Veroordeling voor (gewoonte) witwassen door middel van hawala bankieren en overtreding van artikel 2:3a Wft

Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:250 (gepubliceerd op 8 december 2016)

De verdachte heeft zich samen met anderen in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. In de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode, die relatief kort is, heeft de verdachte veelvuldig grote contante geldbedragen grensoverschrijdend en buiten het formele geldcircuit, verplaatst, omgezet, gewisseld of uitbetaald. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende soorten tussenpersonen en geldkoeriers. De verdachte heeft in genoemd verband een belangrijke, alle partijen verbindende rol gespeeld.

Door het op grote schaal (als bemiddelaar) verrichten van informele geldtransacties, heeft de verdachte bewerkstelligd dat deze geldstromen zijn onttrokken aan de voorschriften die gelden en aan het toezicht op de naleving van deze regels. De verdachte heeft de geldstromen vervolgens in het officiële circuit gebracht. De verdachte heeft voorts door zijn handelen het voorafgaande criminele handelen van anderen gefaciliteerd.

De verdachte heeft de bovengenoemde geldtransacties bedrijfsmatig als betaaldienstverlener verricht zonder te beschikken over een daartoe door de Nederlandse Bank verleende vergunning, dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling. De verdachte heeft zich zodoende onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht.

Aanleiding

Op grond van een Engels onderzoek naar de invoer en verspreiding van grote hoeveelheden heroïne via Nederland naar Engeland, is een verdenking ontstaan jegens medeverdachte 2 en medeverdachte 1.

Medeverdachte 2 en medeverdachte 1 zijn vervolgens in Nederland intensief telefonisch afgeluisterd en geobserveerd. Op grond hiervan is de verdenking ontstaan dat beiden zich in Nederland bezighielden met de voorbereiding van een heroïnetransport. Door het opnemen en uitluisteren van de gesprekken kwamen ook medeverdachte 3 en medeverdachte 4 als verdachte in beeld. Op 9 december 2009 zijn alle vier genoemde verdachten aangehouden en in een woning in gebruik bij medeverdachte 2 is op die dag 32,48 kilo heroïne aangetroffen. In een andere woning waarvan medeverdachte 2 vanaf september 2009 de huur betaalde en waar hij in de ten laste gelegde periode voorafgaand aan 8 december 2009 ook heeft verbleven, is een hoeveelheid van ruim 8 kilo van een mengsel van paracetamol en coffeïne aangetroffen, alsmede mixers, persmallen en een mengbak met resten heroïne.

Naar aanleiding van de opgenomen en uitgeluisterde gesprekken en de observaties zijn op 27 januari 2010 ook verdachte en medeverdachte 6 als verdachte aangehouden. De inhoud van de gesprekken heeft aanleiding gegeven te veronderstellen, dat door de verdachten gebruik werd gemaakt van een systeem van informele geldtransacties, ter verplaatsing van geldbedragen in Engeland en Nederland. Bij medeverdachte 6 en de eveneens als verdachte aangehouden geldkoerier genaamd medeverdachte 7, zijn documenten gelijkend op een administratie aangetroffen.

Toerekening van de telefoonnummers

Het dossier in deze zaak bevat vele opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken (tapgesprekken) die van belang zijn voor de bewijsvoering.

De rechtbank heeft onder paragraaf 6.2.1.2 en 6.2.1.3 van het vonnis waarvan beroep onder het kopje ‘verdachte’ uitvoerig uiteengezet waarom degene die de gebruiker is van de telefoonnummers eindigend op 9170, 1793, 4718 en 1407 steeds dezelfde persoon is en waarom, op grond van alle feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd, dat de verdachte deze persoon is.

Het hof sluit zich aan bij deze onderbouwde conclusie van de rechtbank en overweegt voorts als volgt.

De raadsman heeft in hoger beroep een rapport overgelegd van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 4 december 2014, waarin, kort en zakelijk weergegeven, wordt geconcludeerd dat stemherkenning door een tolk na het uitluisteren van een aantal geluidsfragmenten, onvoldoende betrouwbaar is. Stem vergelijkend onderzoek dient aan de hand van een wetenschappelijk erkende werkwijze te worden verricht.

Wat er ook zij van dit rapport: het hof stelt voorop dat van stemherkenning door een tolk die een aantal geluidsfragmenten heeft uitgeluisterd, niet anders dan behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt bij de vraag of het steeds dezelfde persoon is geweest die daarop te horen is. Nu echter naar het oordeel van het hof geen steun te vinden is in het recht voor de zienswijze dat alleen een deskundige een stem op een geluidsfragment kan herkennen, kan niet worden gesteld dat stemherkenning op een niet-wetenschappelijk erkende wijze, door bijvoorbeeld een tolk of een verbalisant, geen enkele waarde heeft. Van belang is dat het resultaat van een stemherkenning steeds (behoedzaam) zal moeten worden beoordeeld in het licht van het overig bewijsmateriaal dat voorhanden is.

De rechtbank heeft de stemherkenning door de tolk genoemd als onderdeel van een reeks van feiten en omstandigheden, die in onderling verband en samenhang bezien moeten worden. Het hof heeft bij de toerekening van de telefoonnummers aan de verdachte in het bijzonder het verband en die samenhang in aanmerking genomen en is op grond daarvan van oordeel, dat van de stemherkenning in dit geval gebruik kan worden gemaakt in voor het bewijs redengevende zin.

Anders dan de rechtbank overweegt het hof met betrekking tot de werkzaamheden van de verdachte als volgt. De verdachte was in de ten laste gelegde periode in dienst van een schoonmaakbedrijf (proces-verbaal van bevindingen, pagina 1291 en verder van map 1c).Uit het werkrooster in de bijlage (pagina 1331 van map 1c) blijkt dat de verdachte op 1, 2, 3, 4, 7, 8 en 9 december 2009 acht uur heeft gewerkt. Een werkrooster van de voorgaande periode bevindt zich niet in het dossier. Het werkrooster geeft niet aan hoe laat de werkzaamheden van de verdachte aanvingen en de verdachte heeft niets over zijn werk willen verklaren. Uit de printlijsten van het aan verdachte toegeschreven telefoonnummer eindigend op 4718 blijkt dat op die dagen vanaf het middaguur met genoemd telefoonnummer voornamelijk gesprekken zijn gevoerd via paallocaties in Amsterdam Zuid Oost en in Diemen (pagina 1297 en verder van map 1c).

De werkgever van de verdachte, die schoonmaakwerk levert op projectbasis, heeft verklaard dat de verdachte op een moment aan het werk is geweest bij het NS station RAI (proces-verbaal van verhoor, pagina 1320 en verder van map 1c). De werkgever heeft niet precies aangegeven wanneer dit was en heeft ook verklaard, dat de verdachte geregeld niet op kwam dagen op het werk.

De tapgesprekken van het nummer eindigend op 4718 zijn vanaf 1 december 2009 vanaf het middaguur tot laat in de avond gevoerd.

Het hof is van oordeel, dat uit het dossier niet dan wel onvoldoende duidelijk kan worden opgemaakt waar en vanaf hoe laat de verdachte vanaf 1 december 2009 precies heeft gewerkt en dat genoemde omstandigheden niet uitsluiten, dat de verdachte zich gedurende het gedeelte van de dag dat hij niet werkte dan wel niet op het werk verscheen, bezig hield met het voeren van telefoongesprekken op verschillende locaties, waaronder zijn huisadres aan de adres 1 in Amsterdam Zuid Oost. Anders dan de raadsman heeft betoogd, geven genoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof geen aanleiding te betwijfelen dat de verdachte de gebruiker is geweest van het nummer eindigend op 4718.

Inzake de toerekening van de telefoonnummers heeft de raadsman in zijn betoog vooral de nadruk gelegd op enkele van de door de rechtbank afzonderlijk genoemde omstandigheden, die naar zijn mening voor twijfel zorgen inzake de toerekening. Zodoende is hij naar het oordeel van het hof voorbij gegaan aan de genoemde onderlinge samenhang tussen de verschillende feiten en omstandigheden die door het hof in het bijzonder in aanmerking is genomen.

De medeverdachten medeverdachte 2, medeverdachte 3, medeverdachte 6 en medeverdachte 4 hebben noch in eerste aanleg noch in hoger beroep betwist, dat zij de personen zijn die gebruik hebben gemaakt van de telefoonnummers zoals die in de weergave van de hieronder besproken opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken worden genoemd.

Het hof sluit zich aan bij de toerekening door de rechtbank van de verschillende, door alle verdachten gebruikte telefoonnummers onder paragraaf 6.2.1.3 van het vonnis waarvan beroep, inclusief de verwijzingen daarin naar onderdelen van het dossier.

Toerekening van de administraties

Uit het dossier blijkt, dat in deze zaak op verschillende locaties twee zogenaamde administraties zijn aangetroffen.

Op 17 november 2009 is de geldkoerier medeverdachte 7 aangehouden, met in zijn bezit een opschrijfboekje met daarin een administratie over de periode van 21 oktober tot en met 14 november 2009.

Op 27 januari 2010 zijn bij de doorzoeking van een woning aan de adres 2 te Amsterdam, de verblijfplaats van de medeverdachte medeverdachte 6, twee schriften in beslag genomen en een aantal losse pagina’s met aantekeningen, die duiden op een administratie.

De raadsman van de verdachte heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de gevonden administraties en de medeverdachte medeverdachte 6 heeft betrokkenheid bij de bij hem aangetroffen stukken niet betwist.

De rechtbank heeft onder paragraaf 6.2.2.1.3 uitvoerig uiteen gezet dat de op 17 november 2009 aangetroffen administratie toebehoorde aan de geldkoerier medeverdachte 7 en de op 27 januari 2010 aangetroffen administratie aan medeverdachte 6. Voorts is aan de hand van onder meer een vergelijking van beide documenten en de duiding van de namen en de bedragen de conclusie getrokken, dat in de beide administraties uitsluitend een gezamenlijk tegoed is bijgehouden ten behoeve van de medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1.

Het hof onderschrijft deze conclusie onder paragraaf 6.2.2.1.3 van het vonnis en neemt de overwegingen daarin over, inclusief de verwijzingen daarin naar onderdelen van het dossier.

Met de rechtbank gaat het hof ervan uit, dat de inkomsten en uitgaven die zijn geboekt in de administraties, telkens zien op geldbedragen die door of namens medeverdachte 1 of medeverdachte 2 zijn ingebracht, of op geldbedragen die aan hen zijn uitgekeerd, dan wel aan derden die het geld in hun opdracht in ontvangst hebben genomen.

Bewijsoverwegingen feit 1 primair

De transacties

Het dossier bevat ten aanzien van de ten laste gelegde periode vele opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken en sms-verkeer, vooral tussen de medeverdachten medeverdachte 2, medeverdachte 1, medeverdachte 3 en de verdachte. Uit de inhoud van de telefoongesprekken is op te maken dat er een nagenoeg dagelijks onderling contact was tussen de verdachten. Door de inhoud en het karakter van deze gesprekken, in samenhang met de aangetroffen administraties, de verschillende observaties en de aangetroffen geldbedragen bij een geldkoerier en bij de verdachte medeverdachte 3, is het hof tot de conclusie gekomen dat steeds sprake is van het (grensoverschrijdend) verplaatsen, dan wel wisselen, verrekenen of uitbetalen van geldbedragen, voornamelijk door de verdachte en in opdracht van medeverdachte 2 of medeverdachte 1.

Bij de conclusie dat sprake is geweest van daadwerkelijk voltooide geldoverdrachten heeft het hof met name de volgende omstandigheden in onderling verband in aanmerking genomen:

-uit observaties is gebleken dat de verdachten elkaar en de geldkoerier op verschillende momenten hebben ontmoet, na het voeren van gesprekken waarin wordt gevraagd om ‘messages’ en codes en waarin veelvuldig verschillende getallen en het woord ‘geven’ voorkomen. Bij de observatie van

17 november 2009 is de geldkoerier medeverdachte 7 aangehouden, met onder zijn arm geklemd een doos met daarin € 100.000;

  • in de aangetroffen administraties is sprake van berekeningen die corresponderen met bedragen die genoemd worden in de telefonische berichten en bij de datum van 17 november staat een bedrag genoemd van 100.000;
  • als sluitstuk van een transactie heeft vaak een telefoongesprek plaats dat als terugkoppeling kan worden beschouwd dat de transactie is voltooid zoals afgesproken.

De gesprekken worden gevoerd door personen met verschillende nationaliteiten, hebben een versluierend, enigszins cryptisch karakter, worden gekenmerkt door herhaalde patronen en gaan bij de voorbereiding van de geldoverdrachten gepaard met het veelvuldig noemen van getallen, al dan niet gevolgd door de mededeling ‘ok’. Ook wordt er bericht over zogenaamde ‘tokens’ , combinaties van getallen en letters, die kennelijk fungeren als legitimatie bij het overdragen dan wel afleveren van de geldbedragen.

Met de rechtbank heeft het hof uit de inhoud van de tapgesprekken afgeleid, dat ‘Lahore’ een manier is om ‘Londen’ aan te duiden en dat met ‘Multan’ een andere Engelse plaatsnaam wordt bedoeld. ‘B’ blijkt te staan voor Birmingham en ‘Topi’ is een manier om Turkije aan te duiden. Voorts is uit de gesprekken in samenhang met de aangetroffen administraties op te maken, dat in geval sprake is van ‘1’ bedoeld wordt een geldbedrag van € 100.000.

Het hof neemt met betrekking tot het taalgebruik de overwegingen van de rechtbank over onder paragraaf 6.2.2.1.1 onder versluierend taalgebruik, inclusief de verwijzingen daarin naar onderdelen van het dossier. Voorts neemt het hof over de overwegingen van de rechtbank onder paragraaf 6.2.2.8.1 met betrekking tot de herkenbare patronen en de rol die de verschillende verdachten binnen het hawala systeem hebben gespeeld.

Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van de uitvoering van geldtransacties buiten het formele geldcircuit, door personen die daarvoor in het bezit dienden te zijn van een krachtens de Wft verleende vergunning of ontheffing. Het op deze manier overboeken van (grote) geldbedragen in grensoverschrijdend verband wordt ook wel aangeduid met de term ondergronds of hawala bankieren.

Hawala bankieren1 is een informele vorm van het verrichten van geldtransacties die berust op het principe van verrekening, binnen een vaak grensoverschrijdende kring van vertrouwenspersonen, die allen hun eigen rol vervullen. Kort gezegd, komt het systeem erop neer, dat tegen verrekening van de geldende wisselkoers, zonder gebruik te maken van een betaalrekening, door een ‘bankier’ en met behulp van een of meer tussenpersonen een geldbedrag betaalbaar wordt gesteld, dat op een eerder moment elders is ingebracht. De hierdoor ontstane schuld bij de uitkerende bankier wordt voldaan door (latere) onderlinge verrekening tussen de bankiers. Het systeem minimaliseert de noodzaak van de fysieke verplaatsing van geld, maar uiteindelijk wordt bij de daadwerkelijke uitbetaling wel vaak gebruik gemaakt van geldkoeriers.

Voor de inwoners van bepaalde landen en emigranten uit die landen is, gelet op het ontbreken van een veilig en betaalbaar bancair systeem, hawala bankieren in feite de enige betrouwbare en voor een ieder toegankelijke manier om betalingen te doen of geld naar familieleden over te maken.

Het hof is, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat alleen die transacties wettig en overtuigend kunnen worden bewezen waarbij sprake is van zowel relevante en duidelijke tapgesprekken als van een daarmee samenhangend deel van de administratie waarin een of meer van de in de gesprekken genoemde bedragen terugkomen.

Als gevolg daarvan zal het hof de verdachte vrijspreken van de hem ten laste gelegde transacties met de nummers 8, 10, 14, 16, 18, 23, 28, 29, 33 en 37. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel, dat het dossier onvoldoende duidelijk wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezen verklaring van de transacties 1, 3, 5, 15, 20 en 32. Het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de geldtransacties met de nummers 2, 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13, 17, 19, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 30, 31, 34, 35, 36, 38 en 39 heeft uitgevoerd.

Het hof verwijst voor de bewijsmiddelen inzake de administraties en de transacties naar de aanvulling op dit verkort arrest, onder feit 1 primair.

Voor de duiding van de bewijsmiddelen per transactie ten aanzien van de nummers 6, 12, 26, 35 en 39 verwijst het hof naar de overwegingen van de rechtbank onder paragraaf 6.2.2.2 (transactie 6), 6.2.2.3 (transactie 12), 6.2.2.4 (transactie 26), 6.2.2.5 (transactie 35) en 6.2.2.6 (transactie 39).

Feiten en omstandigheden

De verdachte heeft blijkens de inhoud van de tapgesprekken bij nagenoeg alle ten laste gelegde transacties een belangrijke, centrale rol gespeeld. Hij onderhield contacten met zowel de opdrachtgevers en medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 als met de medeverdachte medeverdachte 6 (die ook als een financiële dienstverlener kan worden beschouwd), als met in elk geval één van de geldkoeriers.

Het dossier bevat voorts aanwijzingen dat medeverdachte 2 en medeverdachte 1 op enige manier betrokken zijn geweest bij het transport van 20 kilo heroïne in Engeland. Kort na de onderschepping hiervan vonden immers verschillende gesprekken plaats tussen medeverdachte 2, medeverdachte 1 en de verdachte over het verloren gaan van 20 ‘auto’s’ in Birmingham, de aanhouding van ‘een jongen van ons’ waar dat mee gepaard is gegaan en de noodzaak het systeem te veranderen. Uit genoemde gesprekken blijkt dat de verdachte minstgenomen op de hoogte is geweest van het transport en de aanhoudingen in Engeland.

Het hof acht verder bewezen dat de medeverdachte medeverdachte 2 de in zijn woning aangetroffen hoeveelheid heroïne aanwezig heeft gehad.

De verdachte is op verzoek betrokken geweest bij het regelen van het aankoopbedrag van de vacuümmachine, die eerst in de woning aan de adres 3 heeft gestaan en vervolgens werd aangetroffen in het huis van medeverdachte medeverdachte 4 (transactie 6). Het hof acht het aannemelijk dat deze machine gebruikt zou gaan worden voor het vacuüm verpakken van de aangetroffen hoeveelheid heroïne en de in de adres 3 gevonden versnijdingsmiddelen.

Uit de inhoud van het dossier en de hierboven aangehaalde gesprekken kan worden opgemaakt dat de verdachte de medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 kende, dat hij in een betrekkelijk korte periode dagelijks (telefonisch) rechtstreeks en intensief contact met deze personen onderhield en dat hij ze geregeld ontmoette. Verder wist hij, dat de medeverdachten door de politie in Nederland gevolgd zijn, dat ze daardoor de tram in plaats van de auto moesten nemen en dat als gevolg daarvan een van de medeverdachten zich genoodzaakt zag tijdelijk het land te verlaten.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden, dat de gedragingen en gesprekken zoals hierboven geschetst, slechts voortkomen uit de omstandigheid dat de verdachten zich bewust waren dat zij zich bezig hielden met een strafbare vorm van ondergronds bankieren.

Uit de inhoud van het dossier en de hier boven geschetste feiten en omstandigheden is gebleken, dat de verdachte in de ten laste gelegde periode in opdracht van de medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 veelvuldig grote contante geldbedragen heeft omgezet dan wel heeft overgedragen.

Voorts is in enkele gevallen een groot geldbedrag op risicovolle wijze vervoerd in een auto, dan wel in een doos over straat.

Criminele herkomst van de geldbedragen

Het hof stelt om te beginnen vast, dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de geldbedragen waarmee de verdachte handelde, van een voorafgaand misdrijf afkomstig waren.

Voorts kan het enkele ‘ondergronds’, dan wel hawala bankieren, hoewel in deze zaak een strafbaar feit zoals hierna bewezen zal worden verklaard, niet zonder meer worden gekenschetst als het handelen met geldbedragen die van misdrijf afkomstig zijn. Hoewel in de wijze waarop hawala bankieren in de praktijk wordt gebracht verschillende kenmerken van witwassen zouden kunnen worden herkend, kan het bewijs van witwassen in geen geval worden gestoeld op de omstandigheid dat sprake is van hawala bankieren.

Het hof is vervolgens van oordeel dat uit de hierboven geschetste feiten en omstandigheden voortvloeit dat er (zonder meer) sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen ten aanzien van de verdachte.

Overwegingen en conclusies van het hof

Het hof is van oordeel dat gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van de geldbedragen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk is aan te merken.

De verdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 hebben niet verklaard over de (legale) herkomst dan wel de bestemming van de geldbedragen die in hun opdracht door de verdachte werden verplaatst. Voor zover de medeverdachten hebben verklaard over hun eigen legale inkomen, staat dat in geen enkele verhouding tot de hoogte van de bedragen waarmee gehandeld werd.

Het hof stelt vast dat de verdachte in het geheel niet heeft verklaard over de betreffende geldbedragen in de bewezenverklaarde transacties, als gevolg waarvan hij geen enkel tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden.

De verdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 hebben evenmin inzicht gegeven in de omvang en de frequentie van de transacties, noch in de herkomst dan wel de bestemming van het geld.

Indien dit door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding had gegeven, zou het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie hebben gelegen om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld. In deze zaak is een dergelijk concreet aanknopingspunt echter niet voorhanden.

Anders dan de raadsman is het hof bij deze stand van zaken daarom van oordeel, dat van het Openbaar Ministerie niet hoeft te worden verlangd dat het nader onderzoek doet naar de bron van de geldbedragen.

Alles afwegende, mede bezien in het licht van alle feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden van witwassen, komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die de verdachte omzette dan wel overdroeg middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte dit wist.

Gelet op de frequentie van de witwastransacties in de (relatief korte) ten laste gelegde periode, is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een gewoonte.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair is ten laste gelegd.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in alle onderdelen.

Bewijsoverwegingen feit 2 eerste onderdeel

De verdachte, die blijkens de inhoud van de telefoongesprekken, als tussenpersoon heeft gefungeerd, heeft in de ten laste gelegde periode in opdracht geldbedragen verplaatst.

Gelet op artikel 2:3a, eerste lid, van de Wft, zoals dat op 1 november 2009 in werking is getreden, is het een ieder met een zetel in Nederland verboden het bedrijf van betaaldienstverlener uit te oefenen zonder een daartoe door De Nederlandsche Bank (DNB) verleende vergunning. Gelet op artikel 1:1 Wft is een betaaldienstverlener degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten en is een betaaldienst een bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten (Richtlijn 2007/64/EG). Een zogenaamde ‘geldtransfer’ behoort tot de betaaldiensten. Geldtransfers worden in artikel 4 onder 13 van genoemde richtlijn gedefinieerd als:

‘een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld’.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door het aldus verrichten van financiële handelingen geldtransfers in de zin van de richtlijn tot stand heeft gebracht. Gelet op de frequentie van de transacties waarbij de verdachte als centrale tussenpersoon betrokken is geweest, stelt het hof voorts vast, dat zodoende sprake is geweest van een bedrijfsmatige uitvoering van betaaldiensten.

Uit de stukken van het dossier is gebleken dat de verdachte niet beschikte over een vergunning van de Nederlandsche Bank als bedoeld in artikel 2:3a, eerste lid, Wft.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder het eerste gedeelte van feit 2 is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Feit 2, eerste onderdeel: medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.


Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, een bedrag van € 20.000,00.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF