HR: Het Hof heeft uit de bewijsvoering af kunnen leiden dat verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zo te bewaren dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend a.b.i. art. 3:15i.1 BW. AG: anders.

Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY0226 Feiten

De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens bedrieglijke bankbreuk veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het geschrift, te weten een afschrift van het Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (pagina 9 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:  Onderneming:  Handelsna(a)m(en) : [A]  Rechtsvorm : Eenmanszaak  Adres : [adres]  Datum vestiging : 01-05-2005 

De onderneming wordt gedreven door:  Naam : [verdachte]  Geboortedatum en -plaats : [geboortedatum]-1961, [geboorteplaats]  Adres : [adres] 

2. Het geschrift, te weten een afschrift van een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 juli 2007 (pagina 101-103 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: 

De uitspraak 

Het Hof: 

verklaart [verdachte], handelend onder de naam [A], wonende en zaakdoende te [plaats], in staat van faillissement; 

stelt aan tot curator mr. B.W.H. Pepping, advocaat te Tilburg. 

3. Het proces-verbaal aangifte faillissementsfraude (pagina's 96-99 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), opgemaakt en getekend op 1 februari 2008 door mr. B.W.H. Pepping, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: 

Deze aangifte richt zich tegen [verdachte] (h.o.d.n. [A]), geboren op [geboortedatum] 1961, laatstbekende adres [adres]. 

Hierbij doe ik aangifte ter zake de vermoedelijke overtreding van artikel 341 Wetboek van Strafrecht: bedrieglijke bankbreuk door evengenoemde persoon. 

In augustus en september 2007 heb ik mij herhaaldelijk naar het woonadres van gefailleerde begeven om deze verzocht (het hof begrijpt: te verzoeken) mij zijn (het hof begrijpt: haar) volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen, doch heb deze daar niet aangetroffen.  Op 10 juli 2007 heb ik gevorderd/verzocht mij de volledige administratie, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te overhandigen. Aan deze vordering is niet voldaan. Nadien heb ik bij brief van 26 juli 2007 nog nadere termijnen gesteld. De laatste termijn liep af redelijkerwijs enkele weken daarna. Ook in die termijn is aan de vordering niet voldaan. Zo ontbreekt iedere administratie van gefailleerde persoonlijk en van haar eenmanszaak [A]. De reactie van gefailleerde op mijn vordering is uitgebleven. 

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 2009 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik deed de administratie van de vennootschap."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring door het Hof voor zover inhoudende dat de verdachte "niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting[en] ten opzichte van het bewaren (...) van boeken en bescheiden en andere gegevensdragers, in artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld" ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft uit de bewijsvoering, inhoudende onder meer dat de curator zich in de tenlastegelegde periode herhaaldelijk naar het woonadres van de verdachte heeft begeven om haar te verzoeken hem de volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen doch bevonden dat iedere administratie van de verdachte persoonlijk en van haar eenmanszaak A bleek te ontbreken, kunnen afleiden dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode (tevens) niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend als bedoeld in art. 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG Vegter: anders

In de optiek van de AG kan uit die bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting boeken, bescheiden en gegevensdragers te voorschijn te brengen. Dat de verdachte niet heeft voldaan aan haar verplichting deze te bewaren volgt daaruit echter niet, aldus Vegter

"Het middel klaagt daarover terecht. De vraag is echter of dit tot cassatie moet leiden. Met enige aarzeling geef ik in overweging hier niet te casseren. Immers de bewaarplicht en afgifteplicht zijn nogal met elkaar verweven en het feit lijkt niet wezenlijk van karakter te veranderen indien de bewezenverklaring van de schending van de bewaarplicht wordt gezien als een kennelijke vergissing van het Hof. Voor de strafwaardigheid van het feit maakt het geen verschil dat de bewezenverklaring verbeterd wordt gelezen en wel beperkt tot de schending van de afgifteplicht."

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF