Veroordeling wegens babbeltrucs. Uitgebreide bewijsoverweging modus operandi & strafmotivering.

Rechtbank Rotterdam 14 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8434

Modus operandi

De rechtbank stelt vast dat de in casu betreffende feiten zich allen kenmerken door het gebruik van dezelfde modus operandi, namelijk door het gebruik van zogenaamde ‘babbeltrucs’, waarbij verdachte in gezelschap is van nagenoeg iedere keer dezelfde groep medeverdachten. Zo benadert een of meer van de verdachten een (hoog) bejaarde in een hoedanigheid die de schijn van betrouwbaarheid moet wekken, zoals een medewerker van een verhuurder of gemeente, met de mededeling dat er een bepaalde controle in de woning dient plaats te vinden, of door zich voor te doen als een bekende of als een nieuwe buurvrouw die wil kennismaken. De bewoner verschaft hierop toegang tot de woning. Eenmaal binnen gedraagt de verdachte c.q. de verdachten zich opdringerig en ongeloofwaardig en leidt met dit gedrag de bewoner af, zodat heimelijk een derde verdachte de woning binnen kan komen. In veel gevallen wordt de bewoner met een smoes naar een andere kamer geleid en wordt de voordeur op een kier gezet zodat de derde verdachte ongemerkt de woning kan betreden en vrij spel heeft bij het doorzoeken van de woning op kostbare goederen, terwijl de ander de bejaarde blijft afleiden. Via mobiele telefoons houden verdachten onderling contact en nadat de derde verdachte de woning heeft doorzocht en verlaten, verlaten ook de overige verdachten, meestal heel abrupt, de woning. Indien de pincode van de gestolen bankpassen niet al bekend zijn, volgt vaak een telefoontje waarbij een zogenaamde bankmedewerker met een smoes om de pincode vraagt.

Feit 1

Op de camerabeelden van de hal van de flat is te zien dat drie vrouwen de hal komen binnenlopen en met hun kleding, capuchons en hoofddoeken hun gezichten bedekken en dat zij op diezelfde ongebruikelijke wijze de lift binnengaan. Eenmaal binnengekomen in de lift is te zien dat zij hun gezichtsbedekking verwijderen. Kennelijk waren zij zich niet bewust van het feit dat zich ook een camera in de lift bevond. Eén van die vrouwen wordt vervolgens door de verbalisant ambtshalve herkend als verdachte. Vervolgens is te zien dat de vrouwen gezamenlijk de lift verlaten. Aangeefster heeft verklaard dat één vrouw beneden bij de centrale toegangshal aanbelde en zei dat zij zich wilde voorstellen omdat zij hier kwam wonen en dat er even later twee vrouwen voor de deur stonden die gelijk binnen kwamen toen zij de deur opende. Eenmaal binnen gedragen de vrouwen zich vrijpostig en praten onderling in een onbekende taal.

Op de camerabeelden is te zien dat verdachte ongeveer een half uur na binnenkomst de flat weer verlaat. Zij is dan alleen en niet vergezeld van de andere twee vrouwen. Bij het betreden van de centrale hal bedekt de verdachte weer haar gezicht. De twee andere verdachten verlaten korte tijd later de flat. Ook zij proberen hun gezicht te bedekken om herkenning te voorkomen. Gelet op de camerabeelden waarbij verdachte is herkend en het feit dat zij en haar medeverdachten hun gezichten bedekt hielden wanneer zij zich in beeld van camera’s waanden, in samenhang bezien met de modus operandi van de feiten ten laste gelegd onder 2, 3, 4 en 5 acht de rechtbank ook het onder 1. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte de diefstal door twee of meer verenigde personen heeft gepleegd.

Feit 2

Aangever heeft verklaard dat hij eerst gebeld is door een vrouw met een buitenlands accent die aangaf dat er klachten zouden zijn binnengekomen en dat er over vijf minuten iemand langs zou komen. Vijf minuten later werd er aangebeld door een vrouw zonder accent die vervolgens aangever lang aan de praat heeft gehouden met verhalen over klachten over het water en niet goed werkende luchtafzuiging. Aangever geeft aan dat de vrouw rare vragen stelde en zich vreemd gedroeg en hem afleidde teneinde naar hij achteraf begreep de andere twee vrouwen, die hij later zag, de gelegenheid te geven de woning te doorzoeken. Aangever heeft de daders zijn huis uit zien vluchten. Hij zag ze vervolgens uit de galerijflat rennen. Eerst de één en toen de twee andere daders. Hij heeft geroepen: “dat zijn ze” en “politie”. Een getuige heeft hem gehoord en is achter twee van de drie daders aangelopen. Zij heeft gezien dat deze in een donkerblauwe Volkswagen zijn gestapt en de desbetreffende auto aangewezen aan de toegesnelde politie. De inzittenden van deze auto te weten medeverdachte 1, medeverdachte 2 en verdachte zijn vervolgens aangehouden.

De politie vindt de gestolen goederen terug op de looproute van de verdachten. Hierbij wordt ook een vingerafdruk aangetroffen van één van de medeverdachten. Het telefoongesprek waarmee de komst van een medewerker van de woningstichting werd aangekondigd bij aangever, is aangetroffen op de mobiele telefoon van een medeverdachte.

Feit 3

Observanten nemen waar dat medeverdachte 3 met drie medeverdachte vrouwen uit een auto stapt. Met een gereedschapskoffer belt hij aan bij de woning van aangeefster. Vervolgens wordt waargenomen dat hij het pand binnengaat en dat hij de voordeur op een kier laat staan. Twee vrouwen, waaronder verdachte gaan het pand binnen, de derde vrouw blijft aan de overkant van het pand staan met de telefoon aan haar oor. Ongeveer tien minuten later verlaten verdachte en de tweede vrouw het pand weer. De derde vrouw loopt achter hen aan en zij stappen gedrieën in een auto. Kort daarna verlaat ook medeverdachte 3 het pand.

Aangeefster heeft verklaard dat er een man aanbelde die zei dat hij via de gemeente aangewezen was om asbest te controleren. Eenmaal binnen in de woning sleutelde hij wat aan de verwarming en liep hij naar de keuken, onderwijl pratend met aangeefster die hem bleef volgen door de woning. Nadat hij weg was constateerde aangeefster dat er een broche was weggenomen. Medeverdachte 3 heeft bekend dat hij zich heeft voorgedaan als iemand die de woning kwam controleren op asbest en dat hij toen ongezien enkele sieraden heeft weggenomen. Hij gaf aan dat hij daar met twee anderen was geweest. Verdachte heeft verklaard dat zij wel in de woning is geweest maar beneden aan de trap heeft gewacht op medeverdachte 3 van wie zij niet had geweten wat hij in de woning aan het doen was. De verklaring van verdachte wordt niet geloofwaardig geacht, gelet op de verklaring van medeverdachte medeverdachte 3 en de werkwijze van verdachte, die buiten medeweten van de bewoonster binnensluipt door de opengelaten voordeur. Een werkwijze die binnen de modus operandi van verdachte valt.

Hierbij merkt de rechtbank op dat óók indien de feitelijke wegnemingshandeling in dit geval verricht is door medeverdachte 3, er desalniettemin ook bij deze babbeltruc sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte 3 en verdachte. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal door twee of meer verenigde personen zoals deze onder feit 3. ten laste is gelegd, heeft gepleegd.

Feit 4

Aangeefster verklaart dat er aangebeld werd door twee vrouwen die een verhaal hadden over vergiftigd water en dat de vrouwen, eenmaal binnen, zich vrijpostig gedroegen en in een buitenlandse taal spraken. De vrouwen loodsten aangeefster naar de badkamer om aar het water te gaan kijken.

Verdachte is door de verbalisant herkend op de camerabeelden nabij het woonzorgcomplex van het slachtoffer die zijn gemaakt op het de dag van het gebeurde. Daarnaast is aan de hand van het onderzoek aan het peilbaken geconstateerd dat de auto van een medeverdachte, dochter van verdachte, zich ten tijde van het ten laste gelegde bevond in de straat van de woning van het slachtoffer.

Medewerkers van het woonzorgcomplex hebben kort nadat aangeefster op de alarmbel had gedrukt drie vrouwen aangetroffen nabij een nooduitgang.

Aangeefster bleek na het bezoek van de vrouwen haar bankpas te missen en zij werd diezelfde dag nog gebeld door een vrouw die zei dat ze van de ING Bank was en naar haar pincode vroeg. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat de handelwijze binnen de genoemde modus operandi van verdachte valt, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal door twee of meer verenigde personen zoals deze onder feit 4. ten laste is gelegd, heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

  1. diefstal door twee of meer verenigde personen;
  2. diefstal door twee of meer verenigde personen;
  3. diefstal door twee of meer verenigde personen;
  4. diefstal door twee of meer verenigde personen;
  5. diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafoplegging

Verdachte heeft zich samen met een anderen schuldig gemaakt aan diefstal in een vijftal woningen van (hoog) bejaarde mensen. Verdachte heeft haar slachtoffers kennelijk bewust uitgekozen op hun hoge leeftijd en dientengevolge op hun kwetsbaarheid. Eén van de mededaders van verdachte heeft de (hoog) bejaarden veelal benaderd in een hoedanigheid die de schijn van betrouwbaarheid moet wekken, zoals een medewerker van een verhuurder of een netbeheerder, dan wel door zich voor te doen als een nieuwe buurvrouw die wil kennismaken. Van het vertrouwen dat haar mededader in die hoedanigheid uitstraalde, maakte zij misbruik door hun slachtoffers, die zich mede door hun hoge leeftijd meer dan een ander in een hulpbehoevende situatie bevonden, af te leiden en verdachte en een ander binnen te laten, zodat zij geldbedragen en sieraden konden wegnemen.

De rechtbank is van oordeel dat dit buitengewoon ernstige feiten zijn. Verdachte heeft deze door hun hoge leeftijd kwetsbare personen, doelbewust als gemakkelijke prooi uitgekozen en hen samen met anderen op een uitgekookte, voorbedachte en geoefende wijze benaderd. Met haar optreden heeft verdachte het vertrouwen van haar slachtoffers, die door hun leeftijd veelal in hoge mate afhankelijk zijn van de hulp van anderen, ernstig geschaad. De rechtbank neemt hierbij ook in beschouwing dat de feiten steeds werden gepleegd bij de slachtoffers thuis en zelfs in een woonzorgcomplex, waardoor het gevoel van veiligheid dat een ieder in en rond zijn huis probeert te waarborgen, ernstig is aangetast. Bovendien brengen deze feiten ook een gevoel van onbehagen teweeg in de omgeving van de slachtoffers, bij hun familieleden en in de samenleving in het algemeen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is eveneens in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 september 2014 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 7 juli 2014. Dit rapport houdt het volgende in. Verdachte heeft in de periode 2013 - 2014 tien maanden geen uitkering gekregen. Als gevolg hiervan zijn er ernstige financiële problemen ontstaan en is het gezin uit huis gezet vanwege een huurschuld. Verdachte is gediagnosticeerd met een post traumatische stressstoornis en een depressie. Verdachte heeft een aandoening aan de schildklier, waardoor zij ziek is. Verdachte heeft een laag zelfbeeld en lijkt onvoldoende in staat om voor zichzelf op te komen. Betrokkene is analfabeet en heeft moeite met de Nederlandse taal. Zij heeft, buiten haar familie om geen sociaal netwerk, terwijl er aanwijzingen zijn dat haar familie, naast de financiële problemen een belangrijke criminogene factor is. Haar dochter echter, is een ondersteunende en positieve factor in het leven van verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Op 3 juli 2014 is verdachte gedetineerd, omdat België een uitleveringsverzoek heeft ingediend. Indien er geen uitlevering aan België plaatsvindt dan wordt, geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met onder meer een meldplicht. Voorts wordt verdachte verplicht zich te laten behandelen voor haar post traumatische stressstoornis en haar depressie bij Ipsy of ambulante forensische zorg en wordt zij geboden zich op de door de reclassering aangegeven specifieke tijdstippen op de Lepelaarsingel 35, Capelle aan den IJssel te bevinden. Het locatiegebod kan worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel.

Al het vorenstaande in aanmerking genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden dient te worden opgelegd. De rechtbank legt daarmee een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank meer feiten bewezen acht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF