Naar het oordeel van het hof is in redelijkheid niet uit te sluiten dat een ander dan verdachte -zonder en buiten medeweten van verdachte- de ten laste gelegde factuur heeft opgesteld

Gerechtshof Amsterdam 9 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4124

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de maand juli 2001, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, een factuur, gedateerd 31 juli 2001, afkomstig van Bedrijf 1, geadresseerd aan Bedrijf 3, factuurnummer 001001, met een factuurbedrag van Hfl 238.000,- (inclusief BTW), betreffende project en met de omschrijving (zakelijk weergegeven):

  • het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure inzake bovengenoemd project;
  • het vertalen in het Duits van bovengenoemde brochure en begeleidend schrijven;
  • het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project;

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die factuur fictief was, althans dat de in die factuur omschreven verkopen en/of leveringen van goederen of diensten in werkelijkheid niet of niet geheel hadden plaatsgevonden.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, al dan niet als medepleger, de ten laste gelegde valse factuur heeft opgemaakt.

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij deze factuur, heeft zij erop gewezen dat Bedrijf 1 een eenmanszaak van de verdachte was, en dat de verdachte heeft verklaard dat, voor zover hij zich kon herinneren, er geen andere mensen zijn te benoemen die een rol hebben gespeeld binnen Bedrijf 1. Voorts heeft zij erop gewezen dat er geen betalingen zijn binnengekomen op het op de factuur vermelde rekeningnummer van Bedrijf 1, voordat daarop het gefactureerde geldbedrag is gestort, zodat volgens de advocaat-generaal onaannemelijk is dat een ander dan de verdachte op de hoogte was van het bestaan van deze nieuwe rekening. Toen dit geldbedrag dezelfde dag werd overgeboekt naar een rekening van Bedrijf 2 i/o was de verdachte volgens de advocaat-generaal enig aandeelhouder, directeur en eigenaar van Bedrijf 2.

Volgens de advocaat-generaal kan het niet anders zijn dan dat de factuur van de verdachte afkomstig is. Gezien de wijze van handelen in de strafzaak Klimop (in welk verband de factuur zou zijn verzonden) is het logisch en begrijpelijk dat de factuur door betrokkene 1 is meegenomen naar betrokkene 2 en betrokkene 3 (van Bedrijf 3) en dat hij hun heeft opgedragen de factuur te betalen, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt verdediging

Door en namens de verdachte is ontkend dat de verdachte wist van het bestaan van de valse factuur, die onder de naam Bedrijf 1 is verzonden. De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat vorm en inhoud van deze factuur afwijken van andere, wel zakelijke facturen van Bedrijf 1, en dat de verdachte reeds in zijn verhoor door de FIOD-ECD, zonder overigens kennis te hebben genomen van het dossier, hierop heeft gewezen. De verdediging heeft vervolgens verschillende omstandigheden aangedragen, die er volgens de verdediging op wijzen dat betrokkene 1 de valse factuur onder de naam van Bedrijf 1 heeft opgesteld en bij betrokkene 2 en betrokkene 3 heeft ingediend. In dit verband heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (samengevat en zakelijk weergegeven) verklaard dat -hoewel hij zich dit niet kan herinneren- hij zich een gang van zaken kan voorstellen waarbij hem door betrokkene 1, als (toenmalige) goede vriend en zakenpartner, is medegedeeld dat op de rekening van Bedrijf 1 geld aankwam dat bedoeld was voor Bedrijf 2, bij welk bedrijf zij beiden betrokken waren, en dat betrokkene 1 hem heeft gevraagd dit geld door te storten naar Bedrijf 2, en dat hij, de verdachte, daar toen niets achter heeft gezocht. Gezien zijn drukke zakelijke- en privéleven destijds, mag volgens de verdachte niet de conclusie worden getrokken dat hij toentertijd wel móét hebben stilgestaan bij het op het oog afwijkende karakter van de doorbetaling aan Bedrijf 2. Bovendien had hij geen zicht op de financiële kant van Bedrijf 2, maar, zo heeft de verdachte verklaard, was betrokkene 1 de financiële man. betrokkene 1 heeft de beschikking kunnen hebben over het logo van Bedrijf 1 aangezien hij als (adjunct-) directeur van Bouwfonds de beschikking heeft kunnen hebben over reguliere facturen van Bedrijf 1 aan Bouwfonds waarvan hij het logo heeft kunnen overnemen, aldus de verdachte.

Oordeel hof

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die de valse factuur heeft opgemaakt of dat hij als medepleger opzettelijk betrokken is geweest bij het opmaken van die factuur. Bewijs waaruit dit rechtstreeks zou volgen is naar het oordeel van het hof niet voorhanden.

Gelet op de hierna te bespreken omstandigheden, is naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet uit te sluiten dat een ander -zonder en buiten medeweten van de verdachte- de factuur heeft opgesteld en heeft laten betalen door betrokkene 2 en betrokkene 3, eigenaren van Bedrijf 3.

Het hof kent allereerst betekenis toe aan het feit dat het blijkens de verklaring van betrokkene 3, betrokkene 1 is geweest die bij betrokkene 2 en betrokkene 3 is aangekomen met de tenlastegelegde factuur, en dat betrokkene 1 heeft gezegd dat de factuur door hen betaald moest worden uit het project, zijnde een project van het bedrijf Bouwfonds.

De verdachte heeft in zijn verhoor ten overstaan van de FIOD/ECD op 16 maart 2009 verklaard dat de factuur van 31 juli 2001 (D-1205) hem niets zegt en dat hij in die tijd veel projecten heeft gedaan en daarvoor rekeningen heeft gestuurd. De verdachte heeft verder verklaard dat de op de factuur vermelde werkzaamheden hem niets zeggen en dat de onderneming Bedrijf 3 geen bellen doet rinkelen. Over het project en over betrokkene 2 en 3 en hun onderneming Bedrijf 4 heeft de verdachte verklaard dat hij daar nog nooit van heeft gehoord. Ook betrokkene 2 en 3 hebben verklaard dat zij ten tijde van de betaling van de factuur niet wisten dat aan Bedrijf 1 de naam van de verdachte was verbonden.

Met de verdediging, constateert het hof voorts dat de ten laste gelegde factuur gedeeltelijk een andere opmaak heeft dan een factuur van Bedrijf 1 waarvan de echtheid niet wordt betwist, bijvoorbeeld D-3583. Op de tenlastegelegde factuur is wel het logo van Bedrijf 1 weergegeven, maar niet tevens, zoals wel op de factuur D-3583, een kolom met contactgegevens van Bedrijf 1 rechtsboven onder het logo. Bovendien sluit de factuurnummering op de tenlastegelegde factuur, gedateerd 31 juli 2001, (te weten: 001001) niet aan bij de factuurnummering op de factuur D-3583 van 1 maart 2001 (te weten: 010353). Dit alles kan naar het oordeel van het hof erop wijzen dat de factuur niet binnen de normale bedrijfsvoering (en/of op het eigen briefpapier) van Bedrijf 1 is opgemaakt.

Opvallend is dat op de valse factuur een rekeningnummer is vermeld dat op naam staat van de verdachte, handelend onder de naam Bedrijf 1, dat het gefactureerde bedrag de eerste betaling op die rekening betrof en dat dit op 3 augustus 2001 op die rekening gestorte geldbedrag diezelfde dag op verzoek van -zo acht ook hijzelf waarschijnlijk- de verdachte is overgeboekt naar de rekening van Bedrijf 2, in welk bedrijf de verdachte een belang had. Het hof kan echter niet uitsluiten dat betrokkene 1 die, uitgaande van de conceptjaarrekening van Bedrijf 2, 40% van de aandelen zou hebben eveneens een belang had bij laatstgenoemde onderneming. De verdachte heeft verklaard dat hij en betrokkene 1 betrokken waren bij de ontwikkeling van software in Bedrijf 2 en dat betrokkene 1 de financiële administratie van Bedrijf 2 verzorgde. Volgens de verdachte was het daarom niet onmogelijk dat betrokkene 1 hem heeft gebeld met de mededeling dat er geld aankwam bij Bedrijf 1 voor Bedrijf 2 en dat dit naar de rekening van Bedrijf 2 moest worden overgemaakt. Nu betrokkene 1 de administratie van Bedrijf 2 verzorgde sluit het hof niet uit dat betrokkene 1 hierdoor een mogelijkheid behield om over de op basis van de valse factuur verkregen gelden te kunnen beschikken. Weliswaar houden de verklaringen van de verdachte in dat betrokkene 1 niet betrokken was bij de reguliere bedrijfsvoering van Bedrijf 1 en dat alle (reguliere) facturen van Bedrijf 1 door de verdachte of in zijn opdracht werden opgesteld, maar dit leidt zonder nader bewijs niet tot de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die de tenlastegelegde factuur, op naam van Bedrijf 1, heeft opgesteld dan wel heeft laten opstellen.

Nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de factuur heeft opgemaakt of dat hij als medepleger daarbij opzettelijk betrokken is geweest, zal het hof de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF