Veroordeling voor BTW-fraude (2)

Rechtbank Utrecht 16 oktober 2012, LJN BY2538 (gepubliceerd op 7 november 2012) De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: samen met een ander of anderen opzettelijk aangiften voor de omzetbelasting onjuist dan wel onvolledig heeft gedaan en met betrekking tot die aangiften omzetbelasting valsheid in geschrift heeft gepleegd;
  • Feit 2: (primair) samen met een ander of anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd danwel (subsidiair) deze geschriften heeft gebruikt en voorhanden heeft gehad;
  • Feit 3: samen met een ander of anderen geld heeft witgewassen;
  • Feit 4: opzettelijk geen administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd.

Op 22 juli 2008 heeft de Belastingdienst een brief ontvangen afkomstig van bedrijf 1. Hierin maakt bedrijf 1 melding van het feit dat hij sinds mei 2008 een leverancier heeft van edelmetaal/sloopgoud die grote hoeveelheden van deze goederen te koop aanbiedt, dat hij over de periode mei 2008 tot en met 21 juli 2008 een groot bedrag aan omzetbelasting aan deze leverancier heeft betaald en dat hij zich afvraagt of deze leverancier daadwerkelijk aangifte heeft gedaan van de ontvangen omzetbelasting. Naar aanleiding van deze brief heeft de Belastingdienst een back-up gemaakt van de boekhouding van bedrijf 1 over 2008 en aan de hand van die gegevens een onderzoek ingesteld bij de diverse leveranciers van sloopgoud aan bedrijf 1, waaronder verdachte en zijn medeverdachte.

Op 17 maart 2009 is in het zogenoemde Tripartite overleg besloten een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte in te stellen naar de onjuiste aangifte omzetbelasting en het niet voeren van een administratie.

Bewijsmiddelen

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:

In de administratie van betrokkene 4 zijn facturen aan getroffen van bedrijf 1 Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat deze facturen vals zijn door op deze facturen te vermelden dat bedrijf 1 aan “betrokkene 4” sloopgoud had verkocht terwijl bedrijf 1 in werkelijkheid geen goud heeft geleverd (feit 2). Dat er geen goud is geleverd, leidt de rechtbank af uit het feit dat er bij twee verschillende bedrijven facturen van bedrijf 1 zijn aangetroffen met hetzelfde factuurnummer, de facturen van bedrijf 1 niet steeds een opeenvolgend factuurnummer hebben en dat in de administratie twee facturen zijn aangetroffen met hetzelfde factuurbedrag terwijl de hoeveelheden, goudsamenstellingen en de goudprijzen bij twee verkooptransacties niet exact dezelfde kunnen zijn geweest. Daarbij komt dat de hoeveelheden goudsamenstellingen van het door verdachte aan betrokkene 1 en betrokkene 2 verkochte sloopgoud niet overeenkomt met het van bedrijf 1 ingekochte sloopgoud. Ook acht de rechtbank van belang dat de kasadministratie van verdachte over substantiële periodes een aanzienlijk kastekort laat zien terwijl verdachte heeft verklaard dat hij bedrijf 1 steeds contant betaalde.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte medeverdachte facturen vervalst, door op deze facturen te vermelden dat medeverdachte aan “betrokkene 4” sloopgoud had verkocht terwijl medeverdachte in werkelijkheid geen goud heeft geleverd (feit 2). Dat er geen goud is geleverd, leidt de rechtbank af uit het feit dat medeverdachte medeverdachte onvoldoende concreet kan aangeven wie zijn eigen leveranciers zijn, er geen enkele administratieve onderbouwing is van de inkoop van het goud en medeverdachte niet beschikt over kennis die noodzakelijk is om actief te zijn in de goudhandel.

In het dossier bevinden zich zowel geprinte facturen als handgeschreven facturen. Uit de kenmerkende overeenkomsten tussen de geprinte facturen van medeverdachte en de facturen van bedrijf 1, een andere leverancier van de verdachte, leidt de rechtbank af dat de facturen zijn opgesteld in onderling overleg tussen verdachte en zijn medeverdachte. Uit het feit dat daarnaast in de administratie van verdachte originele facturen van medeverdachte gericht aan verdachte zijn aangetroffen, voorzien van een stempel van de onderneming van medeverdachte, leidt de rechtbank af dat medeverdachte, hetzij deze facturen zelf heeft opgesteld, hetzij blanco facturen aan verdachte ter beschikking heeft gesteld zodat deze de facturen verder kon opstellen en in zijn administratie kon opnemen. In beide gevallen is er sprake van medeplegen van het onder 2. tenlastegelegde;

Verdachte heeft de hiervoor genoemde facturen van medeverdachte en de facturen van bedrijf 1 ondanks dat deze vals waren opgenomen in de bedrijfsadministratie. Daarnaast heeft verdachte 2 facturen ten name van de kopende partij betrokkene 5 niet opgenomen in de administratie (feit 4).

Verdachte heeft de facturen van medeverdachte en de facturen van bedrijf 1 gegeven aan zijn boekhouder waarna deze de fictief afgedragen omzetbelasting ten onrechte heeft vermeld op de aangiften omzetbelasting. De onder 3 genoemde facturen van betrokkene 5 heeft verdachte niet gegeven aan zijn boekhouder waardoor de door verdachte in verband met deze verkopen ontvangen BTW niet is verantwoord in de betreffende aangiften omzetbelasting (feit 1).

Verdachte heeft door het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte beschikt over ten onrechte niet afgedragen BTW en ten onrechte verrekende BTW. Verdachte heeft over deze bedragen beschikt terwijl hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren (feit 3).

Bewezenverklaring

De rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

  • Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en valsheid in geschift, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: Witwassen, meermalen gepleegd;
  • Feit 4: Als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede een geldboete ter hoogte van € 200.000.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zaak van medeverdachte:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF