Verdachte heeft opzettelijk aanzienlijke hoeveelheden niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt gebracht

Gerechtshof Den Haag 25 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3538

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk op de markt brengen van aanzienlijke hoeveelheden niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, door een rechtspersoon (medeverdachte) waaraan verdachte feitelijk leiding gaf. Het bewezen verklaarde levert op overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte een aantal verweren gevoerd.

Vallen de ten laste gelegde feiten onder de werkingssfeer van de verordening (EG) Nr. 1107/2009?

Ingevolge artikel 2 van de Verordening is de Verordening van toepassing op middelen, “in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd”. De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat geen sprake is van levering aan een “gebruiker”. Anders dan de raadsman heeft betoogd blijkt uit het dossier, meer in het bijzonder uit de verpakkingen, de beschrijvingen van de middelen en de bijsluiters/gebruiksaanwijzingen dat sprake is van middelen die, in de vorm waarin zij in Rotterdam door de NVWA-inspectie werden aangetroffen, geschikt waren om aan de gebruiker geleverd te worden. Dat de daadwerkelijke (eind)gebruiker nog niet bekend is doet daaraan niet af. Uit de analyserapportage van het RIKILT blijkt voorts dat de monsters die van de aangetroffen middelen zijn genomen één of meer “werkzame stoffen” van toegepaste gewasbeschermingsmiddelen bevatten. Het betoog van de raadsman dat het niet zou gaan om middelen als bedoeld in artikel 2 van de Verordening faalt derhalve eveneens. De ten laste gelegde feiten vallen derhalve – in weerwil van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd – wel degelijk onder de werkingssfeer van de Verordening.

Vallen de ten laste gelegde feiten onder een uitzondering als bedoeld in artikel 28, tweede lid, aanhef en sub a, c, d of e van de Verordening?

Met betrekking tot de onder a bedoelde uitzondering, waarbij het gaat om middelen die uitsluitend één of meer basisstoffen bevatten, overweegt het hof als volgt. Uit het bepaalde in artikel 23, eerste lid, aanhef en sub d van de Verordening (naar welk artikellid ook wordt verwezen in artikel 18 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), blijkt dat als basisstof slechts kan worden aangemerkt de werkzame stof die niet als gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht. Aangezien verdachte de middelen in Nederland voorhanden had met het oog op de verkoop ervan als gewasbeschermingsmiddelen aan het Litouwse bedrijf bedrijf (en daarmee dus op de markt bracht binnen de Europese Unie) is van basisstoffen in voornoemde zin, en daarmee van de onder a bedoelde uitzondering, geen sprake.

Naar het oordeel van het hof is voorts onvoldoende (feitelijk) onderbouwd, noch genoegzaam gemotiveerd waarom de uitzonderingen als bedoeld in sub c, d en e in dit geval van toepassing zouden zijn. Meer in het bijzonder geldt dat niet gebleken is dat de middelen in de lidstaat waarvoor zij zouden zijn bestemd zijn toegelaten als bedoeld onder c, evenmin dat de middelen zijn bestemd voor gebruik in een derde land als bedoeld onder d en ook niet dat aan de verdachte voor het op de markt brengen van de middelen een vergunning voor parallelhandel volgens artikel 52 van de Verordening is verleend, zoals onder e is vereist. Dat bedrijf zou beschikken over een parallelvergunning voor azoxystrobin, zoals de raadsman heeft aangevoerd, is daarbij niet relevant. bedrijf is immers niet de partij die de middelen op de markt heeft gebracht als in artikel 3, aanhef en onder 9 van de Verordening is bedoeld en aan een eventueel aan bedrijf verleende parallelvergunning komt bovendien geen derdenwerking toe.

Handelde medeverdachte en de verdachte opzettelijk?

In het economisch strafrecht geldt – anders dan in het commune strafrecht – kleurloos opzet. Dat wil zeggen dat niet is vereist dat een verdachte opzet heeft op het overtreden van de toepasselijke regelgeving, maar dat voldoende is dat een verdachte opzet heeft op het ten laste gelegde feitelijke gedrag. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de verdachte, dan wel de medeverdachte, geen opzet heeft gehad op het invoeren van een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen. Uit het dossier blijkt dat de (mede)verdachte vennootschap, waarvan verdachte directeur eigenaar is, handelde in (Chinese) gewasbeschermingsmiddelen. Van de verdachte en de medeverdachte mag derhalve worden verwacht dat zij de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van gewasbescherming kennen. De (mede)verdachte had daarnaast ook kunnen informeren bij bijvoorbeeld de Servicedesk van het CTGB of de door haar gekochte middelen in Nederland waren toegelaten. Door na te laten nader onderzoek te verrichten heeft de verdachte het risico genomen dat het hier zou gaan om gewasbeschermingsmiddelen die alleen op de (EU) markt mochten worden gebracht wanneer ze overeenkomstig de Verordening waren toegelaten. Voor zover een beroep is gedaan op documenten en informatie die zijn verstrekt door de expediteur B.V. Betreft dit naar het oordeel van het hof niet een zodanig onderzoek dat dit de verdachte of de medeverdachte disculpeert. Deze expediteur houdt zich immers slechts bezig met belastingen, douanerechten en accijnzen en gaat niet over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Van het ontbreken van het vereiste opzet is geen sprake.

Bewezenverklaring 

Feit 1 en 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly and PDF