Veroordeling wegens feitelijk leiding geven aan doen van onjuiste belastingaangifte: Rb gaat bij strafmaat uit van beoogde nadeel

Rechtbank Amsterdam 10 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9800 (gepubliceerd op 26 juni 2017)

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren door de FIOD ontkend de ten laste gelegde aangiften omzetbelasting te hebben gedaan. Volgens zijn verklaring heeft hij wel twee keer een startersaangifte op papier gedaan, één voor bedrijf 1 B.V. en één voor bedrijf 3. Deze zijn bij de Belastingdienst echter niet bekend. De rechtbank acht desondanks bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Bij deze aangiften is immers telkens een e-mailadres vermeld waarover verdachte volgens zijn eigen verklaring beschikte. Verder zijn op de aangiften bankrekeningnummers vermeld waarover verdachte de beschikking had en heeft hij erkend dat hij de terugontvangen bedragen ook contant heeft opgenomen dan wel anderszins besteed. Ook heeft verdachte verklaard dat hij nooit personeel heeft gehad en zelf aangifte omzetbelasting deed voor zijn ondernemingen. Volgens zijn verklaring mislukte dit elke keer als hij dat digitaal probeerde te doen, maar daaruit blijkt wel dat verdachte in elk geval toegang had tot het systeem om aangifte te doen voor de door hem opgerichte ondernemingen. Gelet op deze omstandigheden is de ontkenning van verdachte niet geloofwaardig. Nu uit het dossier ook geen enkele aanwijzing volgt dat anderen de aangiften omzetbelasting – met of zonder medeweten van verdachte – hebben gedaan, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte deze aangiften heeft gedaan.

Op grond van de inhoud van het dossier kan voorts bewezen worden dat de ingediende aangiften omzetbelasting onjuist waren. Verdachte heeft geen reële omzet gemaakt bij zijn ondernemingen, zoals blijkt uit de bankrekeningen van die ondernemingen. Verder zijn de aangiften niet onderbouwd met daadwerkelijke betaalde facturen. Bij de Belastingdienst is wel een pakket met facturen afgeleverd die de aangiften omzetbelasting en de opgegeven voorbelasting zouden moeten onderbouwen, maar deze bleken alle vals te zijn. Verdachte heeft weliswaar ontkend deze facturen bij de Belastingdienst te hebben afgeleverd maar niet is in te zien wie, behalve verdachte, er enig belang bij zou kunnen hebben die facturen op te maken en bij de Belastingdienst in te dienen. Het kan dus ook niet anders dan dat verdachte opzettelijk de onjuiste aangiften heeft gedaan.

Het voorgaande brengt met zich mee dat bewezen kan worden dat verdachte, handelend onder de naam bedrijf 3 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, zodat het onder 3 ten laste gelegde bewezen kan worden.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde geldt voorts het volgende.

Ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht kunnen strafbare feiten worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vraagpunten:

  1. Is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?
  2. Kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?
  3. Kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?

De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan ingevolge het tweede lid van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht ook strafvervolging worden ingesteld, en kunnen ook straffen worden uitgesproken tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven en/of aan dat feit feitelijk leiding hebben gegeven.

Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. en deze vennootschappen had geen werknemers in dienst. Nu de vennootschappen geadresseerde waren van de norm, te weten de verplichting om aangifte omzetbelasting te doen, nu het ging om handelen van verdachte die werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet plaats zou kunnen, kan het handelen van verdachte als natuurlijk persoon aan bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. worden toegerekend. Aangezien kan worden bewezen dat bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan kan verdachte, als enig aandeelhouder en bestuurder – en de persoon die feitelijk de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan – worden aangemerkt als feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet hierop kan het onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V., welke rechtspersonen opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan, worden bewezen.

De rechtbank acht, net als de officier van justitie, niet bewezen dat er ten aanzien van de ten laste gelegde feiten sprake was van medeplegen. Uit het dossier blijkt immers niet dat er een of meer anderen betrokken zijn geweest bij het indienen van de aangiften omzetbelasting.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 en 2: Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude, door – al dan niet als feitelijk leidinggever van verschillende rechtspersonen – opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te doen. Middels deze aangiften vroeg verdachte onterecht in totaal €312.203 aan voorbelasting terug. Hiervan is €74.249 daadwerkelijk door de Belastingdienst uitgekeerd. Verdachte heeft dit bedrag grotendeels contant opgenomen en niets van dit bedrag terugbetaald.

Hoewel ‘maar’ €74.249 aan verdachte is uitgekeerd, zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat uitgaan van het door verdachte beoogde nadeel van €312.203. Immers is het niet aan verdachte te danken dat niet dit gehele bedrag aan hem is uitbetaald, maar aan de oplettendheid van de belastingambtenaren. Uit de inhoud van het dossier blijkt bovendien dat er geen sprake is van een uit de hand gelopen situatie, waarbij verdachte op een gegeven moment geen andere mogelijkheid zag dan het doen van een onjuiste aangifte, maar dat verdachte in korte tijd en vanaf het begin al zeer doelbewust op grootschalige wijze heeft gefraudeerd. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen om verantwoording voor zijn handelen af te leggen. Gelet op deze omstandigheden, de oriëntatiepunten van het LOVS en de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij al meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten, is de rechtbank van oordeel dat slechts een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF