Veroordeling van voormalig exploitant seksclubs voor witwassen, valsheid in geschrifte, belastingfraude, het oprichten en leiding geven aan een criminele organisatie en verboden wapenbezit

Rechtbank Noord-Nederland 4 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4195 De rechtbank heeft de voormalig exploitant van een groot aantal seksclubs in Nederland veroordeeld voor witwassen, valsheid in geschrifte, belastingfraude, voor het oprichten en leiding geven aan een criminele organisatie en voor verboden wapenbezit.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte jarenlang meer dan de helft van de omzet van de seksclubs buiten de administratie heeft gehouden, zodat daarover geen belasting werd betaald. De zwarte omzet werd naar Zwitserland gebracht en daar gestort op de rekeningen van een drietal voor dit doel opgerichte Zwitserse ondernemingen. Deze Zwitserse ondernemingen, die niet op naam van de verdachte stonden maar achter de schermen wel door hem werden bestuurd, gebruikten dit geld om panden in Nederland te kopen die vervolgens aan de seksclubs, aan de verdachte zelf en aan een aantal van zijn gezinsleden werden verhuurd. Op deze manier heeft de verdachte op grote schaal geld witgewassen en is de Nederlandse staat voor miljoenen euro’s benadeeld.

De rechtbank stelt vast dat het qua duur en omvang om één van de zwaarst denkbare vormen van fraude gaat en dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet lijkt in te zien. Die omstandigheden rechtvaardigen het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Hoewel de verdachte op leeftijd is en in een broze fysieke gezondheid verkeert, is van absolute detentieongeschiktheid geen sprake. In de executiefase van de straf kan gezocht worden naar een passend regime. De gezondheidssituatie van de verdachte is wel aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Alles afwegende veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar.

Verweren met betrekking tot de aanvang van het onderzoek

De verdediging heeft betoogd dat er bij de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek sprake is geweest van meerdere vormverzuimen, die ertoe moeten leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank overweegt op grond van de stukken, in het bijzonder AH-002 en AH-023, ten aanzien van de start van het onderzoek als volgt.

Op 20 mei 2009 hebben de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie, de politie en de Financial Intelligence Unit-Nederland het Convenant Gegevensuitwisseling Aanpak Vastgoed ondertekend, om zo de operationele samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de samenwerkende partijen te versterken. Op grond van het convenant is een Vastgoed Intelligence Centre (VIC) ingericht. Het doel van het VIC is het vervaardigen van strategische, tactische en operationele analyses ter ondersteuning van een bestuurlijke, fiscale en/of strafrechtelijke aanpak van georganiseerde criminaliteit in relatie tot criminaliteit in de vastgoedsector.

Op 12 april 2011 zijn de Bovenregionale Recherche Noord- en Oost-Nederland (BRNON) en de toenmalige projectleider van het VIC, de officier van justitie mr. R.J. Leijenaar, overeengekomen dat het VIC een zogeheten “geoscan” zou uitvoeren op de vastgoedsituatie in het postcodegebied van de politieregio’s die onder de BRNON vallen. Het gaat hierbij om een geautomatiseerde vergelijking van gegevens afkomstig uit bestanden van het Kadaster, justitie en de Belastingdienst, waarbij aan de hand van vooraf vastgestelde risico-indicatoren via puntentoekenning een lijst van objecten en subjecten wordt gegenereerd waarbij mogelijk sprake is van misstanden. De betreffende lijst is vervolgens door medewerkers van het VIC nader geanalyseerd, waarbij gebruik is gemaakt van bekende typologieën van witwassen.

Uit de geoscan kwam onder meer een rechtspersoon naar Zwitsers recht, rechtspersoon 1 naar voren. Uit informatie van het Kadaster bleek dat rechtspersoon 1 vanaf 1992 een zestiental onroerende goederen in diverse plaatsen in Nederland in eigendom had gekregen, dat geen van de betreffende panden met hypotheek was bezwaard en dat de bestuurder van rechtspersoon 1 was genaamd medeverdachte 2. Nader onderzoek via internet wees uit dat het hierbij gaat om een in pleegplaats 6 (Zwitserland) gevestigde jurist, die ook bij een groot aantal andere rechtspersonen naar Zwitsers recht betrokken is.

Uit onderzoek in het politiesysteem Blue View kwam naar voren dat 15 van de 16 panden die op naam stonden van rechtspersoon 1, te relateren waren aan verdachte, diens zoon medeverdachte 1 of aan diens onderneming naam bedrijf 1. In het bijzonder viel op dat rechtspersoon 1 eigenaar was van de (toenmalige) woningen van verdachte, medeverdachte 1 en van de moeder van medeverdachte 1, medeverdachte 3, terwijl de overige panden gehuurd werden door naam bedrijf 1 en in gebruik waren als seksclubs. Verder onderzoek in Blue View leverde op dat naam bedrijf 1 ook in plaats 5 een pand in gebruik had als seksclub, welk pand volgens het Kadaster eigendom was van een andere Zwitserse rechtspersoon, rechtspersoon 2. Deze rechtspersoon was evenals rechtspersoon 1 statutair gevestigd in pleegplaats 6, had als bestuurder eveneens medeverdachte 2, en ook op dit pand rustte geen hypotheek.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, vormden deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs voldoende grond voor een verdenking van witwassen ten aanzien van de hiervoor genoemde (rechts)personen. De bijzondere opsporingsbevoegdheden die vervolgens tegen hen zijn ingezet, zijn derhalve niet onrechtmatig uitgeoefend.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het redelijk vermoeden van schuld is gerezen op grond van informatie waarover de politie zelfstandig kon beschikken, namelijk uit eigen systemen en uit openbare bronnen zoals kadastrale gegevens en het internet. De stelling van de verdediging dat in dit verband, zonder daartoe strekkende bevoegdheid of wettelijke basis, gebruik is gemaakt van gegevens van de Belastingdienst, is derhalve feitelijk onjuist. De rechtbank merkt overigens op dat naar haar oordeel artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen een voldoende juridische basis zou hebben geboden voor het verschaffen van dergelijke informatie door de Belastingdienst, één en ander overeenkomstig de overwegingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 8 november 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:8478).

Tot slot overweegt de rechtbank dat het hierboven beschreven onderzoek door het VIC niet kan worden aangemerkt als een verkennend onderzoek in de zin van artikel 126gg Sv, zoals de verdediging heeft betoogd. Er was immers voorafgaand aan dat onderzoek geen sprake van feiten of omstandigheden waaruit aanwijzingen voortvloeiden dat binnen verzamelingen van personen de in dat artikel bedoelde misdrijven werden beraamd of gepleegd. Het doel van het onderzoek van het VIC was juist om via gegevensuitwisseling mogelijke misstanden in de vastgoedwereld op het spoor te komen. Hetgeen de verdediging op dit punt verder heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

Nu de verweren van de verdediging worden verworpen, acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk en ziet zij (subsidiair) geen aanleiding om delen van het dossier uit te sluiten van het bewijs. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, ziet zij bovendien geen reden om nader onderzoek te verrichten naar de al dan niet bij de start van het onderzoek beschikbare informatie, zoals de verdediging (voorwaardelijk) heeft verzocht.

Bewijsoverwegingen

Werkwijze naam bedrijf 1

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat bij naam bedrijf 1 sprake was van de navolgende werkwijze.

Omzet

In de diverse clubs van naam bedrijf 1 werd de omzet per dagdeel (voornamelijk contante inkomsten uit de verhuur van kamers aan prostituees en de verkoop van drank, alsmede de vergoedingen die prostituees betalen voor het overnachten op de club en de aanschaf van condooms) bijgehouden door de managers. Aan het eind van de week werden de dagopbrengsten door hen in een handgeschreven weekoverzicht gezet. Enkele managers noteerden de omzet van de club (ook) wekelijks in een agenda. Per week werden de dag- en weekoverzichten, samen met het contante geld, de creditcardslips en de pinbonnen in een envelop gedaan.

De managers mochten per werkdag 25% van de omzet houden. Zij haalden dat bedrag uit de contante inkomsten. Het contractueel afgesproken netto minimumloon dat ze (per bank) al hadden ontvangen, dienden ze hiermee te verrekenen. Veelal gebeurde dat door aan het eind van de maand het per bank uitbetaalde loon contant terug te storten in de enveloppen.

De enveloppen met daarin de contante omzet werden wekelijks bij de clubs opgehaald, meestal door de verdachte medeverdachte 5, maar ook wel door medeverdachte 1 of medeverdachte 4. De enveloppen werden vervolgens doorgaans naar medeverdachte 4, en soms, bij afwezigheid van medeverdachte 4, naar medeverdachte 1 of medeverdachte 3 gebracht.

Dubbele boekhouding

Door medeverdachte 4 (of, bij afwezigheid van medeverdachte 4, door medeverdachte 1 ) werden de weekomzetten van de clubs overgeschreven op een kladbriefje. Het opgehaalde geld werd dan per club door hem opgeteld en in een andere kolom op hetzelfde kladbriefje genoteerd. Op de achterzijde werd de verdeling van de opbrengsten per soort eurobiljet, creditcardslips en pinopbrengsten aangegeven.

Vervolgens halveerde medeverdachte 4 (of in diens afwezigheid, medeverdachte 1 ) de weekomzetten en zette hij het resulterende bedrag om in een op 1 decimaal afgerond getal (zodat bijvoorbeeld een weekomzet van € 4.625,-- werd omgezet in 2.3 en een weekomzet van € 5.718,-- in 2.8). Deze getallen werden vervolgens per club telefonisch (veelal per voicemail of per sms-bericht) doorgegeven aan verdachte, later ook wel aan medeverdachte 1.

De doorgegeven, gehalveerde, omzetten werden door verdachte met de hand genoteerd op een briefje, waarbij overigens in veel gevallen het bedrag eerst nog een tweede keer werd verlaagd. Daarna maakte medeverdachte 4 op basis van deze briefjes “nieuwe” dagoverzichten op, op soortgelijke blokken als daarvoor in de clubs werden gebruikt. Deze dagoverzichten werden samengevoegd tot weekbundels, met de handgeschreven briefjes van verdachte als voorblad, waarna medeverdachte 4 de herschreven weektotalen digitaal wegzette op zijn externe harde schijf.

Uit een vergelijking tussen de weekcijfers zoals die blijken uit de in beslag genomen agenda’s (waarin de werkelijke weekomzet stond genoteerd), de onder medeverdachte 4 in beslag genomen versies van de administratie en de “officiële” boekhouding zoals die bij persoon 2 is aangetroffen blijkt dat tot bijna 65% van de werkelijke omzet buiten de boeken werd gehouden.

Het in de boekhouding te verantwoorden deel van de omzet werd door medeverdachte 4 gestort op de bankrekening van naam bedrijf 1. Het niet-verantwoorde deel van het bij de clubs opgehaalde contante geld, alsmede de oorspronkelijke door de managers opgemaakte weekomzetten, werd door medeverdachte 4, en in voorkomende gevallen door medeverdachte 1, naar de woning van medeverdachte 3 aan adres 13 in pleegplaats 5 gebracht. Het contante geld bracht medeverdachte 3 naar een safeloket bij de Rabobank te pleegplaats 5. De oorspronkelijke administratie verbrandde zij in haar open haard.

De door medeverdachte 4 samengestelde weekbundels en de door medeverdachte 3 opgemaakte kasboeken (met daarin het te verantwoorden deel van de omzet) werden vervolgens overgedragen aan de boekhouder persoon 2, die aan de hand van deze (fictieve) gegevens de belastingaangiftes van naam bedrijf 1 verzorgde.

Zwitserland

In ieder geval ten aanzien van een gedeelte van het contante geld dat buiten de boeken werd gehouden kan worden vastgesteld dat het naar Zwitserland is gebracht. Bij de drie onderzochte gevallen in 2012 was de gang van zaken dat medeverdachte 5, medeverdachte 3, medeverdachte 4 en/of verdachte onderling telefonisch contact met elkaar hadden voor het afspreken van een datum en tijdstip, waarna medeverdachte 3 een geldbedrag ophaalde uit het safeloket bij de Rabobank te pleegplaats 5. Dit geldbedrag werd vervolgens bij haar thuis opgehaald door medeverdachte 5, die daarmee naar pleegplaats 6 reed en het pakket in kwestie afgaf ten kantore van medeverdachte 2.

Daarnaast kan worden aangenomen dat in 2009 in ieder geval één keer op dezelfde wijze geld naar Zwitserland is gebracht, nu uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte 1 op 29 juni 2009 door de douane is gecontroleerd bij de grensovergang tussen Duitsland en Zwitserland en dat toen een bedrag van € 85.000,-- aan contant geld is aangetroffen in zijn bagage.

Aanschaf onroerend goed en leningen

Het kantooradres van medeverdachte 2 aan adres 14 in pleegplaats 6 is ook het vestigingsadres van de Zwitserse rechtspersonen rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3. Deze drie rechtspersonen hebben in de loop der jaren een groot aantal panden in Nederland aangekocht. De meeste van deze panden werden verhuurd aan naam bedrijf 1 en hierin waren de seksclubs gevestigd die door naam bedrijf 1 werden geëxploiteerd. rechtspersoon 1 was daarnaast eigenaar van de woningen die aan verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 3 werden verhuurd.

rechtspersoon 1 en rechtspersoon 2 hebben bovendien in de periode van juli 1999 tot en met februari 2008 een achttal onderhandse leningen verstrekt aan naam bedrijf 1, waarvoor overigens geen zekerheden zijn gesteld, waarbij in een tweetal gevallen geen en in de overige gevallen een niet-marktconforme rente is bedongen en waarop nauwelijks werd afgelost.

Nader onderzoek naar de Zwitserse bankrekeningen van rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3 heeft uitgewezen dat verdachte de begunstigde eigenaar is van de vermogenswaarden op deze bankrekeningen. Bij medeverdachte 2 zijn trustovereenkomsten, notities en e-mailberichten aangetroffen die aantonen dat verdachte de achterliggende, feitelijke bestuurder is van deze drie rechtspersonen.

Uit het verloop van de bankrekeningen van rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3 is gebleken dat zij over geen andere inkomsten beschikten dan de (overigens niet-marktconforme) huur die naam bedrijf 1 voor het gebruik van de panden betaalde en stortingen van contant geld door medeverdachte 2. Het onderzoek heeft geen andere bron voor dit contante geld kunnen aantonen dan de buiten de boeken gehouden en naar Zwitserland gebrachte deel van de omzet van de seksclubs.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank oordeel dat sprake is geweest van een zogenaamde “loan back”-constructie, dat wil zeggen dat dat deel van de omzet van naam bedrijf 1 dat buiten de boeken werd gehouden, nadat het naar Zwitserland was gebracht, werd geïnvesteerd in panden in Nederland of als lening werd verstrekt ten behoeve van deze zelfde rechtspersoon.

Bespreking van de tenlastegelegde feiten

Criminele organisatie en de rol van verdachte

Uit hetgeen de rechtbank hierboven in algemene zin heeft overwogen, blijkt genoegzaam dat tussen de in feit 2 genoemde natuurlijke en rechtspersonen op duurzame en structurele wijze werd samengewerkt om een deel van de omzet van de seksclubs die naam bedrijf 1 exploiteerde buiten de administratie en de belastingheffing te houden en om deze zwarte omzet via een schijnconstructie wit te wassen. De rechtbank zal op dat laatste hieronder nog nader ingaan.

Deze vorm van samenwerking om financiële misdrijven als witwassen, belastingfraude en valsheid in geschrifte te plegen kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr worden beschouwd.

Voor wat betreft de rol van verdachte binnen deze criminele organisatie, stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat hij, blijkens de tapverslagen die zich in het dossier bevinden en de verklaringen die door getuigen zijn afgelegd, de oprichter en formeel en feitelijk de leidinggevende was van naam bedrijf 1, de exploitant van de seksclubs waarmee het wit te wassen geld werd verdiend, en dat hij zich actief bemoeide met de bedrijfsvoering in de clubs, in het bijzonder ook door van de managers te verlangen dat zij op geen andere wijze de omzet mochten bijhouden dan op de dag- en weekstaten die vervolgens door medeverdachte 5 en medeverdachte 1 werden opgehaald en verzameld.

Medeverdachte 4 heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het gedeeltelijk buiten de boeken houden van de omzet van de clubs in opdracht gebeurde van de verdachte. Ook uit tapverslagen en uit het gegeven dat zijn handschrift is aangetroffen op de valselijk opgemaakte omzetbriefjes, blijkt dat verdachte nadrukkelijk betrokken was bij het valselijk opmaken van de administratie van naam bedrijf 1.

Uit diens verklaringen en de in dit verband afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat medeverdachte 5 in opdracht van verdachte naar het kantoor van medeverdachte 2 in Zwitserland afreisde. Ook bij het overbrengen van het zwarte geld van Nederland naar Zwitserland was de verdachte derhalve actief betrokken.

Daarnaast heeft de rechtbank hierboven al overwogen dat uit het onderzoek naar rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3 is komen vast te staan dat verdachte de feitelijke bestuurder was van deze rechtspersonen en de begunstigde eigenaar van de vermogenswaarden op de bijbehorende Zwitserse bankrekeningen, waarmee de panden die naam bedrijf 1 gebruikte voor de exploitatie van de seksclubs werden aangekocht. Daarmee had hij (achter de schermen) een cruciale positie bij de schijnconstructie waarmee het zwarte geld werd witgewassen. Ook bij de gang van zaken rond de aankoop van de panden, zoals de onderhandelingen met de wederpartij en de keuze voor de notaris, trad hij nadrukkelijk op.

Het voorgaande maakt duidelijk dat verdachte consequent een leidende rol had bij het opzetten en uitvoeren van alle onderdelen van de constructie waarbij de zwarte omzet van naam bedrijf 1 werd witgewassen. Om die reden kan hij worden beschouwd als de oprichter, bestuurder en leidinggevende van de criminele organisatie.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Witwassen

Zoals hiervoor al eerder overwogen, werd slechts een deel van de werkelijke omzet van de clubs in de boekhouding verantwoord. Het overgebleven deel, in de tenlastelegging onder feit 1A aangeduid als “de zwarte omzet”, bleef door de eerder beschreven vervalsing van de relevante administratieve bescheiden buiten het zicht van iedereen behalve de betrokken verdachten. Het buiten de boekhouding gehouden deel van de omzet kan dan ook (vanaf dat moment) worden aangemerkt als geld dat afkomstig is uit misdrijf, namelijk de gepleegde valsheid in geschrifte. De rechtbank volgt derhalve niet de stelling van de verdediging dat het strafbare feit waarmee het wit te wassen geld zou zijn verkregen, het onjuist doen van belastingaangifte zou zijn geweest.

Uit het voorgaande algemene overzicht van de werkwijze binnen naam bedrijf 1 volgt verder dat deze zwarte omzet, in ieder geval voor een deel, naar medeverdachte 2 in Zwitserland werd gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank staat buiten redelijke twijfel vast dat dit geld geheel of gedeeltelijk ten goede is gekomen aan de drie Zwitserse rechtspersonen rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3. Zoals al eerder opgemerkt is immers uit het onderzoek gebleken dat deze rechtspersonen, afgezien van huurbetalingen door naam bedrijf 1, over geen andere bron van inkomsten beschikten dan stortingen van contant geld door medeverdachte 2.

Het vermogen van de drie Zwitserse rechtspersonen is – afgezien van de al eerdergenoemde leningen – vrijwel uitsluitend aangewend ten behoeve van de aankoop van onroerend goed in Nederland, dat reeds in gebruik was dan wel daarna in gebruik kwam bij verdachte, zijn gezinsleden of naam bedrijf 1. Omdat uit het onderzoek genoegzaam is komen vast te staan dat verdachte zelf de uiteindelijke rechthebbende was van rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3, moet worden geconcludeerd dat de panden die onder feit 1A staan genoemd, feitelijk aan hemzelf toebehoorden en dat middels een schijnconstructie, waarbij gebruik is gemaakt van valse huur- en koopovereenkomsten, is verhuld dat deze panden in werkelijkheid werden gefinancierd met de zwarte omzet van de clubs.

De rechtbank acht in het licht van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat naam bedrijf 1 zich in vereniging met verschillende natuurlijke en rechtspersonen schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van de zwarte omzet en van onroerend goed op de wijze zoals in de tenlastelegging onder feit 1A is beschreven, behoudens de hierna te noemen onderdelen. Gelet op de leidende rol die zij vervulden binnen het criminele samenwerkingsverband waarvan naam bedrijf 1 deel uitmaakte, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte 1 daartoe opdracht hebben gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de contante bestedingen bij naam bedrijf 2 en aan persoon 1 zijn betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is, nu deze betalingen rechtstreeks zijn gedaan vanuit de kas van de clubs, dat wil zeggen voordat de werkelijke omzet middels valsheid in geschrifte werd verhuld. De rechtbank acht derhalve dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde aankoop van een perceel grond nummer 1 locatie 1 bij adres 6 te plaats 6 stelt de rechtbank vast dat deze aankoop heeft plaatsgevonden op 30 november 2001 en derhalve buiten de tenlastegelegde periode valt. Dat leidt ertoe dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.

Valsheid in geschrifte

De verdediging heeft betoogd dat de onder feit 3A c.q. 3B bedoelde geschriften geen feitelijke onjuistheden bevatten en om die reden niet als vals kunnen worden aangemerkt.

Dat de inhoud van de in de tenlastelegging genoemde geschriften strikt genomen niet in strijd is met de waarheid staat niet ter discussie. Dat neemt echter niet weg dat al deze geschriften opgemaakt zijn met het uitsluitende doel om derden te misleiden omtrent de werkelijkheid, namelijk dat naam bedrijf 1 gebruik maakte van de Zwitserse rechtspersonen rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3 om onroerend goed in Nederland aan te kopen en aan zichzelf terug te verhuren en op die manier de zwarte omzet van de clubs wit te wassen. Naar het oordeel van de rechtbank staat buiten redelijke twijfel vast dat het nadrukkelijk opvoeren van de Zwitserse rechtspersonen als partij bij de genoemde huur-, lenings- en koopovereenkomsten en leveringsaktes enkel diende om deze schijnconstructie te verhullen.

Het voorgaande betekent dat van al de in de tenlastelegging genoemde geschriften gezegd kan worden dat zij valselijk zijn opgemaakt.

Van deze geschriften heeft naam bedrijf 1 gebruik gemaakt als waren zij echt en onvervalst door deze te overleggen aan de in de tenlastelegging genoemde officiële instanties. Gelet op hun leidende rol binnen het criminele samenwerkingsverband waarvan naam bedrijf 1 deel uitmaakte, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte 1 daartoe opdracht hebben gegeven, dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

De rechtbank acht derhalve het onder 3A tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de onder 4B.1 tenlastegelegde omzetformulieren overweegt de rechtbank als volgt. Uit hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen over de wijze waarop een deel van de omzet buiten de boekhouding werd gehouden, volgt buiten redelijke twijfel dat de in dit feit bedoelde omzetformulieren in alle gevallen valselijk door naam bedrijf 1 zijn opgemaakt, nu op die formulieren opzettelijk een lagere omzet is vermeld dan de diverse clubs in werkelijkheid hadden gedraaid. Ook hier is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte 1, gezien hun leidende rol binnen het criminele samenwerkingsverband waarvan naam bedrijf 1 deel uitmaakte, daartoe opdracht hebben gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

De rechtbank acht dan ook het onder feit 4B.1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Onjuiste belastingaangiftes

Nu de aangiftes omzetbelasting van naam bedrijf 1 over de tijdvakken januari 2007 tot en met september 2012, zoals in de tenlastelegging onder 4A bedoeld, gedaan zijn op basis van de eerdergenoemde valselijk opgemaakte omzetformulieren, staat vast dat deze aangiftes opzettelijk onjuist zijn gedaan, met als gevolg dat over deze tijdvakken te weinig belasting is geheven.

Gelet op hun leidende rol binnen het criminele samenwerkingsverband waarvan naam bedrijf 1 deel uitmaakte, staat ook hier vast dat verdachte en medeverdachte 1 tot het doen van deze onjuiste aangiftes opdracht hebben gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

De rechtbank acht derhalve het onder feit 4A tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de aangiftes vennootschapsbelasting van naam bedrijf 1, zoals tenlastegelegd onder feit 5, overweegt de rechtbank dat de aangifte over 2007 incompleet in het dossier is gevoegd en dat is komen vast te staan dat de aangiftes over 2011 en 2012 nooit zijn ingediend. Van deze onderdelen zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Voor de aangiftes vennootschapsbelasting over de overige tijdvakken die zijn genoemd in de tenlastelegging, geldt hetzelfde als de rechtbank hierboven heeft overwogen met betrekking tot de aangiftes omzetbelasting. Ook de aangiftes vennootschapsbelasting zijn gebaseerd op de gegevens in de valselijk opgemaakte bedrijfsadministratie, met als gevolg dat over deze tijdvakken te weinig belasting is geheven, en ook hier geldt dat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte 1, gelet op hun leidende rol binnen het criminele samenwerkingsverband waarvan naam bedrijf 1 deel uitmaakte, daartoe opdracht hebben gegeven dan wel daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

In zoverre acht de rechtbank het onder feit 5 tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Wet Wapens en Munitie

Gelet op het aanvangsproces-verbaal in zaaksdossier 8 is op 30 januari 2013 in de woning aan de adres 15 (in het proces-verbaal aangeduid met de locatiecode “A”) een alarm- c.q. startpistool aangetroffen. Dit blijkt ook uit de kennisgeving inbeslagname, waarin staat vermeld dat er op het adres aan de adres 15 diverse voorwerpen in beslag zijn genomen en dat het betreffende vuurwapen in beslag is genomen op locatie A. Het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat het vuurwapen is gevonden tijdens de doorzoeking van nummer 2, wordt derhalve verworpen.

Uit een proces-verbaal van bevindingen (AH-725) blijkt verder dat het aangetroffen wapen een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat Jan Bik op 30 januari 2013 het bedoelde wapen voorhanden heeft gehad, zoals onder feit 6 is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

  • Onder 1A: medeplegen van opdracht geven tot dan wel feitelijk leiding geven aan medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon;
  • Onder 2: als oprichter, leider en bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • Onder 3A: medeplegen van opdracht geven tot dan wel feitelijk leiding geven aan medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • Onder 4A: medeplegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • Onder 4B.1: medeplegen van opdracht geven tot dan wel feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • Onder 5: medeplegen van opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • Onder 6: handelen in strijd met het in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie gegeven verbod, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

Uit eigen waarneming heeft de rechtbank kunnen constateren dat de fysieke gezondheid van verdachte weliswaar broos is, maar dat maakt detentie op zichzelf niet onmogelijk. Er zijn immers voldoende mogelijkheden om bij het ondergaan van detentie rekening te houden met fysieke beperkingen van veroordeelden. Verdachte is, mede door zijn gevorderde leeftijd, kwetsbaar, maar niet in die mate dat reeds daarom detentie is uitgesloten.

De gezondheidssituatie van verdachte is voor de rechtbank wel aanleiding de op te leggen gevangenisstraf te matigen. Daarbij speelt een rol dat kan worden verwacht dat, gelet op de leeftijd en de gezondheidssituatie van verdachte, voor recidive niet meer valt te vrezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Rechtbank Noord-Nederland 4 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4203

De rechtbank veroordeelt ook de zoon van bovengenoemde verdachte. De rechtbank acht bewezen dat de zoon vanaf 2009 heeft meegewerkt aan het jarenlang buiten de administratie houden van meer dan de helft van de omzet van de seksclubs, zodat daarover geen belasting werd betaald. De zwarte omzet werd naar Zwitserland gebracht en daar gestort op de rekeningen van een drietal voor dit doel opgerichte Zwitserse ondernemingen. Deze Zwitserse ondernemingen, die niet op naam van de zoon of zijn vader stonden, maar achter de schermen wel door hen werden bestuurd, gebruikten dit geld om panden in Nederland te kopen die vervolgens aan de seksclubs, aan de zoon zelf en een aantal andere gezinsleden werden verhuurd. Op deze manier heeft de zoon op grote schaal geld witgewassen en is de Nederlandse staat voor miljoenen euro’s benadeeld.

De zoon wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF