het doen van een valse gift.

Het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde is, gelet op het voorgaande, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 3

Als feit 3 op de tenlastelegging wordt de verdachte verweten dat hij/zijn vennootschap opzettelijk gebruik heeft gemaakt van twee valse accountantsverklaringen. Kort gezegd bestaat die valsheid volgens de tenlastelegging eruit dat verklaard werd dat de kosten van twee producties zijn gebaseerd op inkoopfacturen en deels zien op diensten van een andere vennootschap., terwijl in werkelijkheid een deel van die kosten eigen kosten van de vennootschap betrof, de andere vennootschap geen diensten heeft geleverd en het totaal bedrag van gemaakte kosten te hoog is gesteld.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet bewust was van de feitelijke verdeling tussen de beide vennootschappen en dat hij meende dat dit goed was geregeld bij de oprichting van de vennootschappen. Dit verweer slaagt niet. De verdachte is sinds 1986 bestuurder en enig aandeelhouder van de andere vennootschap. De/zijn verdachte vennootschap is opgericht in 1993 en sinds de oprichting is de verdachte bestuurder van die vennootschap. Het verweer komt er dan ook op neer dat hij circa 15 jaar lang niet geweten heeft hoe het zat. Dit is volstrekt ongeloofwaardig. Reeds uit de jaarrekeningen – die de verdachte moet hebben goedgekeurd – en de belastingaangiften blijkt dat de vennootschap van verdachte twee werknemers in dienst had en dat de overige werknemers in dienst waren van de vennootschap

Bij brief d.d. 19 april 2008 heeft de verdachte zijn accountants geschreven (kort gezegd) dat het personeel in de andere vennootschap zat en dat die vennootschap personeel en activa ter beschikking stelde aan de vennootschap van verdachte. Gelet op het voorgaande is deze mededeling onjuist – behoudens voor zover het gaat om de ter beschikking stelling van de verdachte en zijn vrouw – en kan het niet anders dan dat de verdachte dat wist. Door de accountants toch de accountantsverklaringen te laten afgeven, waarin de interne kosten zijn opgenomen als kosten van de andere vennootschap, en die aan de subsidiegevers te doen toekomen, heeft hij opzettelijk gebruik gemaakt van valse stukken. Of hij daarmee objectief bezien al dan niet subsidies kon krijgen die hij anders niet kreeg, doet niet terzake. De rechtbank acht dit feit in zoverre dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat de interne kosten van de fiscale eenheid werden doorbelast op basis van de begroting. Doorbelast werd – zo begrijpt de rechtbank – het bedrag dat in de begroting tegen marktconforme tarieven was opgenomen en er werd niet gekeken of het daadwerkelijke aantal gewerkte uren/dagen overeenkwam met de begroting. Hiermee werd een verkeerde voorstelling van zaken gegeven omdat de kern van de accountantsverklaringen is dat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn, niet dat deze één op één zijn overgenomen uit de begroting zonder dat gezegd is dat het aantal dagen/uren klopt. Vastgesteld moet echter worden dat hiermee niet gezegd is dat het ‘totaalbedrag aan op inkoopfacturen gemaakte kosten voornoemd in werkelijkheid lager was dan in die Accountantsverklaring vermeld’, zoals de tenlastelegging vermeldt. Nu niet gecontroleerd is hoeveel uren/dagen er zijn gewerkt, kunnen de kosten in werkelijkheid immers zowel hoger als lager zijn geweest.

De rechtbank stelt verder vast dat blijkens het onderzoek van de FIOD in de accountantsverklaringen bepaalde kosten zijn verwerkt die gelijktijdig in rekening zijn gebracht bij meerdere producties, zodat ook daardoor de accountantsverklaringen niet juist zijn. Wettig en overtuigend bewijs dat dit opzettelijk is gedaan, ontbreekt echter.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat er tussen de vennootschap van verdachte en de andere vennootschap in 2008 feitelijk sprake was van het rondpompen van geld: iedere keer als de vennootschap van verdachte betaalde aan de andere vennootschap werden (min of meer gelijke) bedragen terugbetaald. Hieraan kan echter niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van een onjuiste voorstelling van de hoogte van de kosten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit veeleer het noodzakelijke gevolg van het feit dat de vennootschap van verdachte het leeuwendeel van de kosten maakte, zodat het geld in die vennootschap moest komen.

Feit 4

Feit 4 van de tenlastelegging betreft valsheid in geschrifte in vijf overeenkomsten tussen de vennootschap van verdachte en omroep 3. Die valsheid betreft de in die overeenkomsten vermelde bijdragen van omroep 3 en verschillende buitenlandse omroepen. De rechtbank acht onderdelen van dit feit wettig en overtuigend bewezen, maar niet het gehele feit.

Partiële vrijspraak voor ‘de buitenlandse omroepen’

De verdachte zal worden vrijgesproken voor dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de in voornoemde overeenkomsten vermelde bijdragen van omroep 4, omroep 5 en omroep 6. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat bijdragen van deze omroepen onjuist zijn verwerkt in de overeenkomsten tussen omroep 3 en de vennootschap van verdachte.

Partiele vrijspraak voor de overeenkomsten inzake ‘De Joodse Geschiedenis van Europa’, ‘Mishpoke’ en ‘Toekomstexpres Israël / VS’

De verdachte zal voorts worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging ziet op de overeenkomsten voor de producties ‘De Joodse Geschiedenis van Europa’, ‘Mishpoke’ en de ‘Toekomstexpres Israël/VS’. Voor deze drie producties geldt steeds dat in de overeenkomst tussen de vennootschap van verdachte en omroep 3 een bedrag wordt genoemd dat omroep 3 in de productiekosten zal bijdragen en dat in een ander document steeds een afspraak is neergelegd dat de vennootschap van verdachte een betaling zal doen aan omroep 3. Echter, de uitleg van de verdachte dat die betalingen aan omroep 3 steeds reële vergoedingen zijn voor werkzaamheden van medewerkers van omroep 3 voor de hier bedoelde producties – en daarmee geen verkapte verlaging van de bijdrage van omroep 3 – is niet onaannemelijk en kan niet afdoende worden weerlegd door de inhoud van het dossier. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomsten voor de producties De Joodse Geschiedenis van Europa, Mishpoke en de Toekomstexpress Israël/VS per saldo een onjuist beeld scheppen.

Bewezenverklaring ten aanzien van de overeenkomst inzake ‘Als de Jordaan kon vertellen’

De FIOD heeft bij subsidiegever voor de productie ‘Als de Jordaan kon spreken’ een overeenkomst tussen omroep 3 en de vennootschap van verdachte in beslag genomen. Deze overeenkomst is gedateerd 22 juni 2007 en vermeldt een bijdrage van omroep 3 in de productiekosten van €60.000. In de administratie van omroep 3 is een andere overeenkomst gevonden, tussen dezelfde partijen, ook voor de productie ‘Als de Jordaan kon spreken’. Deze overeenkomst is gedateerd 15 juni 2007 en vermeldt een bijdrage van omroep 3 van €40.000. In de administratie van omroep 3 is verder een brief d.d. 4 juli 2007 gevonden, op naam van betrokkene 1, waarin deze bevestigt aan de verdachte dat omroep 3 een bijdrage van €30.000 voor deze productie zal leveren, waarvan €6.250 als researchbijdrage. Deze brief is kennelijk het gevolg van een e-mail van de verdachte aan betrokkene 1 van 4 juli 2007, waarin de verdachte vraagt om deze bevestiging. In een tijdsbestek van drie weken zijn er op deze wijze dus drie bedragen genoemd als bijdrage van omroep 3: €40.000, €60.000 en €30.000 (waarvan €6.250 in de vorm van een researchbijdrage). Voor deze – om een uitleg vragende – situatie ontbreekt een aannemelijke verklaring. Geoordeeld moet daarom worden dat de verdachte en betrokkene 1 bewust in de overeenkomst die bij het subsidiegever is ingediend een hoger bedrag hebben vermeld dan tussen omroep 3 en de vennootschap van verdachte werd beoogd. Dit deel van feit 4 is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring ten aanzien van de overeenkomst inzake ‘Sporen uit Israël’

Tussen omroep 3 en de vennootschap van verdachte is een overeenkomst gesloten, gedateerd 12 december 2005. Deze overeenkomst vermeldt een bijdrage van omroep 3 van €30.000. In een e-mail d.d. 4 juli 2005 schreef de verdachte aan betrokkene 1 over deze productie:

“Ik heb het contract aangepast aan de gegevens, die ik eerder aan het subsidiegever/fonds heb gegeven en die aldaar geaccordeerd zijn. betrokkene 2 heeft destijds mij het volgende voorstel gedaan ter verrekening van een eventuele findersfee en een vermindering van de officiële media-organiasatie bijdrage. Hij stelde me voor media-organiasatie 25000 euro officieel, maar 15000 euro reëel te laten betalen en zelf wilde hij een findersfee van 5250 euro, die hij geheel aan jouw project Gareia zou doen toevallen. Voor een 60-minuten film vind ik een bijdrage van 30000 euro echter reëel. Van alle andere omroepen heb ik deze bijdrage ook ontvangen en je mag me geloven, dat de kosten me om de oren vliegen. Dit is ook de bijdrage, die aan subsidiegever is doorgegeven. Van dit bedrag wil ik voorstellen 10000 euro te verrekenen met een rekening in de vorm van consultancy Israël. Aan betrokkene 2 wil ik een findersfee van 5000 euro betalen, daar dit bedrag jouw productie ten goede zou komen.”

In een latere e-mail van dezelfde datum bevestigde de verdachte aan betrokkene 1 dat ze uitgekomen waren op een consultancy fee van €12.500.

Na sluiting van de hiervoor bedoelde overeenkomst is over betaling van de hiervoor bedoelde findersfee en consultancy fee gemaild. In dat verband schreef de verdachte op 12 oktober 2005 dat in het contract staat dat omroep 3 €30.000 bijdraagt in de productiekosten van de Israël aflevering, dat afgesproken was dat betrokkene 1/omroep 3 in de vorm van een consultancy fee €12.500 in rekening brengt en dat de feitelijke bijdrage van omroep 3 €17.500 bedraagt.

Het voorgaande overziend, staat in de overeenkomst een bedrag van €30.000 als bijdrage van omroep 3 en daar staat een betaling van €12.500 aan omroep 3 tegenover. Anders dan bij de producties De Joodse Geschiedenis van Europa, Mishpoke en Toekomstexpress Israël/VS is niet geloofwaardig dat laatstgenoemd bedrag zou zien op daadwerkelijke werkzaamheden van omroep 3. De hiervoor aangehaalde e-mails laten zich slechts lezen als een driepartijenverdeling van subsidiegeld, waarbij partijen zelf een onderscheid maken tussen de officiële bijdrage (van €30.000) en de reële bijdrage (uiteindelijk €17.500) van omroep 3 en waarbij het bedrag van €12.500 voor omroep 3 tot stand komt als een compromis. Ook dit deel van feit 4 is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

1. primair: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

3. opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

4 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150.000.

De rechtbank overweegt dat in beginsel slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, ook voor iemand – zoals de verdachte – met een blanco strafblad, passen en geboden is. Er wordt echter rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in geruime mate is overschreden en (ook los van die termijnoverschrijding). In combinatie met het feit dat het hier gaat om oude feiten is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer passend is.

Een werkstraf van de maximale duur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf zou gelet op het voorgaande in beginsel wel een passende straf zijn, ware het niet dat de verdachte niet meer in Nederland maar in Nicaragua woont. Een taakstraf zal daarom in de praktijk niet uitvoerbaar zijn.

Wel uitvoerbaar is een geldboete van substantiële omvang. Met het conservatoir beslag op zowel de woning van de verdachte in Nederland als diens banktegoeden zijn er ten laste van de verdachte voldoende vermogensbestanddelen in Nederland beschikbaar en vatbaar voor verhaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF