Veroordeling voor BTW-fraude (1)

Rechtbank Utrecht 16 oktober 2012, LJN BY2554 (gepubliceerd op 7 november 2012) De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: samen met een ander of anderen opzettelijk aangiften voor de omzetbelasting onjuist dan wel onvolledig heeft gedaan en/of met betrekking tot die aangiften omzetbelasting valsheid in geschrift heeft gepleegd;
  • Feit 2: samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;
  • Feit 3: opzettelijk geen administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd.

Op 22 juli 2008 heeft de Belastingdienst een brief ontvangen afkomstig van bedrijf 1. Hierin maakt bedrijf 1 melding van het feit dat hij sinds mei 2008 een leverancier heeft van edelmetaal/sloopgoud die grote hoeveelheden van deze goederen te koop aanbiedt, dat hij over de periode mei 2008 tot en met 21 juli 2008 een groot bedrag aan omzetbelasting aan deze leverancier heeft betaald en dat hij zich afvraagt of deze leverancier daadwerkelijk aangifte heeft gedaan van de ontvangen omzetbelasting. Naar aanleiding van deze brief heeft de Belastingdienst een back-up gemaakt van de boekhouding van bedrijf 1 over 2008 en aan de hand van die gegevens een onderzoek ingesteld bij de diverse leveranciers van sloopgoud aan bedrijf 1, waaronder verdachte en zijn medeverdachte.

Op 17 maart 2009 is in het zogenoemde Tripartite overleg besloten een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte in te stellen naar de onjuiste aangifte omzetbelasting en het niet voeren van een administratie.

Bewijsmiddelen

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:

Bedrijf 2 en bedrijf 1 hebben sloopgoud ingekocht van verdachte. Verdachte heeft deze transacties niet verwerkt in zijn aangifte voor de omzetbelasting (feit 1). Ook heeft verdachte de facturen van deze transacties niet verwerkt in zijn administratie (feit 3).

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte medeverdachte facturen vervalst, door op deze facturen te vermelden dat hij aan “bedrijf 4” sloopgoud had verkocht terwijl hij in werkelijkheid geen goud heeft geleverd (feit 2). Dat er geen goud is geleverd leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte onvoldoende concreet kan aangeven wie zijn eigen leveranciers zijn, er geen enkele administratieve onderbouwing is van de inkoop van het goud en verdachte niet beschikt over kennis die noodzakelijk is om actief te zijn in de goudhandel.

In het dossier bevinden zich zowel geprinte facturen als handgeschreven facturen. Uit de kenmerkende overeenkomsten tussen de geprinte facturen van verdachte en facturen van bedrijf 3, een andere leverancier van de medeverdachte, leidt de rechtbank af dat de facturen zijn opgesteld in onderling overleg tussen verdachte en zijn medeverdachte. Uit het feit dat daarnaast in de administratie van zijn medeverdachte originele facturen van verdachte gericht aan zijn medeverdachte zijn aangetroffen, voorzien van een stempel van de onderneming van verdachte, leidt de rechtbank af dat verdachte hetzij deze facturen zelf heeft opgesteld, hetzij blanco facturen aan zijn medeverdachte ter beschikking heeft gesteld zodat deze de facturen verder kon opstellen en in zijn administratie kon opnemen. In beide gevallen is er sprake van medeplegen van het onder 2. tenlastegelegde.

Door het melding maken van omzetbelasting op de hiervoor onder 2. genoemde facturen, is verdachte omzetbelasting verschuldigd geworden. Verdachte heeft deze facturen echter niet betrokken bij zijn aangifte omzetbelasting (feit 1). Evenmin heeft verdachte de betreffende facturen opgenomen in zijn administratie.

Bewezenverklaring

De rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

  • Feit 1. Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en valsheid in geschift, meermalen gepleegd;
  • Feit 2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 3. Als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zaak van medeverdachte:

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF