Veroordeling verdachte die zich meer dan drie jaar in strijd met de waarheid heeft voorgesteld als advocaat

Gerechtshof Den Haag 19 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3791

De verdachte heeft zich meer dan drie jaar ten onrechte voorgedaan als advocaat. Hiermee heeft de verdachte de suggestie gewekt als advocaat werkzaam te zijn en rechtzoekenden rechtsbijstand van een advocaat te kunnen verlenen. Buiten het wekken van de suggestie dat de verdachte advocaat was, heeft hij gesuggereerd dat hij beter werk zou kunnen verrichten dan de sociale advocatuur.

Verdachte rekende hoge tarieven en vroeg de rechtzoekenden deze bedragen meteen, vaak zonder dat de verdachte iets van werkzaamheden had verricht, te betalen. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan. De verdachte was werkzaam op een gebied waar veel kwetsbare niet Nederlands sprekende rechtzoekenden hulp vroegen. Hij heeft hier misbruik van gemaakt. Ook heeft de verdachte de rechtzoekenden, die zich veelal in een afhankelijke positie bevonden, de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat onthouden. Allen hebben achteraf aangegeven zich nooit tot de verdachte te hebben gewend indien zij hadden geweten dat de verdachte geen advocaat was.

Feit 2

Op 26 april 2011 verklaart slachtoffer 2 dat de verdachte de immigratie-advocaat van haar vriendin partner slachtoffer 2 is die op dat moment in vreemdelingenbewaring zit. Het telefoonnummer van de verdachte heeft slachtoffer 2 van een vriendin ontvangen. slachtoffer 2 heeft de verdachte vervolgens verteld op zoek te zijn naar een advocaat, de verdachte heeft hierop niet gezegd dat hij geen advocaat is 2 en slachtoffer 2 heeft de verdachte na hun gesprek een geldbedrag betaald.3 Tijdens dit gesprek en in aanwezigheid van slachtoffer 2 belt de verdachte met de politie waarbij hij tegen hen zegt de advocaat van haar vriendin te zijn.4 Als slachtoffer 2 had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had ze hem niet gevraagd.5

Feit 3

Op 18 januari 2012 verklaart slachtoffer 3 dat hij op zoek was naar een advocaat die hem kon bijstaan voor het tweede interview van zijn asielaanvraag.6 Een vriend van slachtoffer 3 wijst hem op de verdachte en zegt hem dat deze advocaat in Leiden was, niet voor de IND werkte en 2 zaken tegelijkertijd kon behandelen.7 Na een gesprek met de verdachte heeft slachtoffer 3 hem een geldbedrag betaald.8 slachtoffer 3 dacht dat de verdachte op het moment dat hij hem inhuurde om zijn belangen te behartigen advocaat was.9 Na het eerste gesprek vertelde de verdachte slachtoffer 3 dat hij een privéadvocaat was en niet in opdracht van de IND werkte.10 Tijdens het laatste gesprek dat slachtoffer 3 met de verdachte had liet hij een pasje zien en zei hij dat hij advocaat was.11 Als slachtoffer 3 had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had hij hem nooit ingehuurd.12

Feit 4

De verdachte heeft zich tegenover slachtoffer 4 voorgedaan als advocaat. Als je de verdachte belt neemt hij op met de woorden: ”Advocaat achternaam verdachte spreekt u”. slachtoffer 4 heeft de verdachte hangende een uitspraak een geldbedrag betaald.13 Als ik had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had ik hem niet mijn zaak laten behandelen.14

Tot slot stelt het hof vast dat de verdachte geen advocaat en geen meester in de rechten is.15

Gegeven bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat alle genoemde personen op zoek waren naar een advocaat. De verdachte heeft zich jegens deze personen voorgedaan als advocaat, of heeft mensen die hem advocaat noemden niet gecorrigeerd. Ook deed de verdachte zich jegens de politie voor als advocaat en nam hij ook zo de telefoon op. In deze hoedanigheid heeft de verdachte juridische zaken voor de genoemde personen aangenomen en hebben zij de verdachte daarvoor betaald. De benadeelden hebben verklaard dat indien zij hadden geweten dat de verdachte geen advocaat was, zij hem niet zouden hebben benaderd voor het behartigen van hun belangen. Door zich aldus wel op te stellen is het hof van oordeel dat de verdachte zich deed voorkomen als advocaat terwijl hij dit niet was en derhalve een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

Bewijsverweren

Namens de verdachte is door zijn raadsman overeenkomstig zijn overgelegde en in het strafdossier gevoegde pleitnota naar voren gebracht dat de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft ter adstructie van zijn betoog tot vrijspraak naar voren gebracht dat er geen valsheid is nu de hoedanigheid van advocaat niet essentieel was voor de werkzaamheden. Voorts is er evenmin een causaal verband tussen de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen en de afgifte van het geld. Tot slot ontbreekt aan de zijde van de verdachte het vereiste oogmerk.

Het hof verwerpt het verweer en oordeelt hiertoe als volgt. De tenlastelegging luidt voor zover hier thans van belang dat de verdachte zich valselijk, in strijd met de waarheid heeft voorgesteld als advocaat dan wel heeft gesuggereerd advocaat te zijn. Het feit dat voor de door de verdachte uitgevoerde werkzaamheden de hoedanigheid van advocaat niet essentieel was, maakt niet dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting, nu deze hoedanigheid voor de benadeelden wel degelijk essentieel was. Aangaande het door de raadsman gestelde gebrek aan causaliteit, overweegt het hof dat voor bewezenverklaring van ‘bewegen tot’, als bedoeld in art. 326 sr, voldoende is dat zonder aanwending van het bedrieglijke middel, te weten het zich valselijk in strijd met de waarheid voorstellen dan wel de suggestie wekken dat de verdachte advocaat was, de afgifte van het goed, de betaling, niet zou zijn gevolgd. Uit bovengenoemde vastgestelde feiten blijkt ontegenzeggelijk dat de personen de verdachte een geldbedrag hebben betaald omdat de verdachte voor hen als advocaat zou optreden. Deze betaling stond derhalve naar het oordeel van het hof in direct causaal verband met de aanwending van het bedrieglijke middel. Tot slot is het hof anders dan de raadsman van oordeel dat met het vaststellen van al deze gedragingen van de verdachte het vereiste oogmerk is bewezen.

Ontslag van alle rechtsvervolging

Subsidiair is door de raadsman betoogd dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt nu van de opdrachtgever ook mag worden verwacht een specifieke gewenste hoedanigheid aan de opdrachtnemer kenbaar te maken, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Naar het oordeel van het hof komt aan de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe, reeds omdat het verweer feitelijke grondslag mist. Immers heeft het hof vastgesteld dat de betrokken personen uitdrukkelijk wél op zoek waren naar een advocaat, althans dat de verdachte gegeven alle bovengenoemde feiten en omstandigheden had moeten weten dat zij op zoek naar een advocaat waren. Derhalve kan niet gezegd worden dat de gedraging van de verdachte wordt verontschuldigd omdat de betrokken personen zich niet expliciet hebben uitgelaten dat zij op zoek waren naar een advocaat, zoals de stelling van de raadsman luidt.

Consultatie en verhoorbijstand

Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat er een schending heeft plaatsgevonden van art. 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, (hierna: EVRM) en van art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). De raadsman stelt zich onder verwijzing naar de Salduz jurisprudentie en de hiervoor genoemde verdragen, op het standpunt dat een verklaring van een verdachte ook dan niet tot het bewijs kan worden gebruikt indien de verdachte na raadpleging van een advocaat, dan wel met bijstand van een advocaat, een nadere verklaring heeft afgelegd van dezelfde inhoud en/of strekking. (Vergelijk: ECLI:NL:HR:2010:BN9293) De raadsman heeft hieraan toegevoegd dat uit latere rechtspraak van het Europese Hof alsmede van de Hoge Raad volgt dat ook het recht op bijstand ten tijde van het politieverhoor is gewaarborgd.

Het hof overweegt dat het verweer inhoudende dat de verdachte geen ondubbelzinnige, desbewuste en vrijwillige afstand heeft gedaan van zijn recht op het consulteren van een advocaat voorafgaande aan het eerste verhoor, feitelijk grondslag mist. Nog daargelaten dat de verklaring van de verdachte bij de politie niet voor het bewijs wordt gebezigd, heeft de verdachte, blijkens het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 25 juni 2012 PL1609 2010145838-19, p. 424, verklaard dat hij afstand doet van zijn “recht van Salduz”, dat hij geen advocaat hoeft te spreken en dat hij voorafgaande aan het verhoor een bevriende advocaat heeft geraadpleegd. Het verweer wordt in zoverre verworpen. Voorts bepleit de raadsman dat de verdachte ook geen – kort gezegd – afstand heeft gedaan van de bijstand van een advocaat tijdens de verhoren. Ook dit verweer wordt verworpen nu het feitelijke grondslag mist. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2016 (vergelijk ECLI:NL:HR:2016:2018), ro. 2.7; houdt het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 december 2015 niet in dat de regels betreffende rechtsbijstand die de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest heeft uiteengezet met terugwerkende kracht gelden. Dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, geldt voor toekomstige gevallen, dat wil zeggen: vanaf het wijzen van het arrest op 22 december 2015. Het hof stelt vast dat alle in de onderhavige strafzaak afgelegde politieverhoren vóór die datum hebben plaatsgevonden, en dat er derhalve geen recht is geschonden.

 Bewezenverklaring 

  • Feit 2, 3 en 4: Oplichting, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: Zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

  • Feit 2-4: een taakstraf voor de duur van 180 uren, waarvan 60 uur voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaren.
  • Feit 5: een geldboete van € 750,-.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF